Aangifte doen & juridische hulp

  • Dit onderwerp bevat 33 reacties, 3 deelnemers, en is laatst geüpdatet op 01/07/2022 om 23:15 door Luka.
10 berichten aan het bekijken - 21 tot 30 (van in totaal 34)
  • Auteur
    Reacties
  • #252884
    Mark
    Moderator

    Stijgende verkrachtingscijfers, falende opsporing

    Slachtoffers van seksueel geweld laten vaker van zich horen, de afgelopen jaren nam het aantal geregistreerde verkrachtingen bij de politie flink toe. Optimisme over deze slachtofferemancipatie lijkt echter misplaatst: meldingen resulteren steeds minder in aangiften.

    ‘Niet te geloven, het is bijna een verdubbeling.’ Woordvoerder Jytte Reichert van Slachtofferhulp kijkt verbaasd naar de cijfers die ze zelf overhandigt. In 2014, ziet ze, klopten 804 verkrachtingsslachtoffers bij haar aan, vorig jaar waren dat er 1447. Een andere hulpverlener, van het Centrum Seksueel Geweld, ziet de toename ook. Vorig jaar zochten 4148 slachtoffers hulp bij een van hun centra, een stijging van 28 procent ten opzichte van het jaar ervoor.

    Worden er dan meer mensen verkracht? Nee, zeggen hulpverleners en experts. ‘Er is geen enkele reden om aan te nemen dat verkrachting nu meer voorkomt dan een paar jaar geleden. Ik heb daar geen verklaring voor en we zien dat ook niet in andere landen’, zegt Iva Bicanic, psycholoog en coördinator van Centrum Seksueel Geweld.

    Waar komt de stijging dan vandaan? Succesvolle campagnes die slachtoffers van seksueel geweld aanmoedigen hulp te zoeken, zegt Reichert. Hulpverleners die beter samenwerken dan voorheen, zegt Bicanic. In die zin is de stijging eigenlijk ‘goed nieuws’. Want, zeggen beiden, de seksuele moraal verandert. De #MeToo-beweging heeft een taboe doorbroken: laat je horen als slachtoffer van een ongewenste seksuele ervaring, schaam je niet, wees zichtbaar, praat erover.

    Bij de politie nam het aantal geregistreerde verkrachtingen de afgelopen zeven jaar dan ook toe, met maar liefst zestig procent. Sinds de vorming van de Nationale Politie in 2013 worden cijfers landelijk bijgehouden, in dat jaar meldden 1245 verkrachtingsslachtoffers zich bij de politie. Zeven jaar later, in 2019, waren dat er tweeduizend. Ook de politie is opgetogen. ‘Als ons inbraakcijfer of overvalcijfer groeit, dan moet de korpsleiding zich zorgen maken. Maar als de korpschef vraagt waarom de verkrachtingscijfers zo toenemen, dan zeg ik: daar ben ik trots op, omdat het goed is dat slachtoffers naar de politie stappen’, zegt Yet van Mastrigt, die bij de politie als landelijk zedenexpert de teams overziet.

    Dat optimisme lijkt echter misplaatst. Onderzoek van Investico voor De Groene Amsterdammer en Trouw laat zien dat die bejubelde toegenomen meldingsbereidheid slachtoffers strafrechtelijk gezien niets oplevert. Een steeds groter deel van de slachtoffers ziet er na de eerste melding van verkrachting bij de politie vanaf om aangifte te doen, blijkt uit cijfers. Volgens zedenrechercheurs vergen de zaken meer tijd dan vroeger, bijvoorbeeld omdat WhatsApp-gesprekken, foto’s en locatiegegevens uit Google Maps het verzamelen van bewijs complexer en tijdsintensiever maken. Bovendien is er, net als bij alle onderdelen van de politie, ook bij ‘zeden’ een gebrek aan rechercheurs. Het ministerie van Justitie en Veiligheid heeft weliswaar negentig extra zedenrechercheurs toegezegd, maar die kunnen nog niet volledig aan de slag door gebrek aan opleidingscapaciteit.

    Zo stapelt het aantal zedenzaken zich op. Politie en OM hebben zichzelf opgelegd om de eerste rechtszitting in verkrachtingszaken binnen dertien maanden na de aangifte te laten plaatsvinden, maar in slechts de helft van de gevallen lukt dat. En hoewel zich meer slachtoffers aandienen, vindt de politie nu minder verdachten dan voorheen. Het aantal strafdossiers dat de politie aanlevert bij het OM schommelt al jaren rond hetzelfde aantal. Per saldo, na opsporing en vervolging, belanden er niet méér daders achter de tralies dan zeven jaar geleden, blijkt uit de opgevraagde cijfers.

    Méér daders achter de tralies, dat is precies wat minister Grapperhaus van Justitie en Veiligheid wil. Sinds mei 2019 werkt hij aan een herziening van de zedenwet. Om verkrachting te bewijzen moet het slachtoffer aantonen dat de dader dwang uitoefende. Maar de wet moet ook slachtoffers beschermen die zich niet verzetten, doordat zij bevriezen of verstijven. Een nieuw artikel moet daarom ook ‘seks tegen de wil’ strafbaar maken, in gevallen waar dwang niet te bewijzen is. Zo moet het voor slachtoffers makkelijker worden om aangifte te doen. Maar kan de politie dat wel aan? Nee, zegt iedereen die wij spreken. Zonder extra zedenrechercheurs heeft de nieuwe zedenwet, de kroon op de slachtofferemancipatie van de afgelopen jaren, maar weinig effect.

    ‘Rug recht, tanden op elkaar.’ In hun kantoor aan het eind van een winkelstraat in IJmuiden vertellen zedenadvocaten Kate Lans en Louke Korfker hoe ze hun cliënten voorbereiden op hun eerste gesprek met de politie. ‘Het wordt heel heftig, vervelend en persoonlijk. Ze doen het bij iedereen, het heeft niks met jou te maken. Als je echt aangifte wilt doen, moet je je niet laten ontmoedigen.’ Natuurlijk is het goed dat de politie erop wijst dat de aangifte van een zedenmisdrijf loodzwaar zal zijn, maar slachtoffers ervaren die waarschuwing meer als een afrader, vertellen ze. ‘Allemaal’, zegt Korfker, ‘zonder uitzondering.’

    ‘Ik word weer boos als ik eraan denk’, vertelt Lans. ‘Een meid was door twee jongens verkracht. Heel extreem, heel naar. Echt een horrorfilm.’ De vrouw ging naar de politie en er volgde een ‘informatief gesprek’, de standaardprocedure bij zedenzaken. In zo’n gesprek vertelt een slachtoffer het verhaal, achterhalen zedenrechercheurs of er sprake is van een strafbaar feit en leggen zij uit welke rechten een slachtoffer heeft. Als die besluit om aangifte te doen, begint het strafrechtelijk proces.

    Maar zo ging het met dit slachtoffer niet, zegt de advocaat. Die kreeg in het informatief gesprek te horen dat het weinig zin had om aangifte te doen omdat vervolging volgens de agenten ‘onwaarschijnlijk’ zou zijn. Daarom besloot de vrouw ervan af te zien. Pas na jaren van therapie en traumabehandeling klopte ze aan bij Lans en besloot ze alsnog aangifte te doen. Opnieuw volgde een informatief gesprek. ‘Ik heb doorgedrukt dat ik daarbij aanwezig mocht zijn’, zegt de advocaat. ‘Als ik er niet bij geweest was, had ze binnen vijf minuten weer buiten gestaan. “Wat voor zin heeft het? Hoe kunnen wij die dwang vaststellen? Hoe weten wij nou dat jij het niet wilde?” vroeg de verbalisant. Het slachtoffer klapte helemaal dicht. Ze was af.’ Opnieuw besloot de vrouw geen aangifte te doen. ‘Terwijl het geen kansloze zaak was – er waren WhatsApp-berichtjes, er was indirect bewijs. Maar ze kon het niet meer aan.’

    ‘Ik denk ook dat slachtoffers een informatief gesprek niet altijd als een fijn gesprek ervaren’, reageert Silvia Berendsen, zedenrechercheur in Nijverdal bij de eenheid Oost-Nederland. ‘Elk slachtoffer dat hier komt, wil horen: “We gaan nu direct de aangifte opnemen, we gaan de verdachte daarna aanhouden, over drie weken verschijnt-ie voor de rechter en gaat-ie voor vijf jaar de gevangenis in.” Maar zo gaat het gewoon niet’, vult haar collega Christa Kistemaker aan. We treffen beiden in een geavanceerde verhoorstudio die met kleurige muurschilderingen speciaal is ingericht op het horen van kinderen en mensen met een beperking. Naast het verhoren van kwetsbare slachtoffers en verdachten doen beiden ook al meer dan tien jaar ‘gewone’ zedenzaken.

