PTSS & CPTSS

  • Dit onderwerp bevat 34 reacties, 4 deelnemers, en is laatst bijgewerkt op 25/07/2020 om 15:56 door Luka.
10 berichten aan het bekijken - 26 tot 35 (van in totaal 35)
  • Auteur
    Berichten
  • #238385
    Luka
    Moderator

    Traumabehandeling bij psychose wél effectief

    Circa 12% van de mensen met een psychose heeft een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Uit groot onderzoek blijkt dat het behandelen van trauma bij patiënten met een psychose zowel veilig, effectief als kosteneffectief is. Dat spreekt richtlijnen tegen die stellen dat het beter is om trauma bij een psychose niet te behandelen.

    Collega’s van de Parnassia Groep initieerde een gerandomiseerd effectonderzoek naar de veiligheid, werkzaamheid en doelmatigheid van behandeling van mensen met zowel een psychose als een posttraumatische stressstoornis (PTSS). In die studie werd gangbare zorg voor psychose (volgens de richtlijnen en dus gericht op psychose, maar niet op een naastliggend trauma) vergeleken met diezelfde zorg plus (1) “Eye Movement Desensitization and Reprocessing” (EMDR), of, (2) cognitieve gedragstherapeutische traumabehandeling met exposure (CGT-E). De klinische trial laat zien dat beide vormen van additionele traumatherapie veilig en werkzaam zijn bij mensen met een psychose (David van den Berg e.a. in JAMA Psychiatry 2015; 72:259-267).

    Meer gezondheid, minder zorgkosten en maatschappelijke kosten
    Op de data van de klinische trial werd een economische evaluatie uitgevoerd in samenwerking met het Centrum Economische Evaluatie en Machine Learning van het Trimbos-instituut. De economische evaluatie laat zien dat toegevoegde traumabehandeling niet alleen leidt tot meer gezondheid, maar ook tot een afname van zorgkosten en maatschappelijke kosten (Paul de Bont e.a. European J Psychotraumatology 2019;10:1565032). Voor de economische evaluatie werd de Wetenschapsprijs van de Vereniging EMDR Nederland ontvangen.

    Bron: trimbos.nl

    #239476
    Luka
    Moderator

    Het kantoorleven kan een hel zijn als je hersenen net wat anders werken

    Gedeelde bureaus, weinig stilte en een oneindige hoeveelheid e-mails die op je wachten: voor neurodivergente mensen is werken op kantoor vaak een grote uitdaging.

    Lilith* werkte een tijd op een klein kantoor, waar ze een groot bureau deelde met zes collega’s. Ze zat alleen niet altijd aan dat bureau te werken – een paar keer per week zat ze eronder, op de grond met haar laptop op schoot.

    “Als ik veel geluid of mensen om me heen heb, kan ik nogal overprikkeld raken,” vertelt ze. “Mijn collega’s vonden het vooral grappig, en ook wel een beetje gek, maar gingen er verder wel respectvol mee om.”

    Lilith heeft een depressieve stoornis, een paniekstoornis en een obsessieve-compulsieve stoornis (OCS). Hoewel ze regelmatig therapie heeft en medicatie gebruikt, kunnen haar symptomen soms plots weer opduiken. Toen ze in 2017 als schrijver werkte voor een mediabedrijf, kon het alleen al een opgave zijn om op het werk te verschijnen.

    Stel je even een typisch modern kantoor voor: een grote, open ruimte met gedeelde bureaus, zonder wandjes ertussen. Stilteruimtes zijn er amper, en er is weinig plek om te lunchen – als die er überhaupt al is. Wel zijn er irritante geluiden, felle lichten en geroezemoes. Je moet constant aanspreekbaar zijn voor je collega’s, op tijd op e-mails en chatberichtjes reageren en talloze vergaderingen bijwonen.

    Niet iedereen die op een kantoor werkt zal het kantoorleven zo ervaren, maar voor neurodivergente mensen kan het een grote uitdaging zijn. Neurodiversiteit is een term om de verschillende manieren waarop het brein functioneert te beschrijven. Mensen met een autismespectrumstoornis, ADHD of dyslexie vallen hier bijvoorbeeld onder, en de term wordt ook gebruikt om mensen aan te duiden die een angststoornis, depressie, PTSS of OCS hebben. Kort samengevat: alles waardoor iemands brein net wat anders werkt dan gemiddeld.

    Voorstanders van meer neurodiversiteit op het werk, vinden dat werkplekken moeten worden aangepast op de behoeftes van deze mensen, in plaats van andersom. Zoals dat ze hun eigen rooster mogen bepalen, of niet met zes collega’s aan hetzelfde krappe bureautje hoeven te werken. En hoewel techbedrijven als Microsoft en HP hun werkomstandigheden en personeelsbeleid wel degelijk aanpassen op dit soort wensen, blijft het in de praktijk vaak moeilijk voor neurodivergente mensen om een baan te vinden en die te houden.

