Overige websites

  • Dit onderwerp bevat 74 reacties, 5 deelnemers, en is laatst geüpdatet op 28/05/2023 om 18:25 door Luka.
5 berichten aan het bekijken - 71 tot 75 (van in totaal 75)
  • Auteur
    Reacties
  • #275121
    Luka
    Moderator

      3 dingen die je herkent als je als kind altijd ‘op eieren moest lopen’

      Met ‘op eieren lopen’ bedoelen we dat je als persoon steeds bezig bent om een uitbarsting van iemand anders te voorkomen. Dit komt overal voor maar als je in een huis opgroeit waar je als kind altijd op eieren moest lopen, kan dit impact hebben op de rest van je leven.

      Opgevoed worden in een omgeving waar je altijd op je hoede moet zijn, is niet makkelijk maar je vind vaak maniertjes om hiermee om te gaan.

      Op eieren lopen in je jeugd
      Altijd maar op eieren lopen zorgt ervoor dat je je eigen gevoelens onderdrukt en die van een ander angstvallig in de gaten houdt. Dit kan gebeuren als ouders opvliegerig zijn, snel boos worden of altijd teleurgesteld zijn.

      Als kind wil je het graag goed doen en als je aldoor kritiek en wrede opmerkingen naar je hoofd geslingerd krijgt, is dit moeilijk om te verdragen.

      Je komt in een modus waarbij je je zintuigen altijd op scherp hebt staan en conflicten probeert te vermijden. Het liefst kruip je weg maar dit kan niet altijd.

      Je vertelt alleen nog maar wat je ouders willen horen, verzwijgt dingen waarvan je denkt dat het voor opschudding zorgt en verwacht vooral niet veel. Als deze patronen zich jarenlang voordoen, kan dit iets doen met hoe je je als volwassene gedraagt.

      1. Verontschuldigen wanneer het niet nodig is
      Wanneer je in je jeugd altijd op je hoede was, heb je de neiging om je te over-verontschuldigen. Dit gebeurt vooral als je een situatie lastig vindt, een antwoord niet weet of wanneer je je schaamt. Vaak is het nergens voor nodig om je te excuseren.

      2. Andermans behoefte voor die van jezelf plaatsen
      Als je als kind jouw behoeften wegstopt, verbind je daar de conclusie aan dat wat jij wilde er niet toe deed en dat je dus niets te willen had. Om je veilig en gewaardeerd te voelen, heb je geleerd om eigen behoeften en verlangens weg te stoppen.

      In plaats daarvan ging je vooral doen wat er van je verwacht werd. Je wilde niemand tot last zijn en leerde al vroeg om behoeften van anderen aan te voelen en erin te voorzien. Ook al betekende dit dat je jezelf weg moest cijferen. Al vroeg werd de pleaser in jou geboren.

      3. Conflicten vermijden
      Je wilt het liefst geen ruzie met anderen. De sfeer op je werk moet altijd gemoedelijk zijn. Je zegt niet wat je voelt of vindt. Kortom: je wilt conflicten vermijden en altijd de lieve goede vrede bewaren.

      Nu is het vermijden van een conflict menselijk want een conflict kost energie, maar wanneer het je leven gaat beïnvloeden, zou je er iets aan kunnen doen.

      Wanneer je begrijpt waarom je conflicten vermijdt, is het al makkelijker om hiermee om te gaan. Probeer de volgende keer als je in een conflictsituatie terecht komt, rustig te blijven en op te komen voor jezelf.

      Tijd voor verandering
      Op een gegeven moment kom je op een punt dat je denkt: vanaf nu ga ik alleen maar doen wat ik zelf wil. Maar wat wil je eigenlijk? Soms raak je zo verwijderd van jouw eigen behoeften dat je het even niet meer weet.

      Dit komt doordat je je hele jeugd lang, dag in dag uit, getraind bent om aan de behoefte van een ander te voldoen. Gevoelens van eenzaamheid, stress en mislukking komen dan om de hoek kijken. (EMDR) therapie kan je helpen om jouw eigen pad weer te bewandelen en om trauma’s uit je jeugd te verwerken.

      Bron: Bedrock >>

      #275409
      Luka
      Moderator

        ‘Soms roepen collega’s: ‘Nu hou je op!’, terwijl die persoon misschien niet anders kán’

        Politiemensen over die ene melding, wat er daarna gebeurde en hoe dat hun kijk op het vak ingrijpend heeft veranderd. Ingrid Tensen (47) leert haar collega’s dat ze bij mensen met psychische problemen altijd kalm moeten blijven. ‘Schreeuw nooit terug.’


        Beeld Anne Stooker

        ‘Ik werkte vijf jaar bij de politie toen ik zwanger werd van mijn eerste kind, een zoontje. Al snel merkte ik dat er iets met hem aan de hand was. Hij hing erg aan mij, kon niet tegen verandering en huilde veel.

        ‘Op zijn 7de kreeg hij de diagnose die ik al vermoedde: autisme. Omdat ik mijn zoon wilde begrijpen ging ik daar veel over lezen, bekeek documentaires, werd lid van de Nederlandse Vereniging voor Autisme en bezocht congressen. Daar leerde ik veel van. En ik dacht: daardoor doe ik privé dingen die goed werken bij mijn zoon, maar bij de politie doen we niet altijd het juiste bij mensen met psychische problemen. Soms roepen collega’s: ‘Nu hou je op!’, of ‘Doe eens normaal!’, terwijl de persoon in kwestie misschien niet anders kán.

        ‘Ik volgde – heel toevallig – een cursus ‘presenteren en profileren’. We kregen de opdracht: maak een presentatie die voor je collega’s bruikbaar zou kunnen zijn, dus ik fabriceerde iets over autisme. Na mijn voordracht werd gezegd: ‘Dit zou iederéén moeten horen.’ Mijn chef zei: ga maar doen.