    ‘Onze taak is waarheidsvinding, dus we moeten feitelijk zijn en neutraal blijven’, zegt Berendsen. Bovendien is een vervelende seksuele ervaring heel naar maar niet altijd strafbaar. ‘We proberen altijd zo goed mogelijk uit te leggen wat wel en niet vervolgd kan worden en waarom we gedetailleerd naar bepaalde dingen zullen vragen.’ En ja, die gedetailleerde vragen zijn volgens haar nodig, want bewijs moet voor de rechter niet alleen ‘wettig’ zijn, maar ook ‘overtuigend’. Veruit de meeste verkrachtingen vinden plaats in een-op-een-situaties en dat maakt het een van de lastigste wetsartikelen omdat de bewijslast moeilijk is. Onduidelijkheden zijn koren op de molen van de advocaat van de verdachte. Het is voor hen de kunst om de zaak meteen zo helder mogelijk op papier te krijgen, zodat een slachtoffer niet tijdens de zitting opnieuw vragen krijgt, zegt Berendsen. ‘We horen vaak: je gelooft me toch wel? Ja, we geloven wel wat je is overkomen, maar we weten niet of we het kunnen bewijzen. Dat is iets anders.’

    Ook politie-zedenspecialist Yet van Mastrigt erkent dat het informatieve gesprek soms inderdaad ontmoedigend werkt voor slachtoffers. ‘Toch gaan mijn nekharen overeind staan bij het woord “ontmoediging”. Zedenrechercheurs willen boeven vangen!’ Ze zucht. ‘Weet je, ik steek mijn hand er ook niet voor in het vuur. Onze mensen doen soms uitspraken omdat ze het slachtoffer willen beschermen’, zegt ze op het hoofdkantoor van de politie in Den Haag. ‘“Het is misschien wel strafbaar, maar het wordt zo lastig”, zeggen ze dan. Maar dat soort uitspraken moeten ze overlaten aan slachtofferadvocaten.’

    Niet voor niets is er vanuit de leiding steeds meer aandacht voor de informatieve gesprekken, zegt ze. Zo wordt nu begonnen met ‘intervisie’. Daarbij luisteren zedenrechercheurs zelf hun informatieve gesprekken terug om zich bewust te worden van wat ze zeggen. Waar gaat het mis en wat moet dus beter? Soms schiet de kwaliteit van opsporingscollega’s ook tekort, suggereert de zedenexpert diplomatiek: ‘Er zit een aantal rechercheurs tussen van wie we zeggen “hou op tijd functioneringsgesprekken”.’

    De klachten over ontmoediging duiken echter zo vaak op dat de Inspectie Justitie en Veiligheid in 2019 onderzoek deed naar de bejegening van zedenslachtoffers door de politie. Het resultaat liegt er niet om: de intenties van zedenrechercheurs mogen dan goed zijn, ze bespreken tijdens het informatieve gesprek ‘impliciet en expliciet de slagingskans van een zaak door de kenmerken van de zaak en het slachtoffer in de voorlichting te betrekken. Wanneer de onmogelijkheden van de zaak en de negatieve consequenties van het doen van aangifte de boventoon voeren, voelen slachtoffers zich gestuurd om geen aangifte te doen.’

    Ook cijfers onderschrijven het beeld van ontmoediging en laten zien dat verkrachtingsslachtoffers na het informatieve gesprek vaker afzien van aangifte. Het gat tussen het aantal meldingen en het aantal aangiften groeit, blijkt uit politiecijfers. De meldingen van verkrachting namen in vijf jaar met zo’n zestig procent toe, terwijl de aangiften slechts met 23 procent stegen. In 2015 besloot 49 procent van de slachtoffers na het eerste gesprek over te gaan tot aangifte. Vorig jaar was dat nog maar 38 procent.

    ‘Wanneer de onmogelijkheden van de zaak en de negatieve consequenties van het doen van aangifte de boventoon voeren, voelen slachtoffers zich gestuurd om geen aangifte te doen’

    De politie houdt zelf niet bij waarom er zoveel meldingen stranden bij de balie. De cijfers hoeven niet op ontmoediging te duiden, zegt een woordvoerder van de korpsleiding: ‘Het zou kunnen zijn dat wij in heel veel van de zaken die mensen nu melden, constateren dat er geen strafbaar feit is gepleegd. Of misschien gaat het wel om een strafbaar feit, maar is er te weinig bewijs.’ Maar dat is precies waar het wringt: slachtoffers kunnen zich ontmoedigd voelen wanneer rechercheurs al vóór de aangifte wijzen op de beperkte kans van slagen van hun zaak. Bovendien is het niet zo dat nu vooral de kansrijke zaken doorgang vinden en de weinig kansrijke zaken al eerder in het proces stranden. Uit analyse van de cijfers blijkt dat bijna zestig procent van de verkrachtingszaken uitmondt in een sepot, vaak vanwege een gebrek aan bewijs. Dat was in 2013 zo en in 2019 is dat nog steeds het geval.

    En er zijn meer zorgwekkende cijfers. In 2013 registreerde de politie bijvoorbeeld volgens het CBS 705 verdachten van verkrachting. Dat aantal liep terug tot 565 in 2019. Het aantal dossiers van verkrachtingszaken dat de politie aflevert bij het OM schommelt al jaren tussen de 500 en 650. In 2013 waren het er 650, in de jaren erna wat minder, en in 2019 weer 634. De politie levert dus eerder minder dan meer verdachten en dossiers af dan vóór die enorme toename in meldingen.

    Politie en OM hebben zichzelf in 2016 ook opgelegd dat ze in tachtig procent van alle zedenzaken het onderzoek binnen een half jaar na aangifte moeten afronden, maar uit het Inspectierapport blijkt dat dat afgelopen jaar slechts in 59 procent van de zaken lukte. En zoals gezegd: binnen dertien maanden na aangifte moet de eerste zitting in de rechtszaal zijn, maar dit lukt slechts in de helft van de zedenzaken, zo geeft Van Mastrigt toe. Dus ook hier overschrijden politie en OM de eigen normen.

    De Inspectie vond zelfs zaken uit 2017 die in juni 2020 nog steeds ‘in afwachting zijn van afronding’. In Nijverdal vertelt zedenrechercheur Christa Kistemaker hoe ze zo’n zaak kreeg toegewezen en dan het slachtoffer belt. ‘“Maar het is al drie jaar geleden gebeurd”, is de reactie dan. Op zo’n moment zit ik echt met schaamrood op mijn wangen aan de telefoon.’

    ‘We zijn een kleine afdeling en het werk neemt alleen maar toe’, vertelt Kistemaker. Niet alleen door de toename in aangiften; ook doordat het recherchewerk steeds ingewikkelder wordt: ‘Door de digitalisering hebben we veel meer onderzoekswerk: filmpjes, foto’s, locatiegegevens van Google Maps, app-conversaties.’ Al die gegevens kunnen dienen als aanvullend bewijs, wat in zedenzaken vaak doorslaggevend is bij de beslissing van het OM om over te gaan tot vervolging én later bij het oordeel van de rechter. Kistemaker: ‘We hebben voor de bewijsvoering zeker profijt van alle nieuwe mogelijkheden, maar het is enorm tijdrovend.’ Een hele WhatsApp-geschiedenis doornemen op zoek naar dat ene bericht dat kan dienen als bewijs, kost Kistemaker en Berendsen soms zomaar een hele werkdag. Voor de zedenrecherche is de digitalisering, kortom, een zegen én een vloek.

    Extra zedenrechercheurs zijn volgens Kistemaker en Berendsen hard nodig. Maar in hun beleving is Team Zeden een beetje het ondergeschoven kindje van het politiekorps. ‘Zeden wordt weleens de “praatpolitie” genoemd’, zegt Kistemaker. ‘Ik hoorde eens dat iemand verrast was dat het hier zo druk is. Collega’s hebben soms het idee dat we alleen maar een beetje kletsen met mensen’, vult Berendsen aan. In september 2019 gaf de minister eindelijk gehoor aan de vraag om meer mensen. Grapperhaus stelt structureel vijftien miljoen euro extra beschikbaar voor de zedenpolitie. De capaciteit zal met zestig fte worden verhoogd, wat in de praktijk neerkomt op negentig nieuwe zedenrechercheurs.

    Maar ook aan dit goede nieuws zit een nare bijsmaak. ‘De nacht na de toezegging van de minister heb ik niet geslapen’, zegt zedenexpert Yet van Mastrigt. ‘Gaan we straks bij andere afdelingen rechercheurs wegtrekken voor Team Zeden?’ Ze weet dat de werving van zedenrechercheurs vooral intern zal plaatsvinden. In dat geval volstaat een eenjarige zedenopleiding aan de Politieacademie. Voor mensen van buiten de politie zou gelden dat ze zelfs eerst nog een driejarige opleiding tot ‘gewone’ politieambtenaar moeten volgen. Het ministerie verlegt het capaciteitsprobleem gewoon naar een andere afdeling binnen de politie.