    Lilith, die nu 25 is, vertelt dat ze gelukkig meerdere keren een baas heeft gehad die rekening met haar hield. Als ze een paniekaanval had op kantoor, mocht ze bijvoorbeeld even buiten zitten om op adem te komen, en als ze het te zwaar vond om naar werk te komen, mocht ze thuiswerken.

    Vandaag de dag werkt Lilith als freelancer. “Ik vind het moeilijk om met vaste routines om te gaan. Ik hou het meestal zo’n zes tot acht maanden vol voordat ik het compleet zat ben, en mijn geestelijke gesteldheid eraan onderdoor gaat,” zegt ze. “Daarom vind ik het altijd lastig om een nieuwe baan te vinden, omdat ik toch wel weet dat ik weer paniekaanvallen ga krijgen en teleurgesteld raak.”

    Twee weken nadat ze aan haar eerste fulltime baan was begonnen, als redactieassistent bij een medisch tijdschrift, werd Sara Luterman (29) ontslagen omdat ze “niet bij de cultuur paste”. Wat dat precies betekende wist ze niet. “Waarschijnlijk had ik iets sociaal ongepasts gedaan, maar niemand wilde me vertellen wat.”

    Luterman heeft autisme, en hoewel haar cv uitstekend is, heeft ze toch moeite met het vinden van een baan. “Mijn sollicitatiegesprekken gaan vaak niet goed,” vertelt ze. “Dat komt waarschijnlijk door mijn gebrek aan sociale vaardigheden, en het feit dat ik moeite heb om non-verbale signalen op te pikken.” Ze heeft vaak gehoord dat ze bot of neerbuigend kan overkomen.

    “Dat hebben mensen met autisme wel vaker,” zegt ze. “Ik ben er weleens op aangesproken door de personeelsafdeling, wat heel ongemakkelijk was. Al was ik wel blij dat ze het gewoon zeiden, en ik niet gelijk werd ontslagen.”

    Dit soort sociale interacties zijn ook moeilijk voor de 32-jarige Sonny Hallett, die autisme heeft en als illustrator en kunstenaar werkt in Edinburgh, maar nooit ergens langer dan negen maanden heeft kunnen blijven. “Dagelijks naar kantoor gaan is erg uitdagend voor mijn zintuigen. Het geluid, het licht, constant rond andere mensen zijn – na een tijd ben ik gewoon uitgeput en sta ik helemaal op scherp.”

    Als Hallett aan het werk is, richt hij zich specifiek op één ding, en vindt hij het lastig om zijn werkzaamheden te onderbreken om bijvoorbeeld een collega te woord te staan. Ook maakt hij zijn taak liever in één keer af, waardoor hij vaak eerder klaar is met werken dan zijn collega’s. En daardoor denkt zijn leidinggevende weleens dat hij niks uitvoert.

    De 27-jarige Carly* heeft een angststoornis, depressie en PTSS, en werkt als art director bij een creatief bureau. Ze merkt dat ze lang niet altijd op begrip kan rekenen bij haar werk. “Mijn leidinggevende zei een keer dat ik meer initiatief moest tonen en beter mijn best moest doen om geïnteresseerd over te komen,” zegt ze. “Maar dat zijn nou eenmaal dingen die erg moeilijk voor me zijn. Ik ben vaak oprecht geïnteresseerd, maar ook vaak overweldigd en afgeleid. Dat betekent niet dat ik ergens niet om geef.”

    De term neurodiversiteit verraadt al dat er veel verschillende mensen onder vallen, maar er zijn wel degelijk overeenkomsten in hun behoeftes. Rob Austin, een docent aan de Ivey Business School in Canada die de voortgang van programma’s voor neurodivergente werknemers heeft bijgehouden, zegt dat veranderingen in de omgeving al veel verschil kunnen maken. Zachtere kleuren bijvoorbeeld, meer natuurlijk licht, meer planten en stillere ruimtes.

    David Ballard, hoofd toegepaste psychologie bij de American Psychological Association, zegt dat neurodivergente mensen het prettig vinden om thuis te werken. Dan kunnen ze hun eigen begin- en eindtijd bepalen, en doen wat er nodig is om met het lawaai en andere omgevingsfactoren om te gaan – zonder te worden veroordeeld.

    Dat werkte inderdaad voor Tyler*, een 32-jarige ex-marinier die twee keer naar Irak ging en nu duurzaamheidsexpert is. Hij werkte tijdens de Ebola-uitbraak in West-Afrika, was op Haïti in de nasleep van de orkaan en ontwikkelde afvalvoorzieningen in Sierra Leone. Nu heeft hij last van PTSS en slaapproblemen. “Als ik één nacht niet geslapen heb kan ik best productief zijn, maar na drie of vier nachten ben ik echt niks meer waard,” zegt hij. Op dat punt heeft hij in principe al rond de dertig uur gewerkt, dus als hij tijd voor zichzelf nodig heeft om zijn slaapritme te herstellen, en het prettig vindt om bij zijn hulphond in de buurt te zijn, dan moeten zijn bazen er vertrouwen in hebben dat hij alsnog zijn werk afkrijgt, maar dan in zijn eigen tijd.