        ‘Ik begon op ons bureau, hier in Hoofddorp. Ik hield een powerpointpresentatie en vertelde dat je iemand met autisme moet benaderen met zo min mogelijk prikkels. Laat één collega het woord doen, praat er niet doorheen. Blijf altijd rustig, ook als diegene schreeuwt. Ga nooit terugschreeuwen. Wees duidelijk over elk stapje dat je gaat doen, en dóé dat vervolgens ook. Die aanpak werkt meestal ook bij mensen met psychische problemen of zwakbegaafden.

        ‘Kort daarna kwam de melding van een moeder die in paniek 112 had gebeld: haar zoon had tegenover haar staan schreeuwen met een mes, waarna hij het huis uit was gevlucht.

        ‘Met twee auto’s reden we die kant op. Mijn collega en ik herkenden de jongen aan het signalement op een parkeerplaats. Over de mobilofoon zei ik tegen de collega’s in de tweede auto: ‘Rijden jullie naar die moeder, kom hier niet langs.’

        ‘We stapten uit en liepen in V-formatie naar hem toe, zodat je nooit tegelijk kunt worden aangevallen. Op een paar meter afstand stopte ik en zei: ‘Ik ben van de politie, ik wil je handen zien.’ De jongen spreidde zijn armen. ‘We kregen de melding dat jij je moeder met een mes hebt bedreigd’, zei ik, en hij antwoordde dat het niet goed met hem ging, maar dat hij nu wat rustiger was en naar huis wilde.

        ‘‘We gaan eerst kijken of je echt geen scherpe spullen bij je hebt’, vervolgde ik. ‘Dus we komen dichterbij en dan gaat mijn collega je aanraken. Hij gaat voelen bij je broekzakken, over je benen, overal.’ De jongen knikte.

        ‘Mijn collega was al die tijd stil. Na mijn uitleg fouilleerde hij die jongen en zei: ‘Hij is schoon.’ Vervolgens liepen we met hem naar zijn moeder. Onze collega’s hadden de voordeur – zoals altijd in onzekere situaties – op een kier laten staan. ‘Politie!’, riep ik, ‘We zijn hier met uw zoon.’ Ik vroeg zijn moeder waar de jongen op een rustige, veilige plek kon wachten totdat de crisisdienst kwam. Dat was boven, ik liep met hem mee naar zijn slaapkamer. Hij ging op bed liggen en ik vroeg waar ik mocht gaan zitten. Hij wees zijn bureaustoel aan. Ik legde uit dat er een hulpverlener zou komen die met hem wilde praten, en dat ik tot die tijd in die stoel bleef zitten vanwege ieders veiligheid. ‘Ik ga niks zeggen’, zei ik, ‘maar als je vragen hebt, mag je die gewoon stellen.’ Hij bleef stil liggen en ik heb daar zo’n halfuur zwijgzaam gezeten totdat de crisisdienst het van ons overnam.

        ‘Buiten praatte ik na met mijn drie collega’s. Toen zei de collega met wie ik op de auto zat: ‘Wat goed dat ik laatst jouw presentatie heb bijgewoond. Daardoor wist ik precies wat ik wel en niet moest doen.’

        ‘Daarna heb ik veel meer presentaties gegeven. Aan andere eenheden, maar ook aan officieren van justitie, leden van de cellenwacht en straatcoaches van de gemeente. Ik heb mijn zoon netjes gevraagd of ik voorbeelden van hem in mijn presentaties mag gebruiken, zoals zijn problemen met de avondklok tijdens corona, door zijn vaste structuren. Hij zei: ‘Mama, van mij mag je dit aan de hele wereld vertellen, want als mensen mij beter begrijpen, gaat het ook beter met mij.’

        ‘Voor de moeder van de jongen met het mes hebben we een Afspraak Op Locatie in ons systeem gezet, een AOL. Dan weet de politie meteen wat er aan de hand is als zij 112 belt. En dat is nodig. ‘Hij wordt steeds groter en sterker’, vertelde ze, terugkijkend. ‘Ik was altijd al bang voor de dag dat ik hem niet meer aankan. Nu is het zover.’

        Bron: de Volkskrant >>

        #276650
        Luka
        Moderator

          Een teken van emotionele verwaarlozing in je jeugd: je nergens thuisvoelen

          Het gevoel er niet bij te horen… Het is een opvallend kenmerk van emotionele verwaarlozing in je jeugd. Psycholoog Jonice Webb, auteur van Patronen van ongekende gevoelens doorbreken, staat in dit artikel stil bij het ‘buitenstaander-gevoel’ en geeft 4 tips hoe je ermee kunt afrekenen.

          Als je emoties onderdrukt zijn, dan is het lastig om de emotionele connectie te voelen die jou verbindt met andere mensen op een feestje.

          Een belangrijke vraag voor jou
          De eerste vraag op de vragenlijst om erachter te komen of jij in je jeugd emotioneel verwaarloosd bent, is: ‘Voelt het soms alsof je er niet bijhoort als je bij vrienden of familie bent?’ Er is een reden waarom die vraag bovenaan staat. Daaruit is namelijk het vaakst af te leiden of iemand emotioneel verwaarloosd is of niet. Eerst lijkt het misschien niet logisch. Waarom zou je rondlopen met het gevoel dat je er niet bijhoort? Er niet thuishoort? Dat je je aan de buitenkant bevindt en vanaf daar naar binnen kijkt? Vooral bij mensen die van je houden?

          Het gevoel is lastig te identificeren, het is moeilijk om het een naam te geven, maar toch kan het iemand heel erg beïnvloeden. Het kan lastig zijn om nog met mensen af te spreken, maar ook om lang te blijven. Misschien raak je geïrriteerd in de buurt van andere mensen en weet je niet zeker waarom. Misschien ben je wel heel goed in doen alsof je het naar je zin hebt, maar ben jij de enige die weet dat dat eigenlijk niet zo is. Misschien kijk je juist wel om je heen naar andere mensen die lachen en praten en het naar hun zin hebben en vraag jij je af wat je mist.

          Gevoelens onderdrukken
          In de twintig jaar dat ik als ik psycholoog werk, heb ik veel mensen dit gevoel horen omschrijven. Ze gebruiken allemaal andere woorden, maar ze hebben allemaal één ding gemeen: ze zijn allen opgegroeid in een gezin waarin ze emotioneel zijn verwaarloosd.