    De Politieacademie, die de interne of externe kandidaten moet opleiden voor Team Zeden, kampt ook met een capaciteitstekort. Voor de door de minister beloofde uitbreiding van 2019 lukte het al niet om alle zedenrechercheurs op te leiden, hoe dat voor de negentig nieuwe rechercheurs moet gaan is onduidelijk. De Inspectie constateert dat mensen die bij Zeden willen gaan werken nu al een jaar moeten wachten. Rechercheurs binnen Team Zeden zonder die opleiding mogen niet alle handelingen in een opsporingsonderzoek uitvoeren en kunnen alleen aan de slag onder supervisie van collega’s die wel het certificaat op zak hebben.

    Slechts één partij heeft wel baat bij vertraging in een zedenonderzoek. ‘Hoe langer een zaak stilligt, hoe beter een verdachte ervan afkomt’, zegt zedenadvocaat Kate Lans op het kantoor in IJmuiden. Lans en Korfker staan naast slachtoffers ook verdachten bij en weten daardoor heel goed hoe het in de praktijk gaat. De kwaliteit van een dossier neemt af als een onderzoek pas laat op gang komt of lang duurt. Getuigenverklaringen zijn met het verstrijken van de tijd bijvoorbeeld minder gedetailleerd en betrouwbaar. ‘De kans op een bewezenverklaring, of überhaupt een vervolging, wordt met de dag kleiner’, vult Korfker aan.

    Een verdachte krijgt bij vertraging alle kans om het verhaal ‘helemaal te kneden’ of zelfs bewijs te wissen. Verdachten kunnen hun telefoon nog leegmaken bijvoorbeeld, voordat de politie die uitleest. ‘Advocaten adviseren hun cliënt dat ook, als het een verdachte is.’ In de rechtspraak geldt bovendien een ‘redelijke termijn’ van twee jaar. Als die overschreden wordt, kan strafvermindering optreden.

    Cijfers van de rechtspraak leggen dit probleem pijnlijk bloot. In 2013 deelde de rechter 134 keer een straf uit voor verkrachting, in 2019 was dat 129 keer. Die bejubelde toestroom aan meldingen levert slachtoffers strafrechtelijk dus bar weinig op: bijna achthonderd meldingen meer, maar niet één extra dader achter de tralies.

    Welk effect de nieuwe zedenwet precies gaat hebben voor de politie is nog onzeker. ‘Dat is koffiedik kijken’, zegt strafrechter Jacco Janssen. Maar met het conceptvoorstel dat nu voorligt, kunnen ‘de sluizen opengaan’. Daarin staat dat iets ‘seks tegen de wil’ is als de verdachte ‘weet of redelijkerwijs moet vermoeden’ dat het slachtoffer niet wilde. ‘Als er meer strafbaar is, kan er meer aangifte worden gedaan. De politie kan dan minder vaak zeggen dat ze niets met een zaak kunnen’, zegt Janssen. ‘Het is afhankelijk van waar de minister uiteindelijk de grens wil leggen. Hij wil meer strafbaar stellen, dus ik vermoed dat die grens misschien wel laag komt te liggen. Dat zal bepalen of er al dan niet een hausse komt aan nieuwe zaken bij de politie.’

    Toch waarschuwt Janssen voor valse hoop: ‘Dit nieuwe wetsartikel wordt nu gepresenteerd als het tovermiddel voor al uw seksuele delicten, maar dat zal het niet blijken te zijn.’ In het advies dat de Raad voor de rechtspraak half augustus publiceerde staat dan ook dat een ‘winstwaarschuwing’ aan de samenleving op zijn plaats zou zijn. Het beeld dat seksuele misdrijven veel sneller en makkelijker bewezenverklaard zullen worden is waarschijnlijk te optimistisch, vindt de raad. De wet verandert niks aan de bewijslast. Met andere woorden: zaken worden niet makkelijker, het worden er alleen meer.

    ‘Wij horen hetzelfde van zedenrechercheurs’, zegt Jan Struijs, voorzitter van politievakbond NPB. ‘Ze kunnen het nu al bij lange na niet aan en het wordt alleen maar erger.’ Verkrachting is een van de ernstigste en meest ingrijpende misdrijven die er zijn. ‘Honderden slachtoffers worden nu onvoldoende geholpen doordat rechercheurs niet genoeg tijd hebben om alles te onderzoeken. Als zaken stranden, blijven daders vrij rondlopen. Zo simpel is het’, zegt Struijs. ‘Slachtoffers raken zo hun vertrouwen in de rechtsstaat kwijt en als politie zet je je legitimiteit ermee op het spel. Seksueel geweld zou topprioriteit moeten zijn. We moeten dit nu eindelijk eens serieus gaan nemen.’

    De slachtofferemancipatie van de laatste jaren levert tot nu toe weinig concreet resultaat op en het is nog maar de vraag of de nieuwe zedenwet daar verandering in gaat brengen. Zonder extra mensen gaat het niet, zeggen alle zedenrechercheurs. Op een politiebureau in Eindhoven vertelt rechercheur Marja de Louw hoe ze nog elke verkrachtingszaak met evenveel bevlogenheid oppakt als haar eerste in 1982. En hoe ze na een werkdag altijd naar huis fietst. ‘Dat doe ik graag, zo kan ik alles achter me laten’, zegt ze. ‘Maar als het zo druk is denk ik aan alles wat ik nog had kunnen doen. Je moet met zeventig procent tevreden zijn. Niet omdat ik iets niet weet of niet kan, maar gewoon omdat het te druk is. Dat geeft een heel vervelend gevoel.’

    Bron: groene.nl

    #256951
    Luka
    Moderator

    Beeld Alexandra España

    Word je verkracht en doe je daarvan aangifte? Dan is de kans groot dat je maanden, of soms zelfs langer dan een jaar, moet wachten voordat de politie start met het onderzoek – wegens capaciteitsgebrek. En tot die tijd is het advies om zo min mogelijk over de verkrachting te praten. ‘Niemand begrijpt hoe eenzaam het is.’

    Signal-bericht, 5 maart 2020

    ‘We kunnen niet te veel bespreken wat er die avond precies is gebeurd, omdat dat de aangifte kan beïnvloeden.’

    ‘Hij kwam vanaf de bar naar mij toe gelopen. In zijn hand een biertje. Alleen voor mij, en niet voor mijn vriendinnen. Tot dat moment zijn mijn herinneringen van het feest helder, maar daarna wordt het snel wazig.

    ‘Ik weet nog dat ik met hem heb gedanst, en dat ik opeens mijn vriendinnen kwijt was. Ik kon op mijn benen staan. Maar denken, dat lukte niet meer.

    ‘Toen heeft hij me meegenomen naar zijn kamer en werd het zwart. Ik herinner me slechts flarden. Alsof ik even wakker werd en daarna weer in slaap viel.

    ‘Ik weet dat ik mijn hakken uittrok. Dat ik op bed lag, zonder kleren. Dat ik het niet fijn vond. Dat ik iets wilde zeggen, maar dat ik het niet kon.

    ‘Het moet zo’n twee uur later zijn geweest toen ik écht wakker werd. Ik was in de war, bang. Snel kleedde ik me aan. Eén hak kon ik niet vinden. Ik wilde de schoen zoeken, maar wilde hem ook niet wekken. Bang dat hij dan meer van me wilde. Dus al snel dacht ik: fuck it, ik ga gewoon weg.

    ‘Ik liep naar de hotelkamer waar mijn vier vriendinnen sliepen. Twee waren er nog wakker. Snel trok ik mijn jurk uit. Mijn pyjama aan. Ik ging naar de wc. In mijn onderbroek zat bloed. Een vriendin vroeg: is alles oké? Ik barstte in huilen uit.

    ‘Ik was in de war, in paniek. Ik kon niet plaatsen wat er in die twee uur was gebeurd. Het was een naar gevoel: ik wist dat er iets was gebeurd, maar niet wat.

    ‘De volgende dag stapte ik in de trein. Ik had mijn ouders gebeld en gezegd: ik kom thuis. ‘Wat is er?’, vroeg mijn moeder. Dat vertel ik liever als ik thuis ben, antwoordde ik. Toen kreeg zij al een vermoeden.

    ‘Thuis vertelde ik het verhaal. Papa zei: wat probeer je nu eigenlijk te zeggen? Dat wist ik ook nog niet zo goed. Het zou maanden duren voordat ik dát woord kon uitspreken.

    ‘Eerst twijfelden we nog: had ik misschien toch te veel gedronken en was het gewoon geen fijne seks geweest? Maar ik begreep het niet: ik weet dat ik best iets kan drinken en dan nog steeds alles onder controle heb. Bovendien: ik was die avond niet dronken, ik wist precies hoeveel ik had gehad. Hoe kon het dan dat ik niks meer wist? En mijn vriendinnen kwijtraakte?