    De veertigjarige Daniel Gritzer heeft last van misofonie, wat inhoudt dat bepaalde geluiden gevoelens van woede, haat of walging bij hem oproepen. Het gaat in zijn geval vooral om luid getyp en geluiden die uit de mond komen, zoals smakken en luid kauwen. Wat dat betreft is het vrij ironisch dat hij culinair directeur is van de kookwebsite Serious Eats.

    Als Gritzer in de testkeuken werkt of een video maakt, is er genoeg achtergrondgeluid om de meeste aanstootgevende geluiden te blokkeren. De rest van de tijd draagt hij een koptelefoon en luistert hij muziek. Een simpele ingreep dus, die hem in staat stelt om zijn werkdag zonder problemen door te komen. “Ik heb ook weleens gehad dat mensen dachten dat ik niet sociaal was, of niet in staat ben om mijn werk goed uit te voeren. Ze vroegen zich vast ook af waar ik in vredesnaam naar luisterde.”

    In het laatste kantoor waar Luterman werkte had ze een eigen bureau, en kwamen er regelmatig collega’s naar haar toe om een praatje te maken. Om ze tegemoet te komen hing ze na een tijd een bordje bij haar bureau met verschillende kleuren: rood betekende dat ze geconcentreerd was en niet gestoord wilde worden, bij geel was ze wel aan het werk maar stond ze open voor een praatje, en groen hield in dat ze niet zoveel te doen had. Daardoor was ze een stuk beter in staat om haar werk af te krijgen.

    “Ik denk dat mijn autisme me een goede eindredacteur maakt: ik kan goed patronen herkennen en regels volgen, en ik merk snel tegenstrijdigheden op. En ik vind het ook niet erg om saai, repetitief werk te doen,” zegt ze.

    Als werkruimtes beter uitgerust worden, flexibeler zouden zijn en er meer over behoeftes van individuele werknemers wordt gepraat, kan volgens Austin uiteindelijk iedereen daarvan profiteren – zo blijkt uit zijn eigen onderzoek. Al staat zeker niet iedere werkgever ervoor open. “Soms denken ze dat ‘mensen tegemoetkomen’ betekent dat je ze minder laat doen of de standaard verlaagt,” zegt hij.

    Bedrijven als IBM en Yahoo probeerden al eens hun personeelsbestand voor een groot deel op afstand te laten werken. IBM zei in 2017 tegen The Atlantic dat zo’n 40 procent van hun 386.000 werknemers wereldwijd “niet eens een kantoor hebben”, maar die beslissing werd al snel teruggedraaid toen bleek dat de productiviteit en de winst lager uitvielen.

    Ballard heeft het idee dat dit soort verhalen tot misverstanden leiden. Een betere werkplek creëren en werknemers daarin tegemoetkomen is immers iets heel anders dan de werkplek volledig elimineren. Uit een onderzoek van Gallup uit 2017, waarvoor meer dan 7000 Amerikanen naar hun werkervaringen werden gevraagd, bleek bovendien dat de mensen die zich het meest betrokken bij hun werk voelden vaak drie tot vier dagen niet op een externe locatie werkten – en dus niet de mensen waren die vooral thuis of op kantoor zaten.

    “Ik denk dat er een misverstand bestaat dat wanneer je dit doet, je mensen ermee weg laat komen dat ze minder doen, of dat de kwaliteit eraan onderdoor gaat – en dat is gewoon niet waar,” aldus Baillard. “Toen de prestaties bij Yahoo en IBM tegenvielen, kwam dat niet doordat meer mensen op afstand gingen werkten, maar omdat hun leidinggevenden niet wisten hoe ze daarmee om moesten gaan.”

    Wel geeft hij toe dat het ook weer niet de andere kant op moet slaan. Als iemand bijvoorbeeld een sociale-angststoornis heeft, kun je beter voorkomen dat diegene overprikkeld raakt. “Maar als je een omgeving creëert waarin diegene zichzelf volledig afzondert en geen sociale interactie heeft, worden ze daar ook niet beter van,” zegt Ballard.

    De oplossing ligt waarschijnlijk ergens in het midden: een workflow waar nog wel wat sociale interactie bij kan komen kijken, maar waarbij onnodige communicatie beperkt blijft. Daarom is het volgens Ballard belangrijk dat managers kunnen omgaan met allerlei soorten neurodiversiteit, zodat ze het merken als iemand ergens mee worstelt. Daar worden ze zelf uiteindelijk ook beter van. “Uit ons onderzoek is gebleken dat veel van dit soort aanpassingen ook nuttig zijn voor andere werknemers,” bevestigt Austin.

    Bij het softwarebedrijf SAP zien ze werknemers op een kantoor als verschillende puzzelstukjes, die ieder een net iets andere vorm hebben, vertelt hij. “Bedrijven die efficiënt en productief te werk willen gaan, hebben in feite altijd van werknemers verwacht dat ze geen afwijkingen hebben, en iedereen lekker hetzelfde is.”