          Emotionele verwaarlozing vindt plaats als de ouders niet genoeg aandacht besteden aan de emotionele behoeften van hun kind. Als je een kind bent en je gevoelens worden genegeerd, krijg je indirect een krachtige boodschap van je ouders. Namelijk: ‘Jouw gevoelens doen er niet toe.’ Ik heb dit keer op keer gezien, dat kinderen deze boodschap krijgen en zich daarop aanpassen. Ze onderdrukken hun gevoelens, zodat ze niemand tot last zijn.

          Zo overleeft het kind makkelijker of ontwikkelt het zich zelfs beter in een gezin dat niet goed met gevoelens omgaat. Maar als het kind volwassen is, wordt dit een probleem.

          Jouw emoties en relaties
          Als je volwassen bent, heb jij je emoties nodig. Emoties zijn de lijm die je verbindt met andere mensen en de kruiden die het leven interessant maken. Als je emoties onderdrukt zijn, dan is het lastig om de emotionele connectie te voelen die jou verbindt met andere mensen op een feestje. Het is zelfs nog lastiger om die spontane, gelukkige synergie te voelen die plaatsvindt als andere mensen volledig aanwezig zijn bij elkaar. In plaats daarvan ben je dus een bakker zonder gist. Je gaat te werk zonder een belangrijk ingrediënt dat de mensen om je heen wel hebben. En dat voel je.

          Als jij je herkent in dit gevoel, vergeet dan alsjeblieft niet dat ook al is dit een echt gevoel, het is niet écht. De mensen om je heen zien jou niet op die manier. Zij zien je niet aan de buitenkant. Zij hebben niet het gevoel dat je er niet bijhoort. Zij willen een connectie met je hebben en genieten van je gezelschap. Het beste aan emotionele verwaarlozing in je jeugd is dat je ervan kunt genezen.

          Vier tips om je niet meer een buitenstaander te voelen
          1. Wees je meer bewust van dit gevoel. Let erop als je het voelt, let op de invloed die het gevoel op jou heeft. Hou het gevoel altijd achter in je hoofd. Herinner jezelf eraan dat het maar een gevoel is.
          2. Zodra je je meer bewust wordt van het gevoel, waar het vandaan komt en wat voor kracht het heeft, kun je ertegen vechten. Dwing jezelf om met mensen af te spreken en vecht constant tegen het gevoel terwijl je daar bent.
          3. Vertel iemand (je partner, een broer of zus of goede vriend) over het gevoel. Leg uit waar het gevoel vandaan komt en hoeveel moeite je ermee hebt. Vraag die persoon om zijn of haar steun bij familiegelegenheden, feestjes en andere afspraken.
          4. Focus je op je emotionele verwaarlozing. Het is belangrijk om je verwaarlozing aan te vallen vanuit meerdere hoeken. Een van de beste manieren om dit te doen, is door je emoties meer te gaan voelen en te accepteren. Hoe beter je hierin wordt, hoe zwakker dat gevoel wordt van je niet thuis voelen.

          Door je meer op je gemak te voelen met je gevoelens, begin je aan het proces, maar leer je ook hoe jouw gevoelens (en jijzelf) passen bij de relaties die je hebt met andere mensen. Als je dit nog eng vindt, kun je eerst beginnen door meer te leren over hoe je je emoties kunt gebruiken om je relaties hechter te maken. Zodra jij je realiseert wat er mis is, ben je al goed op weg. Je vecht dan voor een leven waarin je je meer op je gemak voelt en jij je hechter voelt met anderen. Het voelt dan niet meer alsof je je aan de buitenkant bevindt.

          Bron: Inspirerend leven >>

          #276934
          Luka
          Moderator

            ZIJ ROUWEN OM MENSEN DIE NOG LEVEN: “IK ROUW OM DE VADER DIE HIJ NIET MEER IS”

            Rouw wordt vaak gelinkt aan de dood. Maar wist je dat je ook kunt rouwen om mensen die nog leven? Bijvoorbeeld als je geen contact meer hebt met een familielid, of als een naaste door een ziekte niet meer zichzelf is. Merel en Joan-Anne hebben er beiden ervaring mee en vertellen ons erover. “Ik mis het vaderlijk advies dat hij mij vroeger kon geven.”

            Rouwen mág, ook als er niemand dood is gegaan, stelt verlies- en veerkrachtdeskundige Heidi van den Hout. “Diffuus verlies is verlies waarmee je niet wordt gecondoleerd, maar wat er wel is. Denk aan liefdesverdriet, verlies van gezondheid (bij jezelf of een ander), verlies van dromen of vriendschappen die uit elkaar gaan. Verlies is dus breder dan alleen maar overlijden en hoort ook bij het leven.”

            Terug thuiswonen
            Verlies is een terugkerend onderwerp in Joan-Annes (35) leven. Op haar 28ste sterft haar moeder aan longkanker. Haar vader heeft dan al de diagnose Alzheimer. Joan-Anne vertrekt uit haar studentenhuis, trekt bij haar vader in en wordt mantelzorger.

            Zes jaar zorgt ze voor hem. “Elke keer verlies ik een stukje van hem. Hij verandert in een ander persoon. Hij vergeet onze herinneringen, waar spullen staan. Nu weet hij mijn naam niet meer. Ik raak eraan gewend, en pas de zorg aan. Ik probeer niet vast te zitten in frustratie en verdriet, maar het doet veel pijn.”

            Mini-vlagen van herkenning
            Na een spierspasme door een slechte reactie op medicatie dat een delier veroorzaakt, moet haar vader eind 2021 met spoed opgenomen worden in het ziekenhuis. Daarna wordt hij overgeplaatst naar een verzorgingshuis.

            “Nu ga ik nog maar wekelijks met mijn broer en zijn kinderen langs. Vooral om zo met het schuldgevoel om te kunnen gaan. Ik heb zo lang voor hem gezorgd. Nu hij daar zit, voelt het soms toch of ik tekortschiet als dochter, als mantelzorger. Ik krijg nog steeds contact met hem, maar hij lijkt ver weg. Ik mis de fijne gesprekken van vroeger, waar ik mijn hart kon luchten en vaderlijk advies kreeg. Hij praat vaak onverstaanbaar en tikt op de tafel.”