    ‘Die middag vond ik ook blauwe plekken in mijn liezen. Hierdoor, in combinatie met het geheugenverlies en het bloed in mijn onderbroek, begon het te dagen. Beetje bij beetje begon ik me te realiseren: hij moet me gedrogeerd hebben. Met dat ene biertje.

    ‘Die avond belden we Slachtofferhulp. Het was 10 uur. Ze vroegen of ik meteen naar het ziekenhuis wilde komen, maar ik was moe en de eventuele ghb – hadden we gelezen – was al niet meer te traceren in mijn bloed en urine. Achteraf twijfelde ik wel: had ik niet toch moeten gaan?

    ‘De volgende ochtend vroeg de gynaecoloog: wil je aangifte doen? Ze was een schatje, maar waarschuwde wel dat het forensisch lichamelijk onderzoek niet fijn is en dat aangifte een vervelend traject is. Ik antwoordde: ik weet het niet. Ik kende de toenmalige cijfers: het grootste deel van de slachtoffers doet uiteindelijk geen aangifte en bijna 60 procent van de verkrachtingsaangiften wordt uiteindelijk geseponeerd. Die cijfers waren kort daarvoor tijdens een college psychologie voorbijgekomen.

    ‘Mijn moeder zei: laat je alsjeblieft nu wel forensisch onderzoeken en praat met de politie voor een informatief gesprek. Dan kun je later alsnog besluiten of je de aangifte wilt doorzetten. Ik was nog in shock. Als ze dat niet had gezegd, had ik die eerste hobbel waarschijnlijk al niet genomen. Een uurtje later kwamen er twee zedenrechercheurs. Ze waren heel aardig. Ik zei: ik kan het toch niet bewijzen. Zij zeiden: het feit dat jij hier zit, is al bewijs.

    ‘Twee dagen later besloot ik definitief om de aangifte door te zetten. Ik wil niet dat de dader nooit te weten komt wat hij heeft aangericht. Hij mag er niet mee wegkomen. Maar nu, bijna een jaar later, is er nog niets met mijn aangifte gebeurd. De politie heeft de verdachte nog niet gehoord en met geen enkele getuige gesproken.’

    Op de plank
    Dit is het verhaal van Anne. Ze is een student van begin 20. Vorig jaar werd ze verkracht. Ze deed aangifte en wacht nog altijd op het moment dat de politie haar zaak gaat onderzoeken. Eigenlijk, is het advies, moet ze tot die tijd zo min mogelijk over de bewuste nacht praten, om te voorkomen dat de verdachte en getuigen worden beïnvloed. Toch doet ze haar verhaal samen met haar moeder. ‘Het kan toch niet dat dat we dit in Nederland normaal vinden? De verkrachting van mijn dochter ligt al bijna een jaar op de plank’, zegt haar moeder Marjolein.

    Annes verhaal staat niet op zichzelf. Slachtofferhulp Nederland bevestigt het beeld dat zij schetst. Uit opgevraagde politiegegevens blijkt dat het op dit moment, als gevolg van onderbezetting, in 798 gevallen langer dan een half jaar duurt voordat het onderzoek is afgerond.

    ‘Dat is voor slachtoffers onverteerbaar’, zegt Ruth Jager, die niet bij deze zaak betrokken is, maar als advocaat veel zedenslachtoffers bijstaat. ‘Meestal komen zulke verhalen niet naar buiten, omdat het voor slachtoffers zo ongelooflijk moeilijk is erover te praten. Ik heb meerdere zaken die al langer dan een jaar op de plank liggen. Sterker nog, ik verwacht dat Annes zaak nog lang niet aan de beurt is.’

    De afspraak is dat de naam van Anne en die van haar moeder worden gefingeerd en dat details zoals woonplaatsen worden weggelaten. Een enkel detail is gewijzigd, om herkenbaarheid te voorkomen. Want Anne heeft nog altijd de hoop dat de politie haar zaak zal onderzoeken en ze wil het toekomstige rechercheonderzoek niet in gevaar brengen. Om de ontwikkelingen en emoties van afgelopen maanden gedetailleerd terug te halen, gebruikt Anne haar telefoon. Ze heeft een appgroep op Signal met haar ouders, waarin ze hen stap voor stap op de hoogte houdt van het aangifteproces en van hoe het met haar gaat, als een soort dagboek.

    Signal-bericht, 19 maart 2020

    ‘Nope, ik ben nog niet teruggebeld door de politie. Ik ga morgenochtend weer bellen. Echt irritant. Hoe moeilijk is het.’

    ‘Op vrijdag belde ik zelf maar weer met de politie. Ik vertelde wat er was gebeurd en dat ik graag een afspraak wilde maken om definitief aangifte te doen. Ik had al eerder gebeld, maar was ondanks beloften nog niet teruggebeld.

    ‘De vrouw aan de telefoon antwoordde dat alles stillag vanwege corona, ze wist niet wanneer het zou kunnen. Ik zei dat ik begreep dat het nu moeilijk is, maar dat het toch niet zo kon zijn dat ik mijn verhaal niet kon vertellen. Ik móést het kwijt.

    ‘Bovendien wilde ik naar een psycholoog. Dat kan alleen pas nadat je aangifte hebt gedaan, anders beïnvloedt de therapie misschien je herinnering. Toen antwoordde de vrouw: ‘Denk je dat ik er blij van word om thuis te werken?’ Het voelde alsof ik zeikte over mijn verkrachting, terwijl we midden in een pandemie zaten.

    ‘Overstuur belde ik mijn ouders. Vervolgens zijn zij ook gaan bellen. Mijn vader regelde een advocaat en ontdekte dat aangiften voor moord, doodslag en verkrachting ondanks corona wél moesten doorgaan. Mijn moeder nam contact op met de politie. Maar de conclusie was toch: voorlopig gaat er niks gebeuren.

    ‘Drie weken later kon ik uiteindelijk aangifte doen. Via Zoom vertelde ik de politie stap voor stap wat er die nacht was gebeurd. Ik gaf hun de naam en het adres van de dader – ik ken hem uit het studentenleven. En alle gegevens van getuigen, van mensen die ons op het feest hebben gezien.

    ‘Normaal zou je je verklaring meteen moeten ondertekenen, maar dat kon niet op afstand. Het idee was dat ik mijn aangifte later zou ondertekenen, dat ik gebeld zou worden voor een afspraak. Maar zelfs dat is nog niet gebeurd.’


    Beeld Alexandra España

    Te veel zaken
    Vorig jaar kreeg de politie 4.719 meldingen van mensen die zeggen dat ze het slachtoffer zijn van een zedenmisdrijf. Uiteindelijk besloot 56 procent na een eerste informatief gesprek de aangifte door te zetten. En dat is meer dan de politie aankan.

    ‘Landelijk zijn er 3.346 zedenzaken in behandeling’, zegt Lidewijde van Lier, zedenspecialist van de politie. Alleen: met de huidige bezetting kan de politie zo’n 2.700 tot 2.800 zedenzaken aan. ‘We zien dat sinds eind 2017 de werkvoorraad toeneemt en niet meer behapbaar is. Vroeger had je soms een piek en dan was het weer even rustig. Nu is het constant hard werken.’ Mede daarom riep de politie hulp in van rechercheurs van de Koninklijke Marechaussee en van politievrijwilligers. ‘Maar desondanks hebben we permanent honderden onderzoeken meer dan we aankunnen.’

    Voornaamste reden: het opsporingsonderzoek is complexer geworden. ‘Vroeger verhoorde je een verdachte, sprak je met het slachtoffer en de eventuele getuigen. En dat was het. Nu zijn er camerabeelden die je moet uitkijken, telefoons die je moet uitlezen. Daar kunnen rechercheurs dagen mee bezig zijn. Daarnaast kampen we met een hoog ziekteverzuim en zijn er relatief veel ervaren rechercheurs met pensioen gegaan. Het duurt even voordat we nieuwe mensen hebben opgeleid.’

    En dus moeten er keuzes worden gemaakt. In principe worden zaken op chronologische volgorde behandeld. Alleen als er sprake is van bijvoorbeeld een acuut recidivegevaar of een heterdaadsituatie, wordt er meteen ingegrepen.

    De bedoeling is dat er in 80 procent van de zaken binnen een half jaar een afgerond onderzoeksdossier ligt, zodat het Openbaar Ministerie een vervolgingsbesluit kan nemen. Maar in bijna de helft van de zaken (48 procent) redde de politie de zichopgelegde doorlooptijd in 2020 niet. En dat, benadrukt Van Lier, vindt de politie ook niet ‘normaal’. ‘De lange doorlooptijden zijn niet goed voor onze zedenrechercheurs die dit aan slachtoffers moeten uitleggen, maar zéker niet voor slachtoffers zelf. Daarom pakken we het ook aan.’