    Tegenwoordig begrijpen we volgens Austin wel steeds meer dat, als je originele ideeën wilt bedenken, je soms juist die afwijkende puzzelstukjes nodig hebt. “En dat je je personeel dus niet als last ziet, maar als deur naar nieuwe kansen, een manier om nieuwe dingen te creëren.”

    *Sommige namen zijn om privacyredenen gefingeerd.

    Bron: vice.com

    #239561
    Luka
    Moderator

    Hoe PTSS Geesje haar leven afnam, en hoe Olivier geen oog dichtdeed met al die doden in z’n bed

    Geesje zat in een relatie waarin ze seksueel werd misbruikt, bedreigd, belogen en bedrogen. Ze kreeg er PTSS van, het post traumatische stress syndroom. Akelige jaren waarin ze eigenlijk gewoon dood wilde. Tot ze bij het psychotraumacentrum Zuid Nederland van Reinier van Arkel in Vught werd behandeld met de nieuwe therapie SITT. Binnen twee weken voelde ze zich beter dan de tien jaar daarvoor.

    Geesje van de Crommert uit Den Bosch is 28. Ze heeft akelige jaren achter de rug. Zat in een relatie waarin ze seksueel werd misbruikt. Ze werd ook bedreigd, o wee, als ze daar met iemand over zou praten. ,,Dan zouden ze mijn lichaam nooit meer vinden, zei hij.” Hij liet Geesje geloven dat haar ouders niet deugden, maakte haar vrienden zwart. Zo weekte hij haar los van iedereen, totdat ze alleen nog van hem was. Ze vertrouwde niemand anders meer. En ze werd ziek. Een post traumatische stress stoornis (PTSS), zo zou uiteindelijk blijken.

    Lees hier verder: Brabants Dagblad >>

    #245032
    Mark
    Moderator
    #247336
    Luka
    Moderator

    KARIN (37) HEEFT PTSS: ‘PROBEER TE LUISTEREN EN NIET METEEN TE OORDELEN’

    Karin Maassen (37) heeft een posttraumatische stressstoornis (PTSS) en ging de confrontatie aan met een geneeskundestudent die haar negatieve ervaringen deelde over psychiatrische patiënten.

    ‘De woorden gekkies en mafkees stapelden zich op’, schrijft ze in een persoonlijk verhaal op LinkedIn. We spraken haar over wat deze ervaring met haar deed.

    POSTTRAUMATISCHE STRESSSTOORNIS
    PTSS is een stressstoornis die ontstaat nadat iemand een schokkende gebeurtenis meemaakt die zó heftig, is dat de gebeurtenis niet goed wordt verwerkt. Dit komt bijvoorbeeld voor na een ernstig ongeluk, mishandeling, seksueel misbruik of oorlogsgeweld. De gevolgen van PTSS kunnen je leven ontregelen en kosten tijd om te herstellen.

    PTSS
    “Ik heb PTSS omdat ik in mijn jeugd meer dan tien jaar ben misbruikt door mijn vader. Dat heeft hele grote gevolgen voor eigenlijk mijn hele leven. Ik kan op het moment niet werken, heb veel nachtmerries en val snel terug in de herbeleving.” PTSS beperkt Karin in wat ze kan, vertelt ze.

    Ook begrijpen weinig mensen wat PTSS is, zegt ze. “Sommigen weten überhaupt niet wat het is. Ze zeggen: ‘Je moet het gewoon een plaatsje geven’, maar daar kan ik niets mee. Je bent niet aantrekkelijk genoeg om te helpen en dat is heel moeilijk voor mensen om je heen.”

    LUNCH
    Toen Karin zaterdag ging lunchen, zat er een groep studenten naast haar. Een geneeskundestudent vertelde over haar co-schappen op een psychiatrische afdeling. ‘Man ik keek mijn ogen uit, wat een hoop gekkies’, ving Karin onder meer op. In het bericht op LinkedIn omschrijft ze dat ze bijna van haar stoel viel van het hele gesprek.

    “Je wordt getriggerd in je verdriet en het gevoel van onbegrepen worden. Ik schoot gewoon in de emotie en kon niet meer bij het gesprek met m’n vriend zijn. Die dacht, we moeten gelijk de rekening vragen.”

    CONFRONTATIE
    Nadat de rekening was betaald, confronteerde Karin de student. “Ik weet niet waar ik het vandaan haalde, maar op het laatste moment heb ik haar aangesproken. ‘Ik ben zelf psychiatrisch patiënt vanwege PTSS. Ik stel voor dat je eens heel hard reflecteert op hoe je respectvol met patiënten omgaat’, vertelde ze de student.

    “Ik zag in een vlaag dat ze zich kapot schrok. Ik heb de reactie verder niet afgewacht, dat kostte me te veel kracht op dat moment. Toen we thuis kwamen, heb ik bijna overgegeven en gelijk het stuk geschreven als verwerking. Ik was er letterlijk ziek van.”