            Joan-Anne strijkt een haarlok uit haar gezicht. “Soms zijn er mini-vlagen dat ik hem hervind. Dan voelt hij bijvoorbeeld dat ik verdrietig ben en legt hij ineens zijn hand op de mijne. Maar die momenten zijn kort. Daar word ik elke keer weer verdrietig van.”

            Zwaard van Damocles
            Nu haar vader in een verzorgingshuis woont, is er meer ruimte voor Joan-Anne om haar leven op te bouwen. Maar de rouw klopt nu ook makkelijker aan. “Ik rouw om de vader die hij niet meer is.”

            De anticiperende rouw zorgt ook voor stress. We zitten nu in het afscheidstraject. Het voelt echt als het zwaard van Damocles. Er staat iets onheilspellends te gebeuren, maar wanneer hij komt te overlijden, weten we niet. Door de lange tijd dat ik voor mijn vader heb gezorgd, blijf ik nog altijd alert. Ik heb de hele tijd het gevoel dat elk moment dat ik hem zie, de laatste kan zijn.”

            Boemerangeffect
            Om de rouw op afstand te houden, begraaft Joan-Anne zich soms te graag in haar werk en andere sociale activiteiten. “Maar wegduwen heeft geen zin want dan komt de rouw als een boemerang twee keer zo hard terug. Met hevige huilbuien tot gevolg.”

            Meestal als ze moe is komen de emoties los. “Een paar dagen geleden heb ik mezelf weer in slaap gehuild. De tranen gaan langs mijn ogen, mijn oren in. Er zit gewoon heel veel verdriet van binnen. Dit zijn de momenten dat ik weet dat ik door mijn pijn en verdriet heen moet. Als dat klepje open staat, kan je je verdriet in delen kwijtraken en ben je sneller kalmer.”

            Ongevraagd advies
            Veel mensen begrijpen Joan-Annes verdriet niet goed: je vader is er toch nog? “Veel mensen worden liever niet geconfronteerd met heftige emoties zoals verdriet en pijn, en gaan prompt oplossingsgericht denken.”

            Joan-Anne begint vertederd te lachen. “Mijn vriend zei laatst: ‘Schat, ik weet niet hoe ik je blij kan maken.’ Maar dat hoeft niet. Je hoeft er alleen maar te zijn. Het is fijn als iemand erkent dat het even zwaar is. Dan voelt het ook dat mijn pijn en verdriet er mag zijn. Ik weet vaak ook niet wat ik eigenlijk wil. Rouw komt op en zakt weer. Het wordt niet minder, je leert er alleen beter mee om te gaan.”

            Rouw = ultieme vorm van liefde
            “Ik ben uit dat zwarte gat gekomen en aan het heroriënteren waar ik sta. Eigenlijk lopen drie processen naast elkaar. Ik ga door, ben aan het rouwen én kan enthousiast zijn over dingen die op mijn pad komen. Mijn vriend en ik hebben het over kinderen. Maar ik wil niet te veel denken aan de toekomst, want een toekomst zonder Papi vind ik pijnlijk. Ik probeer een balans te vinden tussen ruimte, licht en verdriet.”

            Joan-Anne ziet rouw als de ultieme vorm van liefde. “Dat het pijnlijk is, bewijst dat je heel veel van iemand houdt. Dan voel ik ook hoe sterk onze band is. Want uiteindelijk, als je door al die lagen van rouw, verdriet en pijn heen bent, blijft de liefde altijd over. Het overstijgt alles. En dat is waar voor mij de troost ligt.”

            Geen veilige thuissituatie
            Ook Merel (31) heeft ervaring met rouwen om mensen die er nog zijn. Zij brak op negentienjarige leeftijd met haar vader en vorig jaar met haar moeder. “Ik vind het moeilijk om erover te praten, maar wil graag mijn verhaal delen. Misschien zijn er anderen die zich erin herkennen.”

            Merel haalt diep adem. “Ik heb een zware jeugd gehad. Mijn thuissituatie was onveilig, waardoor ook mijn moeder psychische klachten kreeg. Naast dat mijn thuissituatie niet veilig was voor een kind had ik ook het idee dat ik voor mijn moeder moest zorgen.”

            Merel deed er alles aan om de liefde van haar moeder te winnen. Ze zette zichzelf op de tweede plek. “Zo hielp ik mee in het huishouden en kocht ik van mijn zakgeld een roos om haar even blij te maken. Als ik negatieve gevoelens had, durfde ik ze niet uit te spreken. Ik liet mezelf geloven dat ik controle had op haar mentale gezondheid. Langzaam werd ik een schim van mezelf.”

            Loyaliteit en liefde
            Merel werd jarenlang psychisch verwaarloosd. Ze ervaarde vaak een gebrek aan aandacht en emotionele steun. “Het is niet zo dat ik nooit liefde kreeg van mijn ouders. Maar er was geen ruimte om mijn eigen stem te ontwikkelen en te laten horen. Mijn mentale gezondheid ging eraan onderdoor. Ik had veel negatieve gedachten die mijn leven inktzwart maakten. Dat vrat mij op van binnen. Op mijn dertigste trok ik het niet meer en verbrak voorgoed het contact.”

            Een onmenselijke keuze noemt Merel het. “Ik dacht: accepteer ik dat mijn grenzen alsmaar geschonden worden en ik herhaaldelijk teleurgesteld en gekwetst achterblijf? Of kies ik voor mijn geluk en psychische gezondheid? Ik zou zo graag mijn moeders pijn willen wegnemen, alles oplossen, maar ik kan dat niet. Ik moet haar loslaten en, hoe moeilijk ook, achterlaten.”

            Een thuis creëren
            Merel probeert het verlies van haar beide ouders te accepteren. “Ik had als kind recht op ouders die er voor mij waren, en dat is niet gebeurd. Ik rouw om dat gemis, dat ik niet een kind heb kunnen zijn en jarenlang geen vangnet heb gehad. En op de feestdagen mis ik mijn ouders nog steeds. Dat zijn toch de dagen dat je graag met familie bent.”