    Advocaat Jager merkt daarvan nog weinig in de praktijk. Ze maakte afgelopen jaar meerdere keren mee dat de politie haar cliënten een mail stuurde met de boodschap dat hun zaak ‘een plankzaak’ was geworden, oftewel: dat het nog een tijd zou duren voordat het onderzoek van start zou gaan.

    Als voorbeeld pakt Jager er een mail bij die een van haar cliënten afgelopen december ontving van de politie Midden-Nederland. Haar cliënt had in 2019 aangifte gedaan, opa zou tijdens het oppassen hun 4-jarige dochter hebben misbruikt. Het is een tragische zaak, die de hele familie verscheurt. Nadat de vader opnieuw had geïnformeerd hoe het met de aangifte ging, kreeg hij eind 2020 het volgende bericht van een zedenrechercheur: ‘Ik heb net even in de politiesystemen zitten kijken en ik moet helaas vertellen dat er nog steeds niet aan jullie zaak gewerkt wordt. De realiteit is dat er kort geleden zaken uit 2018 in behandeling werden genomen. De situatie is nog steeds zo dat we meer bezig zijn met het aannemen van nieuwe zaken dan dat we zaken kunnen afhandelen die er al liggen.’

    En dat terwijl de politie in 2019 juist 15 miljoen euro extra kreeg om de achterstanden weg te werken. Aanleiding voor het extra geld was berichtgeving van Nieuwsuur in augustus van dat jaar, waaruit bleek dat honderden zedenaangiften maanden en soms zelfs een jaar moesten wachten op onderzoek. Nu, ruim anderhalf jaar later, is dat aantal onveranderd. Al benadrukt een woordvoerder van Slachtofferhulp Nederland dat hun organisatie wel ziet dat de politie ‘hard werkt om dit te verbeteren’.

    Van het geld is de politie extra personeel aan het werven. De eerste wervingsronde heeft plaatsgevonden. ‘We verwachten dat we hiervan op zijn vroegst eind 2021 de eerste effecten gaan zien’, zegt Van Lier. Alleen, voegt ze daaraan toe, door het opleiden en begeleiden van nieuw personeel zal de werkdruk voor de zedenrecherche in eerste instantie verder toenemen.

    En dat is zo pijnlijk, constateert Jager: ‘De zedenrechercheurs zijn echt wel betrokken, ze werken al heel hard. Hun frustratie druipt er ook van af.’

    Signal-bericht, 11 juni 2020

    ‘Ik heb de politie gebeld, mijn aangifte ligt op de bekende stapel. De rechercheur gaat er een aantekening bij zetten dat mijn leven op pauze staat. Ik hoop dat de zaak dan sneller wordt opgepakt. Maar hij had geen duidelijk antwoord op de vraag hoelang het kan duren. Er zijn gewoon heel veel zaken, en niet genoeg mensen.’

    ‘In het begin voelde ik vooral angst, boosheid en verdriet. Ik kon niet over straat zonder constant om me heen te kijken, bang dat ik hem zou tegenkomen. Als ik op de fiets zat, scande ik constant de omgeving. Die gevoelens waren de hele dag aanwezig. Voortdurend speelde door mijn hoofd wat er die nacht in maart was gebeurd en wat ik allemaal niet wist. Ik was een zombie, ik sliep niet goed, ik at niet goed, ik was erg moe. Ik voelde me gewoon kut.

    ‘Maar over een eventueel strafproces was ik nog optimistisch. Ik had me verder ingelezen in wat er in zulke zaken gebeurt, hoe groot de kans op een veroordeling is. Ik las dat als je aantoonbare lichamelijke schade hebt en goede getuigen, er een redelijke kans is.

    ‘Ik had ook gelezen dat het best een tijdje kan duren bij de politie voordat het onderzoek begint, ik zag zelfs een verhaal over iemand die daar acht maanden op had gewacht. Ik dacht: dat is lang, maar ik kan het hebben. Mijn leven staat on hold door het wachten op het politieonderzoek en het vervolgingsbesluit van het Openbaar Ministerie. Maar acht maanden, dacht ik, dat houd ik wel vol.

    ‘Tot de zomer was ik bovendien vooral bezig met het verwerken van de verkrachting zelf. In de zomer ging het zelfs redelijk goed. Ik heb EMDR-sessies gehad en gesprekken met mijn psycholoog. Bovendien bracht ik het grootste deel van de tijd door in de woonplaats van mijn ouders.

    ‘Mijn advocaat had gezegd dat ze zou proberen met de politie af te spreken dat de verdachte vóór 1 september zou worden gehoord. Twee keer heeft ze de politie een herinnering gestuurd, maar er gebeurde niets.

    ‘Eind september ging ik weer achteruit. Ik begon me steeds unheimischer te voelen. Ik ben van mezelf geen boos persoon. Maar ik had zoveel boosheid in me. Zoveel irritatie. Het kropte zich op. Ik werd prikkelbaar en chagrijnig. Als het slecht gaat, krijg ik bovendien buikpijn. Enorm stekende buikpijn.

    ‘Tijdens een werkgroep op 5 oktober hield ik het niet meer vol. Ik appte mijn ouders: ‘Ik moet terug naar de psycholoog.’ Het enige wat op zo’n moment helpt tegen de buikpijn, is om met mijn ouders te praten. Ik belde ze en sprak toen voor het eerst uit dat ik gefrustreerd was.

    ‘Achteraf bezien was dat een kantelpunt. In het begin was ik vooral bezig geweest met het verwerken van die nacht. Inmiddels moest ik constateren dat het hele proces eromheen – het wachten op de politie – mij net zoveel schade had toegebracht als de verkrachting.

    ‘In de weken erna belde mijn moeder opnieuw met de politie. We waren al acht maanden aan het wachten. Eerder had een rechercheur haar al gezegd dat ze kampten met achterstanden, en dat ze chronologisch door de zaken heen gingen. Ze hadden uitgelegd dat het niet aan corona lag, maar dat ze ‘gewoon maanden achterliepen, en er een hele stapel op de plank ligt’.

    ‘Ditmaal zeiden ze dat ze op dat moment bezig waren met zaken van december het jaar ervoor. Mijn moeder zei nog dat ze het verschrikkelijk vond voor de agenten dat ze in die omstandigheden hun werk moesten doen.

    ‘Kort daarvoor had minister Grapperhaus aangekondigd dat seks zonder instemming strafbaar wordt. Hij was een nieuwe wet aan het voorbereiden waardoor het makkelijker wordt om aangifte te doen van seks tegen je wil. Mijn moeder vroeg aan de politie: wat betekent het voor jullie als die wet erdoor komt? ‘Dat de stapel nog hoger wordt, mevrouw’, was het antwoord.

    ‘Mijn moeder zei bovendien dat het idee dat de verdachte nog altijd van niets wist, voor haar heel bezwaarlijk was. Hij zou meer slachtoffers kunnen maken door vrouwen te drogeren. De rechercheur antwoordde: ‘Mevrouw, dat is uw zorg niet. Daar kunnen we helemaal niets aan doen.’ Maar dat is toch juist wél de zorg van de politie? Ze kunnen hem toch op zijn minst verhoren, zodat hij zich betrapt voelt?’


    Beeld Alexandra España

    Slecht voor de verwerking
    Begin november kondigde inmiddels demissionair minister Grapperhaus (Justitie en Veiligheid) aan dat hij alle vormen van onvrijwillige seks strafbaar wil stellen. Naar verwachting is het wetsvoorstel dit voorjaar klaar voor consultatie. Dan kunnen betrokken organisaties zich uitspreken, onder meer over de betekenis van de plannen voor het aantal aangiften en de werkdruk bij de politie. Ook wordt er volgens een woordvoerder dan al een begin gemaakt met de voorbereidingen. ‘Zodat de organisaties die te maken krijgen met meer aangiften er klaar voor zijn als de wet in werking treedt.’ Hoe groot die impact is, wordt nog geïnventariseerd, zegt zedenspecialist Van Lier. ‘Maar duidelijk is: het extra werk kunnen we er niet zomaar even bij doen.’

    Ook advocaat Jager maakt zich zorgen over de gevolgen van Grapperhaus’ plannen op de doorlooptijden. ‘We wonen in een rechtsstaat en iedereen verwacht van de overheid dat als je aangifte doet van zo’n ernstig feit, de overheid overgaat tot actie.’ Gebeurt dat niet, dan kan dat leiden tot ‘secundaire victimisatie’, oftewel: door het gevoel niet serieus genomen te worden, voelt de aangever zich opnieuw slachtoffer. ‘Je bent al slachtoffer geworden, en dan verlies je ook nog eens de regie over het proces dat erna komt. Dat is ongelooflijk slecht voor de verwerking’, voegt een woordvoerder van Slachtofferhulp Nederland toe.