    REACTIES
    “Toen ben ik gaan slapen en twee uur later was m’n LinkedIn ontploft. Ik sta versteld. Één reactie was van een psychiater die vertelde dat co-assistenten bang zijn voor de dingen die ze meemaken. Ik kan me voorstellen hoe het is om bang te zijn.” Na de geboorte van haar dochter is Karin opgenomen geweest. “Ik was toen heel bang.”

    De positieve reacties op het bericht doen haar goed. “Het voelt alsof ik jarig ben en meer dan honderdduizend cadeaus krijg. Ik ben jarenlang aan het zwoegen, heb me onbegrepen gevoeld en dan krijg ik zo in één keer al deze reacties in m’n schoot geworpen.”

    HELPEN
    Karin vertelt dat ze graag in gesprek wil met anderen en haar verhaal wil doen tijdens gastcolleges en voorlichtingen. “Het zou mooi zijn als zoiets kan worden omgezet in iets positiefs. Dat we met z’n allen kunnen zorgen voor mensen met PTSS. Ik denk dat als ik eerder begrip had gehad voor mijn PTSS, dat ik dan minder had hoeven lijden.”

    Als laatste geeft ze mee: “Probeer te luisteren en niet meteen te oordelen als iemand praat over stemmingsproblemen of psychische problemen. Je hoeft het niet op te lossen, je moet luisteren. En zeg het als je het heftig vindt, daar heb je ook iets aan als iemand met PTSS.”

    Bron: Linda >>

    #248150
    Luka
    Moderator

    Fawning: The Fourth Trauma Response We Don’t Talk About

    Whether we realize it or not, most of us are familiar with three classic responses to fear — fight, flight and freeze.

    When our brains perceive a threat in our environment, we automatically go into one of these stress response modes. From an evolutionary standpoint, these responses have served us well by allowing us to respond quickly to threats and get to safety. But for folks who have lived through prolonged exposure to abuse or trauma (often referred to as complex trauma), the threat never feels like it went away, leaving many individuals “stuck” in different stress response modes.

    Think of the person who seems to lash out in anger at the slightest provocation (fight). Or the perpetually anxious person who avoids interpersonal conflict by immersing herself in work or school (flight). Or the individual who constantly feels defeated by their inability to make decisions (freeze).

    These are classic examples of fight, flight and freeze due to trauma, but did you know there’s actually a fourth response? It’s called “fawn” and is a term coined by Pete Walker, a C-PTSD survivor and licensed marriage and family therapist who specializes in helping adults who were traumatized in childhood.

    Before we get too deep into the fawn trauma response, let’s make sure we have a good grasp on the other three commonly-recognized trauma responses: fight, flight and freeze. With the help of trauma-informed treatment specialist, Patrick Walden, LICSW, we’ve defined each below.

    As a note, most trauma survivors tend to lean toward one stress response. It’s important to remember no one response is “better” or “worse” than the others. If you find yourself “stuck” in one of the stress responses, and it’s affecting your quality of life, we encourage you to seek the help of a trauma-informed specialist.

    Fight
    Survivors who tend toward the fight response innately believe power will guarantee the security and control they lacked in childhood.

    “Fight looks like self-preservation at all costs,” Walden told The Mighty, adding that this trauma response can manifest in explosive outbursts of temper, aggressive behavior, demanding perfection from others or being “unfair” in interpersonal confrontations.

    He also noted that while we typically associate the fight response with men, women can also struggle with anger, though in many cases they direct their anger inward at themselves instead of toward others.

    Flight
    Survivors who tend toward the flight response are usually chronically busy and perfectionistic. They may believe “being perfect” is a surefire way to receive love and prevent abandonment by important people in their lives.

    “Flight can look like obsessive thinking or compulsive behavior, feelings of panic or anxiety, rushing around, being a workaholic or over-worrying, [and being] unable to sit still or feel relaxed,” Walden said.

    Freeze
    Survivors who tend toward the freeze response are often mistrustful of others and generally find comfort in solitude. The freeze response may also refer to feeling physically or mentally “frozen” as a result of trauma, which people may experience as dissociation.

    “Freeze looks like spacing out or feeling unreal, isolating [yourself] from the outside world, being a couch potato … [and having] difficulty making and acting on decisions,” Walden said.

    What Is the Fawn Response?
    Fawning is perhaps best understood as “people-pleasing.” According to Walker, who coined the term “fawn” as it relates to trauma, people with the fawn response are so accommodating of others’ needs that they often find themselves in codependent relationships. On his website he wrote:

    Fawn types seek safety by merging with the wishes, needs and demands of others. They act as if they unconsciously believe that the price of admission to any relationship is the forfeiture of all their needs, rights, preferences and boundaries.

    Below we’ve listed some classic signs of fawning. These behaviors may be especially prevalent when a survivor feels triggered or fearful:

    • People-pleasing
    • Being unable to say how you really think or feel
    • Caring for others to your own detriment
    • Always saying “yes” to requests
    • Flattering others
    • Struggling with low self-esteem
    • Avoiding conflict
    • Feeling taken advantage of
    • Being very concerned about fitting in with others

    Because fawn types struggle to take up space and express their needs, they are more vulnerable to emotional abuse and exploitation. In abusive circumstances (for example childhood abuse or intimate partner violence), abusers may suppress a survivor’s fight or flight responses by threatening punishment, leading to the the survivor’s reliance on the fawn or freeze response.