            Merel slikt en kijkt even weg. “Ik probeer bij mijn lieve vrienden een thuis te creëren. Sommige vriendinnen voelen als zussen. We doen spontaan even een theetje of wandelen met de hond. Samen lachen en huilen we. Ik kan mijn hart bij hen luchten. Als ik me alleen of verdrietig voel, weet ik dat ik bij hen kan schuilen. Dat verbindt en heelt mijn pijn.”

            Ongezonde liefde
            Fysiek heeft de rouw veel invloed op Merel. “Ik voel met fases een leegte in mijn lijf, en ook een knoop in mijn maag door de boosheid, schuld en het verdriet. Het kan ook getriggerd worden door een situatie waarin bijvoorbeeld een ouder zijn of haar kind steunt. Die gevoelens hopen zich op totdat het eruit moet, als een golf van emoties. Vaak trek ik me dan een paar dagen terug voordat het me lukt om contact te zoeken met vrienden.

            Voor mij is rouw ook: hoe meer je om iemand geeft, hoe meer pijn je om iemand kunt hebben. Ik weet zeker dat mijn ouders en ik nog van elkaar houden. Maar het is geen gezonde liefde waar iets op kan groeien. Dat leert rouwen mij. Ik probeer hen los te laten, maar ik ben daarin soms nog zoekende.”

            Erkenning
            Eén effectieve manier om verlies te verwerken, bestaat volgens Merel niet. “Wat voor mij het beste werkt, is mijn gevoelens onder ogen zien. Als je ze wegstopt, komen ze twee keer zo hard terug. Ik praat met dierbaren. Hun erkenning in mijn verdriet en boosheid geeft rust en kracht.

            Ik merk dat ook schrijven over wat ik voel en denk helpt. Al ben ik wel bang dat ik in die veelheid van gevoelens verstrikt raak. Ik wil niet dat de mooie momenten die ik meemaak, erdoor overschaduwd worden.”

            ‘Het is mijn tijd’
            Dan verschijnt een glimlach op Merels gezicht. “Ik stel mezelf vaker de vraag waar ik blij van word. Dat is wennen, want die vraag stelde ik mezelf nooit. Ik heb nu twee oppashondjes. Zij bieden mij vreugde en troost.

            Ik doe vrijwilligerswerk voor Dream4Kids waar ik ‘Droomdagen’ organiseer voor kinderen met traumatische ervaringen, en werk dagelijks met jongeren. Ik zie mezelf niet als een redder of hulpverlener. Dat ik naast iemand mag staan in zijn of haar reis door het leven, vind ik waardevol. En eigenlijk sta ik dan ook een beetje naast de kleine Merel van toen die het ook zwaar had. Mijn werk draagt bij aan mijn helingsproces en rouwverwerking.”

            Dat maakt het verlies van haar ouders draaglijk. “Mijn ouders hebben mij deels gevormd tot wie ik ben, maar nu neem ik het heft in eigen handen. Het is mijn tijd. Er zullen zeker tegenslagen komen, maar ik ben er minder bang voor. Ik weet dat ik zo krachtig ben dat ik erdoorheen kom.”

            Omgaan met verlies
            Hoe deal je met verlies en rouw? Heidi van den Hout heeft tips.

            1. Ben je bewust van het woord ‘rouwarbeid’. Als je een verliessituatie meemaakt, kan dat heel veel energie kosten. Je hebt er als het ware een extra baan bij. Ga bij jezelf na wat jouw zuigtabletten (waar loop je op leeg) en bruistabletten (waar krijg je energie van) zijn. Tip: visualiseer het voor jezelf en schrijf het op!
            2. Besef dat het normaal is dat je na lange tijd je nog regelmatig verdrietig voelt. Verlies heeft alles met liefde te maken. Als je om iets of iemand geeft, doet het pijn als je dit verliest.
            3. Verlies moet je wel zelf dragen, maar niet alleen. Vraag om hulp, hoe lastig dit dan ook kan zijn. Zoek iemand op die je vertrouwt en waarbij je je kwetsbaar kan opstellen. Veel (jong-)volwassenen hebben geleerd “om het allemaal maar alleen te doen”. Hulp vragen kan ook in kleine dingen zitten. Iemand kan voor je koken, boodschappen doen of met jou samen gaan sporten.
            4. Vind je het moeilijk hoe je moet reageren op het verlies van een ander? Zeg dan: “Ik weet niet wat ik moet zeggen, ik wil er gewoon voor je zijn.”

            Bron: NPO3FM >>

            #277125
            Luka
            Moderator

              Iedereen heeft wel iets

              Psychologie Magazine vroeg de Nederlandse bevolking naar de psychische klachten waar ze in hun leven tegenaan zijn gelopen. En wat bleek: vrijwel iedereen heeft weleens iets. Dit sluit aan bij een nieuwe manier van denken die steeds meer terrein wint in de wetenschap: we hebben allemaal krachten én kwetsbaarheden.

              Meer dan een derde van de Nederlanders verzwijgt hoe hij zich echt voelt, uit angst erom veroordeeld te worden
              Deze en tientallen andere ervaringen legde Psychologie Magazine voor aan een representatieve steekproef van de Nederlandse bevolking. Duizend mensen van boven de 18 dachten terug aan verschillende perioden in hun leven en gaven zo eerlijk mogelijk antwoord.

              De uitkomst: psychisch leed, ongemak en lastige persoonlijkheidstrekjes komen heel veel voor. Maar we praten er lang niet altijd open over.

              Een kleine greep uit de onderzoeksresultaten: bijna twee derde van de Nederlanders heeft angst- en spanningsklachten gehad. Meer dan de helft van de Nederlanders heeft last gehad van somberheid, bijna een derde heeft zich zelfs weleens afgevraagd of zijn leven nog wel zin heeft.

              En zelfs ongeveer 1 op de 10 mensen heeft weleens relatief zeldzame ervaringen gehad als stemmen horen, dingen zien die er niet zijn of zich heel erg vervreemd voelen van de werkelijkheid.