    In het ergste geval, vervolgt Jager, ‘kunnen slachtoffers die het gevoel hebben dat niemand opkomt voor hun rechten, het recht in eigen hand gaan nemen.’

    Zo stond Jager een man bij wiens 13-jarige dochter een 17-jarig vriendje had. Zijn dochter was in de ban van haar vriend. De vader vertrouwde het niet en ontdekte dat de jongen in werkelijkheid 29 was. Hij wist bovendien dat de twee seks hadden. ‘De moeder van het meisje had de man gebeld en hij bevestigde dat hij seks had met hun dochter. De ouders hadden dit telefoongesprek opgenomen. Er lag dus al een bekennende verklaring.’

    De vader belde direct de politie, want een volwassene mag geen seks hebben met een 13-jarige, zegt Jager. ‘Hij had verwacht dat de politie met gillende sirenes zou komen aanrijden, maar het antwoord was: u kunt over drie weken langskomen om aangifte te doen. Mijn cliënt snapte dat niet, hij vond dat het misbruik nú moest stoppen. Zijn dochter werd door haar vriend gemanipuleerd en stond niet meer open voor wat haar vader te zeggen had. Toen heeft de vader zelf een afspraak gemaakt met de verdachte. Dat liep volstrekt uit de hand.’ Haar cliënt werd aangehouden wegens geweld. ‘Bij zijn arrestatie zei mijn cliënt nog: dan wil ik ook meteen zelf aangifte doen tegen de misbruiker van mijn dochter. Maar dat kon dan weer niet.’

    Het lange wachten heeft nog een gevolg, zegt Jager: de kans op een succesvolle vervolging neemt af. In zedenzaken is er vrijwel altijd sprake van situaties met maar twee mensen: één dader en één slachtoffer. Zij leggen vaak tegenstrijdige verklaringen af. Soms zijn er ook getuigen. Jager: ‘Als de politie na een jaar nog moet beginnen met het horen van verdachte en getuigen, bestaat er een reële kans dat het nooit meer wat wordt. Vaak komt het in die zaken aan op details: wie waren er op het feestje, met wie sprak het slachtoffer, wat dronk het slachtoffer, wie zei wat? Slachtoffers herinneren zich alles veelal precies, maar getuigen kunnen zich die details na zo’n lange tijd vaak niet meer voor de geest halen.’

    Zedenspecialist Van Lier herkent dit probleem. ‘We proberen de impact van de lange doorlooptijden zo veel mogelijk te verkleinen’, benadrukt ze. ‘Ook bij zaken waarbij we niet meteen een onderzoek starten, proberen we wel meteen de belangrijkste informatie veilig te stellen. Dat kan bijvoorbeeld door al wel met een belangrijke getuige te praten, zoals degene aan wie het slachtoffer als eerste haar verhaal deed.’ Al is dat in de zaak van Anne niet gebeurd.

    Signal-bericht, 29 januari 2021

    ‘Ik kwam net tot de conclusie dat het bijna een jaar geleden is dat de coronacrisis begon. Dat betekent dat ik ook al bijna een jaar hierin zit. En dat er nog steeds niks is gebeurd.’

    ‘Was het slim om aangifte te doen? Vanaf het begin heb ik gedacht: ik hou zo de regie. Ik neem de beslissingen. Dat voelde goed.

    ‘Maar dat gevoel is inmiddels uit mijn handen gerukt. Ik ben de controle kwijt en zit ‘in de wachtkamer’. Het is wachten, wachten, wachten. En wie weet voor hoelang. Na het politieonderzoek zal het Openbaar Ministerie beslissen of er vervolgd gaat worden. Zo ja, dan is het wachten op een zitting bij de rechtbank. Wie weet duurt het al met al nog wel twee jaar.

    ‘Niemand begrijpt hoe eenzaam ik me hierdoor voel. Iedereen doet zijn best en is lief. Maar niemand maakt het mee.

    ‘Daarnaast is het lastig om erover te praten. Mijn advocaat heeft geadviseerd om de zaak zo min mogelijk met vriendinnen te bespreken, zij zijn de getuigen en mogen niet worden beïnvloed. Bovendien merk ik de laatste maanden dat steeds minder mensen me vragen hoe het gaat. Alsof ze het vergeten zijn. Daardoor voel ik me nog meer alleen.

    ‘De buitenwereld ziet mij als een meisje dat veel lacht. Maar écht blij, zo voel ik me nooit meer. Er is altijd die ondertoon. Onlangs vroeg ik vrienden waarom ze nooit meer naar mijn aangifte vroegen. Ze zeiden dat ze me niet uit mijn ‘blijheid’ wilden halen. Ik antwoordde dat ik liever heb dat ze het wel vragen. Ik sta hiermee op en ga ermee naar bed. De kans dat ik er toch al aan denk op het moment dat iemand iets vraagt, is groot.

    ‘En dan heb ik nog geluk. Ik heb veel vriendinnen, een lieve vriend en ouders met wie ik alles kan bespreken. We zijn bovendien mondige mensen die de politie blijven bellen. Moet je voorstellen hoe eenzaam een verkrachtingsslachtoffer zich moet voelen dat dat allemaal niet heeft.

    ‘Nee, ik heb geen spijt van mijn aangifte. Het blijft belangrijk en ik had het gevoel dat ik iets terugdeed. In het begin hielp dat enorm. Bovendien hoop ik nog altijd op gerechtigheid.

    ‘Maar ik vind wel dat ik nu van me moet laten horen. Dit interview voelt voor mij ook als een aangifte. Tegen het systeem. Iedereen moet weten dat dít blijkbaar normaal is in Nederland. Zo gaat het dus als je aangifte doet van verkrachting.’

    Bron: de Volkskrant >>

    #256964
    Mark
    Moderator

    Als zedenrechercheur is het continu balanceren: ‘Ben maar eens empathisch én kritisch tegelijk’


    Een zedenrechercheur houdt een intakegesprek met een aangeefster (niet de geïnterviewde) © ANP

    Al dik twintig jaar krijgt zedenrechercheur Anne-Marie Brekelmans de verdrietigste en meest vreselijke zaken op haar bureau. ,,Ik heb nog nóóit iemand ontmoedigd om aangifte te doen.”

    ,,Afgelopen jaar heb ik nog een tijdje als rechercheur in de synthetische drugs gezeten. Ook heel belangrijk werk, maar wat ik hier op zeden doe, mensen direct helpen, dat voelt voor mij zo veel relevanter”, vertelt zedenrechercheur Anne-Marie Brekelmans van de politie Oost-Brabant.

    Als zedenrechercheur is het continu balanceren. Want ga er maar aanstaan: je moet empathisch zijn richting een slachtoffer maar tegelijkertijd ook kritische vragen stellen. ,,Wij moeten natuurlijk wel aan waarheidsvinding doen. Dat is soms een lastige balans.”

    Wij zijn geen CSI, hè, dat zaken binnen vijf minuten worden opgelost. Dat denken mensen wel, maar zo werkt het helaas niet
    Anne-Marie Brekelmans

    Hele hoge werkdruk
    Brekelmans probeert altijd zo neutraal mogelijk te blijven. ,,Natuurlijk grijpen sommige zaken me wel aan. Maar dat laat ik niet merken. Ik ben daar als professional. Een slachtoffer heeft er niks aan als ik ook naar de zakdoekjes grijp.” Wat ze wel doet: benadrukken dat een slachtoffer zich prettig moet voelen bij haar. ,,Ik zeg áltijd: geef het aan als dat niet zo is. Dan neemt een collega de zaak over.” Dan: ,,Nee, dat is in al die twintig jaren één keer gebeurd.”

    De werkdruk bij de politie is hoog. Te weinig mensen, te veel werk, het aloude liedje. Maar, zegt ze, wij pakken álles op. En ja, ze snapt dat slachtoffers soms vinden dat het allemaal maar lang duurt. ,,Maar als ik een dna-spoedprocedure aanvraag, ik noem maar wat, kan het alsnog wel anderhalve maand duren. Wij zijn geen CSI, hè, dat zaken binnen vijf minuten worden opgelost. Dat denken mensen wel, maar zo werkt het helaas niet.”

    Gewoon eerlijk zijn
    Afgelopen zomer verscheen er ook nog eens een kritisch rapport waarin stond dat de politie slachtoffers van zedenmisdrijven onbewust zou ontmoedigen om aangifte te doen.

    Ik vertel slachtof­fers ook dat een verdachte tegen de politie mag liegen
    Anne-Marie Brekelmans

    Brekelmans snapt best dat slachtoffers dat zo kunnen vóelen. ,,Maar dat is iets anders dan dat het zo ís. Ik heb zelf nog nóóit iemand willen ontmoedigen. Maar ik vertel wél wat hij of zij kan verwachten als er aangifte gedaan wordt. Daar hebben ze recht op. Ik ben gewoon eerlijk.”