    “When we lack the power or ability to fight or flee, which occurs commonly with complex trauma, we will freeze, ‘appease’ or dissociate,” Dr. Cathy Kezelman, AM, president of Blue Knot Foundation: National Centre of Excellence for Complex Trauma, told The Mighty. “The appease response, which is also known as ‘please’ or ‘fawn’ is another survival response which occurs [when] survivors read danger signals and aim to comply and minimize the confrontation in an attempt to protect themselves.”

    What It’s Like to Experience Fawning
    As humans, we tend to seek out relationships that feel comfortable and familiar. For fawn-type trauma survivors who are used to working hard to please in relationships, this can unfortunately mean attracting abusive relationships that feel familiar or “deserved.”

    This is something mental health advocate Sam Dylan Finch wrote about on his blog, “Let’s Queer Things Up“:

    The more invested I was in an emotional connection, the less likely I was to criticize that person, vocalize when my boundaries were crossed, express unhappiness with their behavior, or share anything that I felt might damage that relationship…

    It took stepping away from a friendship that had so thoroughly gaslit and demolished me — while plummeting into the deep depths of anorexia — before I realized that chasing controlling, emotionally unavailable, even abusive people was crushing my spirit.

    I sought out the most emotionally inaccessible people, and I threw myself into the pursuit, somehow believing that if I could secure the love and affection of the most unattainable person, it would indisputably prove my worthiness.

    If you are a trauma survivor and can relate to his words, you’re not alone. There is no shame in struggling with fawning. Fawning, like the other stress responses, is like self-protective armor. It has helped many trauma survivors live through abusive and sometimes dangerous circumstances.

    As we mentioned above, there is no stress response that is “better” or “worse” than the others, but getting stuck in one of them can be harmful. Though fawning tends to assuage anxiety and make you feel “safer” in the moment, it can actually silence your voice and prevent you from healing or surrounding yourself with people that truly care about your well-being.

    How to Find Help
    The good news is it’s never too late to heal from trauma. With the help of a trauma-informed therapist, you can work to change your deeply ingrained responses to fear.

    “People who have experienced complex trauma often struggle to feel safe and regulate their often strong emotions,” Kezelman told The Mighty. “Learning to find a sense of safety can be a slow and gradual process, but one which is absolutely achievable.”

    One of the most important parts of your healing journey will be learning to develop and assert healthy boundaries with people in your life. (For a crash course on boundary-setting, check out our guide here). In times of stress and fear, instead of compromising your needs, a therapist can teach you self-soothing and self-care strategies, as well as grounding techniques if you struggle with dissociation.

    As you begin (or continue) your healing journey, there are a few things we need you to know:

    • You deserve to take up space.
    • You are enough just as you are.
    • Your thoughts, feelings, opinions and boundaries matter.

    Bron: The Mighty >>

    #248519
    Mark
    Moderator

    Interview met kinderpsychiater Eva Kestens in ‘Interne keuken’. Zij legt uit hoe jeugdtrauma’s je ontwikkeling beïnvloeden en waarom jeugdtrauma’s verschillen van volwassen trauma’s.

    Lees meer en beluister het interview op radio1.be >>

    #249306
    Luka
    Moderator

    Animatie Stress window of tolerance

    Deze animatie geeft uitleg over de impact van stress op het kinderbrein. Hoe wij, als volwassenen, kinderen kunnen helpen met deze stress om te gaan.

    #251810
    Luka
    Moderator

    Psycholoog Gijs Coppens geeft uitleg over PTSS

    In de maand juni wordt er extra aandacht besteed aan PTSS, wat de afkorting is van posttraumatische stressstoornis. Dit is een psychische aandoening die kan ontstaan na het meemaken van schokkende of traumatische ervaringen. Patiënten ervaren hier langdurig psychische gevolgen van. PTSS beïnvloedt ook het dagelijks functioneren. Psycholoog Gijs Coppens van iPractice.nl geeft uitleg en beantwoord vragen van luisteraars.