              Slechts 4 procent van de Nederlanders – minder dan 1 op de 20 – herkende of herinnerde zich geen enkele klacht uit onze lijst. Dat waren voornamelijk mannen van boven de 65 met een middelbare beroepsopleiding. Wie echt nóóit iets heeft, is dus pas écht uitzonderlijk.

              Normaler dan we denken
              Onze onderzoeksuitkomsten sluiten aan bij wat er uit andere, nog veel grotere, bevolkingsonderzoeken naar voren komt, zoals het langlopende NEMESIS-onderzoek van het Trimbos-instituut.

              Hieruit blijkt onder andere dat 43 procent van de Nederlanders in zijn leven weleens voldoet aan de criteria voor een psychische stoornis. En daar zijn bijvoorbeeld eetstoornissen, burn-out, autisme en persoonlijkheidsstoornissen nog niet eens in opgenomen.

              Zijn we dan allemaal een beetje ‘gek’? Of is het misschien wel veel normaler dan we denken om vroeg of laat een keer mentaal voor de bijl te gaan of lastige trekjes te hebben?

              Jim van Os, hoogleraar psychiatrie aan het UMC Utrecht Hersencentrum, denkt dat laatste: ‘Als de helft van de mensen een stoornis heeft gehad kun je je afvragen of je het wel een stoornis moet noemen. Blijkbaar vallen al deze klachten onder normale menselijke variatie.

              Iedereen heeft genetische aanleg in zich voor allerlei psychische klachten als somberheid, angst en psychoses. Er zitten namelijk eigenschappen onder die we óók nodig hebben om te overleven. Hoe zou het zijn als je niet in staat was angsten te voelen, of niet in staat was te wantrouwen? Dit zijn normale en gezonde eigenschappen maar ze kunnen je onder bepaalde omstandigheden gaan belemmeren.’

              We hebben dus allemaal weleens ‘iets’. Maar in plaats van ons op dit vlak verbonden te voelen met elkaar, voelen veel Nederlanders zich anders dan ‘de rest’. Meer dan de helft van de mensen voelde zich weleens afwijkend of onbegrepen, blijkt uit ons onderzoek.

              Het gevoel een buitenbeentje te zijn, je afvragen of je wel normaal bent, het gevoel dat niemand je begrijpt; de meerderheid van de mensen kent het. Alleen weten we het niet van elkaar.

              De helft van de mensen met dit soort gevoelens, zo blijkt uit ons onderzoek, vertelt dit namelijk aan niemand. Meer dan een derde van de Nederlanders verzweeg hoe hij zich echt voelde, uit angst erom veroordeeld te worden.

              Een angst die niet geheel onterecht is; wie denkt dat hij ‘niet spoort’ en bovendien de enige is met bepaalde gevoelens, is bang het te delen omdat hij dan weleens een negatief stempel kan krijgen. En dan ben je voor altijd ‘diegene met borderline’, ‘die met een eetstoornis’, of ‘die met een dwangneurose’.

              Even uit balans

              De tijd is gekomen dat we anders moeten gaan denken over psychische ‘afwijkingen’. Een groeiend aantal wetenschappers vindt het door de psychiatrie gemaakte onderscheid tussen ‘gestoord’ en gezond namelijk volstrekt achterhaald.

              De DSM-5, het handboek vol psychische ziekten aan de hand waarvan psychiaters en psychologen dagelijks diagnoses stellen en etiketjes plakken, zou linea recta de prullenbak in kunnen.

              Of op zijn minst drastisch moeten worden herzien. Er bestaat namelijk helemaal geen hard onderscheid tussen psychisch ziek en psychisch gezond, tussen ‘gek’ en normaal, stellen deze wetenschappers.

              Iedereen heeft klachten en krachten. Alleen onder bepaalde omstandigheden raakt de balans tussen die twee verstoord en worden de klachten of trekjes te.

              Een hoge mate van empathie en gevoeligheid leidt dan tot somberheid, een perfectionist wordt dan echt dwangmatig, een waakzaam persoon komt dan de deur niet meer uit vanwege de angst.

              Maar dat hoeft lang niet altijd blijvend te zijn. Je hoeft geen stempel te krijgen waar je de rest van je leven niet meer vanaf komt. Op deze manier kijken naar psychische problemen is relativerend, veel milder en menselijker.

              Psychiater Jim van Os is een belangrijke voorvechter van deze nieuwe beweging. Van Os: ‘Iedereen bevindt zich ergens in het spectrum van wat ik “psychische variatie” noem.

              Al het psychisch lijden gaat eigenlijk over bepaalde kwetsbaarheden die afhankelijk van de omstandigheden en je weerbaarheid af en toe de kop op kunnen steken.’

              Volgens Van Os dringt dit inzicht gelukkig steeds meer door onder zijn vakgenoten. Hij legt uit dat autisme vroeger bijvoorbeeld als een zeldzame ziekte gold, maar dat men er nu al van doordrongen is dat er veel mensen zijn met autistische trekken.

              ‘Nu spreken we van het autistische spectrum. Dit geldt in werkelijkheid voor alle psychische klachten. Zelfs voor iets wat vrij heftig klinkt, zoals het horen van stemmen of het hebben van waanideeën, heeft iedereen genetische aanleg.

              Alleen is niet iedereen op alle vlakken even gevoelig. Je hebt mensen die gevoelig zijn voor depressies maar zich met een paar goede gesprekken en wat sporten weer beter gaan voelen.

              En je hebt mensen die echt jarenlang gestut moeten worden. Het is goed om je eens af te vragen waar je zelf staat in het spectrum. Wat is je eigen kwetsbaarheid?’

              Positieve bril
              Maar het is ook – en misschien wel juist voor kwetsbare mensen – belangrijk om te kijken naar waar je goed in bent, en wat je wél kunt.