    Dus dan vertelt ze dat er media-aandacht kan komen en dat dat niet altijd fijn is. En dat als de bal aan het rollen is, er geen weg terug is. Aangifte gedaan is aangifte gedaan en vanaf dat punt bepaalt de politie bijvoorbeeld welke getuigen gehoord dienen te worden. Oók als het slachtoffer dat liever niet heeft. ,,En ik vertel ze ook dat een verdachte tegen de politie mag liegen. En in de rechtbank ook. Maar een slachtoffer móet de waarheid spreken.”

    Sexting en wraakporno
    Had Brekelmans dik twintig jaar geleden toen ze begon als zedenrechercheur slechts één collega met dezelfde functie, inmiddels zijn dat er ruim vijftig. Want ja, constateert ze, gelukkig melden steeds meer slachtoffers van seksueel geweld zich.

    Wat daarbij zeker helpt, is de rol van de Centra Seksueel Geweld, waarbij de politie samenwerkt met de GGD en de ziekenhuizen, maar er ook oog is voor nazorg. ,,De zorg voor slachtoffers is over de hele linie nu zo veel beter.” Het werk verandert ook inhoudelijk. ,,Tegenwoordig gebeurt er steeds meer online. Sexting-zaken, wraakporno. En ook digitaal wordt in andere zaken meer bewijs verzameld. Dat maakt het werk anders en arbeidsintensiever.”

    Bron: BN deStem >>

    #256965
    Mark
    Moderator

    Bij zedenzaken is het vaak het ene woord tegen het andere: ‘Voor slachtoffers is het onbestaanbaar als hun zaak niet voor de rechter komt’


    Officier van Justitie Geerte Burgers © Marc Bolsius

    Kippenvel, kwaadheid. Nee, haar werk als zedenofficier van justitie gaat Geerte Burgers niet altijd in de koude kleren zitten. ,,Soms denk ik: dit had mij óók kunnen gebeuren.”
    Bereid je er op voor dat jouw verkrachter gaat zeggen dat jij óók seks wilde. Dat het er in de rechtbank behoorlijk technisch aan toe kan gaan. Dat de rechter op pijnlijke details zal doorvragen. Het zijn van die dingen die officier van justitie Geerte Burgers zichzelf regelmatig hoort zeggen tegen een slachtoffer van seksueel geweld. Zoals ze ook altijd waarschuwt dat een straf alléén nooit alle wonden zal helen. ,,Al kan een rechtszaak natuurlijk wel bijdragen aan het afsluiten van een heel lastige periode.”

    Geerte Burgers neemt ook graag de tijd om in gesprek te gaan met slachtoffers die hun verkrachter of misbruiker nooit in de rechtszaal in de ogen zullen kijken, omdat er onvoldoende bewijs is en hun zaak de rechtbank niet eens haalt.
    Altijd slachtofferbrieven op maat
    En dat is vaak heel moeilijk te verteren. ,,Maar een aangifte, al is die nog zo betrouwbaar, is niet voldoende om iemand te veroordelen. Daar is meer voor nodig. Die juridische werkelijkheid is soms frustrerend voor slachtoffers.”

    Bij zedenzaken maakt het Openbaar Ministerie dan ook altijd slachtofferbrieven op maat. ,,Bij andere zaken werken we veel vaker met standaardbrieven. En we bieden bij zedenzaken ook altijd een persoonlijk gesprek aan, waarin we kunnen vertellen wat we geprobeerd hebben om het bewijs rond te krijgen. Dat het feit dat dit niet gelukt is, niets afdoet aan hun pijn en verdriet. Dat ik hun frustraties begrijp. Ik snáp ook dat het voor slachtoffers onbestaanbaar is als een zaak niet voor de rechter komt.”

    Ben een vent, geef toe wat je deed. Alleen zo kun je je nichtje nog een beetje helpen, na wat je haar hebt aangedaan
    Geerte Burgers

    Ja, dat zijn vaak lastige gesprekken. Maar haar menselijke kant laten zien, in een wereld waarin het nu eenmaal draait om keihard strafrechtelijk bewijs, is voor Burgers belangrijk. ,,Voor een beetje begrip en acceptatie over hoe dat zo gelopen is.”

    Zeker omdat het in dit soort zaken dus altijd om heftige emoties gaat. Dat gaat haar trouwens ook zelf niet altijd in de koude kleren zitten. ,,Bijvoorbeeld als het om kinderen gaat. En soms denk je: dit had jou of mij óók kunnen gebeuren.”

    Kippenvel
    Geerte Burgers dus. 41 jaar, geboren in de regio Tilburg en inmiddels al een kleine tien jaar een van de acht officieren van justitie in Oost-Brabant die gespecialiseerd is in zedenzaken. Mooi werk, zegt ze, al klinkt dat vast raar. ,,Maar het gaat écht ergens over.”

    Of het nou gaat om die zaak vorig jaar waarin een Boxtelaar een kind wilde ontvoeren voor seks en sadisme. Kippenvel, kreeg Burgers van die zaak. De rechtbank vonniste achttien maanden celstraf én tbs. Of die zaak van een meisje dat van haar achtste tot haar zeventiende werd misbruikt door haar oom en daarna niet meer wilde leven. Zichzelf verwondde en opsloot in een donkere kamer. Die de schuld van het misbruik bij zichzelf zocht. Onzin, zei Burgers tijdens de zitting tegen de verdachte: ,,Er is hier maar één schuldige. Ben een vent, geef toe wat je deed. Alleen zo kun je je nichtje nog een beetje helpen, na wat je haar hebt aangedaan.”

    De een een zegt: er was wel dwang, de ander zegt: het was vrijwillig. Dat maakt het zo lastig
    Geerte Burgers

    Het ene woord tegen het andere
    Een recent moment waarop het recht zegevierde? ,,Er was een jonge man die veelvuldig contact zocht met kwetsbare meisjes die zelf seksueel makkelijk over hun grenzen lieten gaan. Die zaak was bewijstechnisch gezien heel lastig, want je moet wel kúnnen bewijzen dat er sprake was van dwang en dat die man opzettelijk aan hun niet-willen voorbij ging. Uiteindelijk is die man veroordeeld tot een gedwongen behandeling in een forensisch psychiatrische kliniek. ,,Nodig ook, want die jongen bleef maar doorgaan.”

    Het lastigste aan zedenzaken is natuurlijk dat het vaak neerkomt op het ene woord tegen het andere. ,,Vaak waren er maar twee mensen bij van wie de één zegt dat iets wel is gebeurd waar de ander zegt van niet. De een zegt: er was wel seks, de ander zegt van niet. De een een zegt: er was wel dwang, de ander zegt: het was vrijwillig. Dat maakt het zo lastig.”

    Vaak zit het OM dan ook tegen het ‘bewijsminimum’ aan. ,,In aanvulling op een aangifte kunnen bijvoorbeeld waargenomen emoties bij een slachtoffer, of bewijs dat de verdachte op de plaats delict is geweest, voldoende steunbewijs zijn om tóch tot het wettig bewijs te komen. Maar of dat zo is hangt sterk af van de omstandigheden.”

    WET VAN GRAPPERHAUS
    Voor verkrachting moet onder de huidige wet worden bewezen dat er sprake was van dwang. Als het aan minister Grapperhaus ligt, wordt dat binnenkort anders: dan wordt alle onvrijwillige seks strafbaar. Met andere woorden: een verdachte kan dan veroordeeld worden als hij wist of had moeten weten dat het slachtoffer geen seks wilde. Ook als er geen sprake is van dwanghandelingen. 

    Of dat gaat helpen in de strijd die bewijs verzamelen heet? Burgers houdt zich op de vlakte: ,,Het is niet aan mij me uit te laten over nieuwe wetgeving in wording. En hoe het in de praktijk zal uitpakken, is afwachten. Wat ik wel herken, is dat slachtoffers heel verschillend op seksueel overschrijdend gedrag kunnen reageren. En sommige reacties zijn bewijstechnisch makkelijker dan andere, laat ik het zo zeggen. Andere – heel natuurlijke – reacties zijn veel moeilijker binnen de huidige strafrechtelijke bepalingen te vangen.”

    We hoeven niet per se iemand veroor­deeld te krijgen, we zijn op zoek naar de waarheid
    Geerte Burgers

    Sommige dingen kúnnen niet wachten
    Er zijn dan ook heel veel zedenzaken die uitmonden in sepot: het Openbaar Ministerie besluit dan een strafbaar feit niet te vervolgen. Volgens landelijke cijfers wordt bijna 60 procent van de verkrachtingsdossiers niet verder in behandeling genomen. En uiteindelijk leidt ongeveer een op de vijf aangiftes tot een veroordeling bij de rechter.