    Luister terug: NPO Radio 1 >>

    #252265
    Luka
    Moderator

    Biologische verstoring door trauma
    Inleiding

    Mensen denken tegenwoordig vaak dat als je hele nare en beangstigende ervaringen meemaakt, je het moet leren te ‘verwerken’. Dat betekent dat iedereen het heel begrijpelijk vindt, dat mensen door ingrijpende ervaringen, zoals de oorlogen in voormalig Joegoslavië en in delen van Afrika, tijdelijk uit hun evenwicht raken. De confrontatie met dood en verwoesting en de doorstane bedreigingen van iemands leven raken iemand diep. Met Verwerken wordt dan bedoeld wanneer je er maar over praat en wanneer je je emoties kunt laten gaan, dat het wel slijt en overgaat. Vandaar dat wanneer iemand nog vele jaren last heeft van oorlogservaringen, anderen vaak verrast zijn. ‘Heb je het nog steeds niet verwerkt?’, zo lijken anderen zich af te vragen. Vaak hebben de anderen niet in de gaten hoe diep en verstorend oorlogsgeweld kan zijn voor mensen. De getroffenen zelf zijn vaak niet in staat of bang om de groteske ervaringen aan anderen te vertellen. Zo vertelde iemand, die bij ons in behandeling is hoe zijn maatje werd doodgeschoten in een plotseling onverdacht moment. Echter wat heel moeilijk te vertellen was het feit dat de resten van de hersenen van zijn maatje nu terechtgekomen waren op het gezicht en de kleren van onze patiënt. Het meemaken van de dood van een ander in de oorlog is al gruwelijk en onvoorstelbaar. Echter dat diens resten vervolgens uiteenspatten en op omstanders terecht komen, is iets wat mensen niet durven te vertellen.

    Iedereen die dit verhaal hoort, gruwt, maar voelt ook aan zijn eigen lichaam reacties van een dichtknijpende keel, de neiging om te huilen, koude rillingen over de huid en misschien een licht verlamd gevoel in de benen. Hieruit blijkt al dat traumatische ervaringen, zelfs het horen ervan, leidt tot sterk lichamelijke reacties. Dat is het onderwerp waarover deze bijdrage zal gaan. In de eerste wereldoorlog werd wel gesproken over ‘shell-shock’. Soldaten die de verschrikkingen van de loopgraven hadden meegemaakt, vertoonden verschijnselen die aan hysterie deden denken. Berucht was het ‘zitteren’, het trillen over het hele lichaam dat niet meer ophield. Ook waren sommigen hun stem kwijt geraakt of hun benen waren verlamd. Aanvankelijk werden die verschijnselen toegeschreven aan brokstukjes van granaten, die op een onzichtbare wijze in de hersenen waren doorgedrongen. Die veronderstelling bleek onjuist te zijn. Onze schedel maakt het niet mogelijk dat kleine brokstukjes zomaar de hersenen binnen dringen. Er moest dus een andere verklaring bestaan voor de verschijnselen, die toch op de een of andere manier aan de hersenen moeten worden toegeschreven. Daar weten we tegenwoordig veel meer van. In het vervolg zal op een aantal van die verschijnselen en verklaringen worden ingegaan.

    Angst en trauma

    Om iets te begrijpen van de lichamelijke, en in het bijzonder de her-senverschijnselen, na traumatische ervaringen, gaan we in op het thema ‘angst-reactie’. Angst is een heel nuttig gevoel omdat het ons als signaal aangeeft, dat er sprake is van gevaar. Ons lichaam en onze hersenen zijn zo ingesteld, dat we gevaar snel moeten herkennen om vervolgens te kunnen vluchten, ons in veiligheid te brengen, of het gevaar bestrijden. Het is duidelijk dat daarbij geen tijd verloren moet gaan. Onze hersenen zijn daar goed op ingericht. Alle binnenkomende informatie via onze ogen en oren wordt steeds gescreend op gevaarlijke elementen. Dat kan niet op een manier waarbij we er eens uitvoerig voor gaan zitten en gaan denken lIs dit wel gevaarlijk?’. We kunnen stellen dat we bij echt gevaar niet de tijd hebben om er uitvoerig over te denken. Er moet dus ergens een centrum zijn in de hersenen, dat snel gevaar kan herkennen en vervolgens het commando kan geven vechten of vluchten. Een hersenonderzoeker Le Doux heeft dat centrum ontdekt. Dat centrum bevindt zich aan beide zijden van de hersenen aan de onderkant, waar alle signalen van buiten als eerste binnenkomen.

    Deze twee gebieden lijken qua vorm en omvang op een amandel en ze worden daarom ‘amandelkern’ of ‘amygdala’ genoemd. Men zou de amandelkern kunnen noemen de doos waarin alle informatie over echt gevaar is opgeslagen. Zodra informatie binnenkomt waarin gevaar voorkomt, komt de amandelkern in actie. Le Doux heeft aangetoond, dat de amandelkern vervolgens niet de gevaarsinformatie doorstuurt naar de hersenschors. De hersenschors is ons denkcentrum en het is duidelijk dat we daar geen tijd voor hebben. De amandelkern zorgt ervoor door een aantal hersenhormonen direct te laten toenemen, dat onze aandachtsconcentratie zeg maar tien keer zo sterk wordt.

    Ter illustratie: Op een hersenscan (bijeengevoegde gegevens van 8 individuen) is duidelijk te zien dat bij getraumatiseerde personen de amandelkern (amygdala) geactiveerd wordt bij herinnering van traumatische ervaringen, (foto afkomstig uit: Rauch, S.L., B. van der Kolk e.a., ‘A symptom provocation study of posttraumatic stress disorder using positron emission tomography and script-driven imagery’. In: Archives of General Psychiatry vol. 53 (1996) 5, 385.)