              In tegenstelling tot wat we vaak denken, staan er namelijk tegenover negatieve gevoelens en klachten bij de meeste mensen ook een heleboel positieve gevoelens en kwaliteiten. Dat blijkt uit het onderzoeksproject Hoe gek is Nederland? van de Rijksuniversiteit Groningen, in internationale publicaties vertaald als:

              How nuts are the Dutch? Op hoegekis.nl kan iedereen vragenlijsten over psychische klachten invullen en direct zien hoe hij zich verhoudt tot de rest van de invullers.

              Bertus Jeronimus, psycholoog en onderzoeker verbonden aan dit project, vindt dat we meer aandacht moeten hebben voor deze positieve gevoelens, en niet alleen voor de klachten.

              Jeronimus: ‘Je kunt ook met klachten namelijk best gelukkig zijn. Een sombere, werkeloze man die voelt dat hij weinig betekenis aan zijn leven kan geven, kan nog steeds een blij gevoel krijgen als hij aan de waterkant zit te vissen.

              Iemand die gevoelig is voor angsten, heeft vaak ook oog voor de gevoelens van andere mensen en kan daardoor bijvoorbeeld een heel goede leraar of verpleegkundige zijn. Het is allemaal niet zo zwart-wit als vaak gedacht wordt.’

              Volgens psychiater Jim van Os moeten we dan ook stoppen met onszelf en onze medemensen te bestempelen als psychisch ziek, of over iemand met een depressie of psychoses te zeggen dat-ie een hersenziekte heeft.

              Van Os: ‘Dat geeft een veel te pessimistische en hopeloze boodschap die niet klopt met de werkelijkheid. Je moet mensen juist vertrouwen geven in hun weerbaarheid en capaciteiten. Zelfs iemand met ernstige klachten en beperkingen kan geholpen worden weer een zinvol bestaan te ervaren.’

              Bertus Jeronimus is het hiermee eens: ‘Mensen gaan zich vaak te veel identificeren met een diagnose. Aan de ene kant begrijpelijk, want het geeft erkenning. Maar het is ook beperkend.

              Uit onderzoek blijkt dat mensen juist minder kwetsbaar worden als ze weten dat je er niet te veel waarde aan moet hechten en dat je ook weer over een crisis heen kunt komen.’

              Jim van Os: ‘Sommige mensen met een bepaalde gevoeligheid ontwikkelen op een gegeven moment behoefte aan zorg. Maar dan ben je in mijn ogen nog steeds niet ziek, het is eerder een signaal dat je bent vastgelopen en dat er iets moet veranderen.’

              In de toekomst ziet Van Os diagnoses veranderen van stoornissen en ziekten naar syndromen: ‘Een gesprek met de patiënt verloopt dan heel anders, bijvoorbeeld: “We weten niet precies wat u heeft, maar het zit ergens in de hoek van angst. En vanuit die diagnose gaan we heel goed naar uw specifieke klachten, zorgbehoefte en omgevingsfactoren kijken.”

              Een goede hulpverlener kan de patiënt vervolgens leren hoe hij moet omgaan met zijn kwetsbaarheid en zijn weerbaarheid kan vergroten. Daardoor kunnen ze zich veel beter gaan voelen, zelfs als de klachten of symptomen niet weggaan.’

              Taboe
              Op dit moment is de maatschappij echter nog erg gewend te denken in termen van stoornissen en ziektes. Misschien dat we daarom ook zo weinig praten over onze klachten.

              Uit Brits onderzoek bleek al eens dat het taboe op psychische aandoeningen groot is; we vertellen eerder over onze seksuele geaardheid en financiële problemen dan over onze mentale issues.

              Ook uit ons eigen onderzoek blijkt dat we veel verborgen houden. Soms omdat we ons schamen, soms omdat we niet willen dat anderen een verkeerd beeld van ons krijgen of ons anders gaan behandelen. We zijn bang voor de (voor-)oordelen van onze medemensen.

              En dat is ergens wel te begrijpen. Hoe graag we ook zouden willen dat er meer openheid over psychische problemen is, in de praktijk kan iemand die eerlijk vertelt waarmee hij heeft geworsteld lang niet altijd op begrip rekenen.

              Dat merkt ook Anne, die tien jaar terug een aantal keer een psychose had. Inmiddels is ze fulltime werkzaam bij een grote organisatie, maar vertelde haar baas hier niets over.

              Anne: ‘Dat je ook goed kunt functioneren als je kwetsbaar bent voor psychoses weet ik zelf wel, maar een groot deel van de maatschappij nog niet. Ik ken mensen die open zijn geweest en daar nu enorm veel spijt van hebben. Psychoses worden nog altijd gezien als een ernstige psychische stoornis.’

              En hoewel er voor sommige andere klachten zoals burn-out en depressie al veel meer openheid mogelijk is dan jaren geleden, geldt ook daarvoor dat het stigma in je nadeel kan werken.

              Een werkgever vreest dat iemand die een depressie heeft gehad wellicht niet zal functioneren en kiest er toch maar voor een contract niet te verlengen, een nieuwe liefde schrikt als hij hoort dat zijn date ooit een psychose had.

              Zelf oplossen

              We vertellen dus weinig over onze psychische klachten aan onze vrienden en al helemaal niet aan onze collega’s en leidinggevenden, zo blijkt uit onze cijfers, maar tegelijkertijd stappen we redelijk makkelijk naar een arts of hulpverlener.

              Ruim een derde van de Nederlanders is al eens bij een psycholoog geweest. En liefst 71 procent denkt op dit moment dat hij baat zou kunnen hebben bij gesprekken met een psycholoog of coach. De behoefte aan steun lijkt het grootst onder de jongere generatie (18-34 jaar), 8 van de 10 millennials denkt er iets aan te hebben.

              Uit de onderzoekscijfers blijkt ook dat een arts of hulpverlener bij bepaalde problemen meer in vertrouwen wordt genomen dan ouders, andere familie of de vriendenkring.

              Mensen praten graag met een buitenstaander, dat merken de psychologen en maatschappelijk werkers van MIND Korrelatie ook. Zij krijgen per jaar tussen de 15.000 en 17.000 hulpvragen. Bij hen kan iedereen volledig anoniem blijven.