    We zien dat bijvoorbeeld door de opengesperde ogen. Maar ook ons geheugen wordt direct opgevoerd om goed de informatie binnen te laten komen en het gevaar te kunnen lokaliseren. Het woord geheugen hier kan verwarring opwekken. Het is zo, dat we onze hersenen kunnen beschouwen als een opslagplaats van heel veel informatie, niet alleen om dingen te kunnen herinneren, maar vooral ook om iets te kunnen herkennen. Een derde actie is dat de spierspanning verhoogd wordt, het hart sneller gaat kloppen en dat het bloed vooral richting hersenen en spieren gestuurd wordt en bijvoorbeeld minder naar de buik.

    Samengevat kunnen we zeggen dat gevaar of een trauma door de amandelkern herkend wordt en dat deze acties onderneemt om te kunnen gaan vechten of vluchten. Als we eenmaal het gevaar hebben afgewend kunnen we gaan nadenken over wat we hebben meegemaakt, of het wel echt gevaarlijk was. Ook pas dan komen emoties als woede en verdriet los.

    Biologische verstoring door trauma

    Dat is allemaal goed te begrijpen. Het maakt echter nog niet duidelijk waarom iemand dan toch nog jaren lichamelijk last kan houden van een doorgemaakte traumatische ervaring. Eerst zal ik aangeven wat de blijvende lichamelijke hersenverschijnselen kunnen zijn:

    1. herbelevingen;

    2. moeite met inslapen of doorslapen;

    3. prikkelbaarheid of woedeuitbarstingen;

    4. moeite met concentreren;

    5. overmatige waakzaamheid;

    6. overdreven schrikreacties.

    Wanneer iemand na een traumatische ervaring een zogenoemd posttraumatische stress stoornis (ptss) ontwikkeld heeft, betekent dit dat hij steeds last heeft van onder meer de hierboven genoemde verschijnselen.

    De herbelevingen zijn een opmerkelijk verschijnsel. Op onbewaakte momenten of wanneer men iets ziet of hoort dat herinnert aan de gruwelijke ervaring komen herinneringen in de vorm van beelden en geluid en soms zelfs geuren levensecht terug. Mensen zeggen ook ‘Ik zie het als een film weer aan me voorbij trekken’. Dat is een hele andere manier van herinneren dan we gewoonlijk kennen. Vaak bestaat onze herinnering uit een verhaal met vage indrukken en beelden zoals van een vakantie. De terugkerende herinneringen aan de traumatische ervaring zijn echter niet in de vorm van een verhaal en in woorden maar alsof we het opnieuw meemaken. Dat heeft vermoedelijk te maken met het feit, dat iedere keer de amandelkern geactiveerd wordt en dat de ervaring nog steeds niet als een verhaal is opgeslagen. Daardoor kan het snel geactiveerd worden en treden ook iedere keer de lichamelijke angstverschijnselen daarbij op. We zeggen wel het blijft een actueel zintuiglijk geheugen of ook wel ‘we kunnen het maar niet vergeten’.

    De andere verschijnselen moeite met inslapen of doorslapen, prikkelbaarheid of woedeuitbarstingen, moeite met concentreren en overmatige waakzaamheid en schrikreacties hebben hier mee te maken. We kunnen ze als volgt begrijpen. De traumatische ervaring is een nieuwe, zeer heftige ervaring die we nog niet kenden en die geleid heeft tot een alarmreactie. De verschijnselen wijzen erop dat de alarmreactie niet is overgegaan. Het lijkt alsof we steeds weer bang zijn, dat het gevaar plotseling blijft toeslaan. We zeggen ook wel, dat die staat van alarm waarin iemand eigenlijk jaren lang kan blijven nuttig is, wanneer er feitelijk sprake is van gevaar. Ze is echter niet nuttig en zelfs ontregelend wanneer er geen gevaar meer is. Slapen kun je pas goed als er geen gevaar dreigt. Als je steeds op je hoede bent, wordt je gauw prikkelbaar wanneer ‘gewone zaken’ je aandacht opeisen. Concentratie zoals een boek of een krant lezen kan alleen wanneer je niet steeds hoeft op te letten op mogelijk gevaar. Men kan zeggen dat iemand met ptss almaar bezig blijft gevaar op te sporen. Het is goed te begrijpen dat dit mensen uitput en dat ze daardoor in werk en gezin slecht functioneren. Daarom is ptss een echte stoornis die behandeld moet worden. En dat is gelukkig heel goed mogelijk.

    Referentie:
    B.P.R. Gersons | 1999
    In: Trauma door oorlogsgeweld : twaalf inleidingen rond een thema/ red. Judith Schuyf

    Bron: Psychotraumanet.org >>

10 berichten aan het bekijken - 26 tot 35 (van in totaal 35)
  • Je moet ingelogd zijn om een reactie op dit onderwerp te kunnen geven.
gasten online: 14 ▪︎ leden online: 0
No users are currently active
FORUM STATISTIEKEN
topics: 2.425, reacties: 13.529, leden: 1.291
Scroll Up