              Volgens senior hulpverlener Paul vinden bellers of chatters dat heel prettig: ‘Mensen willen vaak toetsen of het normaal is wat ze voelen of waarmee ze worstelen. Hoelang mag je rouwen als je een dierbare bent verloren? Als ik bang ben, welk beroep mag ik dan doen op mijn familie? Dat is fijn om bij een buitenstaander te checken die niet meteen een oordeel over je heeft of anders over je gaat denken.

              Samen structureren we gedachten en kunnen we vaak duidelijker krijgen wat er nou wel en niet aan de hand is. We bekijken samen hoe iemand zelf verder aan de slag kan gaan met zijn problemen.

              Heel vaak vertellen we mensen dat hun worstelingen heel normaal zijn. Iedereen die leeft, relaties aangaat, kinderen krijgt, of werkt, loopt weleens tegen problemen aan. Af en toe struikel je. Dat hoort bij een normale levenswandel. We denken tegenwoordig vaak dat alles in het leven maakbaar is, of zou moeten zijn.

              Maar pijn en verdriet maken integraal onderdeel uit van het leven. Het hoort bij je ontwikkeling dat je daarmee leert omgaan en voor een deel ook leert het te verdragen.’

              De opluchting van praten
              Uit het onderzoek van Psychologie Magazine blijkt dat Nederlanders hun dierbaren vaak niet willen belasten met hun sores.

              ‘Dit moet ik zelf oplossen’ was verreweg de meest gekozen reden om te zwijgen over verschillende psychische klachten. Op de voet gevolgd door: ‘ik wil niet klagen’. Terwijl ook 62 procent van de Nederlanders aangeeft dat het helpt om je hart te luchten. Wat zegt dat over ons en onze maatschappij?

              Paul van MIND Korrelatie: ‘We zijn individualistisch, en we vinden het een teken van zwakte als mensen hun problemen niet alleen kunnen oplossen. Maar dat is een gemiste kans, want er zijn zoveel manieren om steun en erkenning te krijgen.

              Zorgen delen haalt de scherpe kantjes ervanaf. Als mensen met ons gepraat hebben voelen ze meestal enorme opluchting: het is vrijwel altijd minder erg met ze dan ze dachten.

              Soms lopen ze er al heel lang alleen mee rond en is het in hun hoofd heel erg groot geworden. Dat is verdrietig, en had niet gehoeven. Na praten kan het weer kleiner worden.’

              Benieuwd naar hoe vaak jouw psychische klachten voorkomen bij andere Nederlanders? Vul de checklist in op psychologiemagazine.nl/wathebjij

              Projectmanager Anne (39) kreeg een aantal psychoses

              ‘Een psychose voelt een beetje alsof je in een rare film bent beland. Mijn beleving van de werkelijkheid werd anders; ik legde allerlei verbanden die er niet waren en trok me terug in een eigen wereld.

              Na de psychose begon het eigenlijk pas – een heftig rouwproces, schaamte, verdriet. Dit was niet wat ik voor mezelf in gedachten had gehad.

              Ik was intelligent en ambitieus, maar nu was me verteld dat mijn gedachten helemaal niet klopten. Het voelde alsof ik opnieuw moest beginnen: control-alt-delete.

              Inmiddels werk ik weer bij een interessante organisatie in een leuke functie. Maar iedereen die zoiets heeft meegemaakt weet dat het vervelende consequenties kan hebben als je dit deelt op je werk.

              Ik wil voorkomen dat het mijn identiteit wordt en daarom wil ik ook niet herkenbaar op de foto; mensen die psychosegevoelig zijn hebben te maken met een hardnekkig vooroordeel.’

              Anne richtte een stichting op voor werkende mensen met psychosegevoeligheid: vandewereld.org

              Hoogleraar psychiatrie Jim van Os is verslavingsgevoelig

              ‘Ik weet van mezelf dat ik heel dorstig ben. In mijn studententijd heb ik daar behoorlijk aan toegegeven.

              De genetische kwetsbaarheid heb ik hiervoor meegekregen, maar ik heb ook de gevolgen ervan gezien bij mensen in mijn familie. Het leidt tot een zekere weerzin als je ziet dat iemand elke dag op het middaguur al dronken is.

              Ik heb een modus gevonden om met mijn verslavingsgevoeligheid om te gaan: door de week drink ik niet, maar ik zit me dan wel al enorm te verheugen op dat biertje in het weekend.

              Nog steeds vind ik het heel leuk om met verslavingsproblematiek te werken. Het gevoel dat je een glas alcohol ziet staan en het moet nemen intrigeert me mateloos. En verslavingsgevoelige mensen zijn vaak heel aardig!’

              Rowena (33) Peer educator en student Spraak & Drama-therapie, heeft ADHD
              ‘Regelmatig verlies ik de regie over mijn leven en ik vind het heel lastig om aan anderen uit te leggen wat er op die momenten precies in mijn hoofd gebeurt. Soms geloven ze niet dat er geen opzet in het spel is als het misgaat.

              Daardoor voel ik me vaak onbegrepen. Misschien dat ik mezelf daarom heb aangeleerd heel goed naar anderen te luisteren.

              Ik onthoud ook echt alles: van je lievelingsbloemen en je favoriete boek tot de verjaardag van je hond. Ik krijg vaak terug dat ik zo attent ben en dat is natuurlijk weer heel leuk.

              Door mijn impulsiviteit ben ik bovendien enorm creatief, een echte outside the box-denker. Ik schrijf veel van mijn gedachten op, vaak in de vorm van een gedicht. Hoewel ik graag zonder die constante onrust in mijn hoofd zou leven, ben ik trots op wie ik ben.’

              Last van psychische klachten?
              Praten helpt. Je kunt anoniem chatten, bellen, mailen en appen met een hulpverlener van MIND korrelatie via mindkorrelatie.nl

              Bron: Pschologie Magazine >>

            5 berichten aan het bekijken - 71 tot 75 (van in totaal 75)
            • Je moet ingelogd zijn om een antwoord op dit onderwerp te kunnen geven.
            gasten online: 21 ▪︎ leden online: 0
            No users are currently active
            FORUM STATISTIEKEN
            topics: 3.776, reacties: 21.210, leden: 2.840