    Burgers bestrijdt dat dit te maken heeft met gebrek aan capaciteit bij politie en het OM. In Oost-Brabant is de werkdruk bij de recherche zó hoog, dat de helft van de dossiers langer dan wenselijk op de plank blijft liggen. Nee, natuurlijk komt dat een zaak niet altijd ten goede, geeft ze wel toe ,,Bijvoorbeeld bij het horen van getuigen. Daar geldt natuurlijk hoe sneller, hoe beter.” Maar dat het OM het daardoor soms laat lopen? Nee! ,,Aangiften worden wél allemaal opgepakt. En we bepalen natuurlijk wel welke handelingen prioriteit hebben, bijvoorbeeld sporenonderzoek op een lichaam. Dat kan níet wachten.”

    Op zoek naar de waarheid
    Samen met de politie maakt het OM voor elke zaak een apart plan. ,,Hoe steek je de zaak in? Waar zitten de bewijstechnisch lastige punten en hoe kunnen we daar iets aan doen? Dat kan van alles zijn: tactische opsporing zoals het horen van getuigen, bijvoorbeeld de eerste tegen wie het slachtoffer haar verhaal heeft gedaan. Technisch onderzoek kan, zoals een forensisch-medisch onderzoek bij het slachtoffer. Dna- en spermasporen kunnen daarbij belangrijke bewijstechnische waarde hebben. Maar je kunt een rapport laten maken over het slachtoffer, bijvoorbeeld om te kijken of iemand wel in staat is om zijn seksuele wil te bepalen.”

    Soms worden ook telefoons afgetapt om bewijs te vergaren. ,,Dat kan natuurlijk ook in ontlastende zin zijn: we hoeven niet per se iemand veroordeeld te krijgen, we zijn op zoek naar de waarheid.”

    Het gebeurt ook wel eens dat een slachtoffer zélf afziet van aangifte, maar dat het OM de zaak toch doorzet. Bijvoorbeeld als het gaat om een verdachte die al vaker in beeld is geweest, maar toen niet gepakt kon worden. ,,Als de zaak zich daar nu wel voor leent, gaan we die toch vervolgen omdat het maatschappelijk belang dat vraagt. Dat proberen we dan natuurlijk wel goed uit te leggen aan het slachtoffer.”

    Bron: BN deStem >>

    #257212
    Mark
    Moderator

    Aangifte na seksueel misbruik: ‘Slachtoffers zouden zich nooit ontmoedigd mogen voelen’

    Als je aangifte wilt doen van seksueel misbruik, hoe gaat dat dan precies in z’n werk? Wat kun je verwachten? En hoe komt het toch dat slachtoffers zich niet altijd serieus genomen voelen door de politie? Yet van Mastrigt, zedenexpert bij de politie, legt uit.

    De laatste jaren was er veel om te doen: het aangifteproces bij zedenzaken. In de media doken met regelmaat verhalen op van slachtoffers die zich door de politie niet serieus genomen voelden of zelfs ontmoedigd voelden om aangifte te doen. In De Volkskrant verscheen vorige week het verhaal van een jonge vrouw die al een jaar wacht tot haar zaak in behandeling wordt genomen. In 2017 was er veel media aandacht voor de zogenaamde Hoornse zedenzaak, waarbij het slachtoffer zich genoodzaakt had gevoeld om zelf haar belager op te sporen. Er volgde een kritisch rapport van de inspectie van Justitie en Veiligheid. Uiteindelijk was de zaak aanleiding voor Minister Grapperhaus om een grootschalig onderzoek in te stellen naar de bejegening van zedenslachtoffers door de politie.

    Uit dat onderzoek bleek deze zomer dat slachtoffers over het algemeen tevreden zijn over het contact met de politie, maar er zijn ook slachtoffers die negatieve ervaringen hebben. Het rapport concludeert dat zedenrechercheurs meer aandacht moeten hebben voor de behoeften en verwachtingen van zedenslachtoffers. Vooral het informatieve gesprek dat zedenrechercheurs met slachtoffers voeren voorafgaand aan een eventuele aangifte, kan door slachtoffers als ontmoedigend worden ervaren. Sommige slachtoffers gaven aan dat zij zich gestuurd voelden om geen aangifte te doen. De politie werkt sindsdien om het aangifteproces te verbeteren. Yet van Mastrigt, zedenexpert bij de politie, praat met ons over hoe het gaat en wat er beter kan.

    Het Centrum Seksueel Geweld ontving vorig jaar 4148 slachtoffers, een stijging van 28 procent ten opzichte van het jaar daarvoor. Ook bij de politie nam het aantal geregistreerde verkrachtingen toe, van 1245 in 2013 naar 2000 in 2019

    ‘Mensen komen steeds korter na de pleegdatum bij ons. Dat is een fantastische ontwikkeling’

    Is er een stijging van het aantal gevallen van seksueel geweld?
    “Nee, daar zijn geen aanwijzingen voor. Dat aantal is al een tijdje redelijk constant. Maar wat we wel zien is dat slachtoffers steeds vaker hun weg naar hulpverlening en politie weten te vinden. De samenwerking tussen instanties is verbeterd en er is de afgelopen jaren veel aandacht geweest voor seksueel geweld, waardoor mensen zich misschien gesterkt voelen om een melding te doen. We zien namelijk ook dat mensen steeds korter na de pleegdatum bij ons komen. En dat is echt een fantastische ontwikkeling. Want hoe korter op de pleegdatum, hoe groter de kans dat we nog bewijs kunnen veiligstellen.”

    Als je slachtoffer bent van seksueel misbruik: wat is dan nu het proces? Waar kun je terecht?
    “Als er spoed bij is en je hebt acute hulp nodig, dan bel je altijd 112. Is er geen directe spoed, dan bel je de politie (via 0900-8844). Aan de telefoon word je in contact gebracht met iemand van de zedenpolitie. Die zedenrechercheur zal je vragen om kort uit te leggen wat er is gebeurd. Daarna zal de medewerker een afspraak maken voor een informatief gesprek met twee zedenrechercheurs op het bureau. Tijdens dat gesprek zullen de zedenrechercheurs je vragen stellen over wat er precies gebeurd is en proberen te achterhalen of er mogelijk sprake is geweest van een strafbaar feit. Ook zullen zij proberen te achterhalen of er sporen zijn die kunnen worden veiliggesteld. Sporen op het lichaam, maar ook digitale sporen, zoals appjes, mails en belgeschiedenis.

    De zedenrechercheurs zullen je vragen of je er iets voor voelt om met hen mee te gaan naar het Centrum Seksueel Geweld. Daar werkt de politie samen met artsen en psychologen om je zo goed mogelijk te kunnen helpen. Je kunt daar psychische en medische hulp krijgen en bijvoorbeeld getest worden op een ongewenste zwangerschap of seksueel overdraagbare aandoeningen. Is het minder dan zeven dagen geleden gebeurd? Dan kunnen forensisch artsen lichamelijk onderzoek doen en eventuele sporen op het lichaam veilig stellen.”

    “Belangrijk is hier dat het slachtoffer bepaalt. Je kunt naar het Centrum Seksueel Geweld voor hulp, ook als je geen aangifte wil doen. En je kunt medische hulp krijgen, ook als je geen sporenonderzoek wilt. Hetzelfde geldt voor het informatieve gesprek met de zedenrechercheurs: dat gesprek is nog niet de aangifte zelf. Het is bedoeld om helder te krijgen wat er is gebeurd en het slachtoffer alle informatie te geven om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen.”

    En als je wel aangifte wilt doen, hoe verloopt het dan?
    “Tijdens het informatieve gesprek zullen de zedenrechercheurs zo nauwkeurig mogelijk uitleggen hoe het proces van aangifte in z’n werk gaat en wat je daarna zoal kunt verwachten. Ook zullen ze je in de gelegenheid stellen om er een paar dagen over na te denken. Wil je aangifte doen, dan wordt daarvoor een afspraak gemaakt op het bureau. Tijdens het aangifte gesprek vragen zedenrechercheurs je om zo gedetailleerd mogelijk te vertellen wat er gebeurd is en leggen dit vast in de aangifte. Daarna zal de politie onderzoek gaan doen. Besluit je geen aangifte te doen, dan kan het zijn dat de Officier van Justitie op basis van jouw melding alsnog een onderzoek instelt. Bijvoorbeeld bij een groot risico op herhaling of gevaar.”

    Om die bedenktijd is de laatste jaren veel te doen geweest. Vrouwen zouden het als betuttelend ervaren of zich gedwongen voelen om te wachten, terwijl ze er al goed over na hebben gedacht. Waarom is die bedenktijd er eigenlijk?
    “Die bedenktijd is er omdat zedenzaken vaak erg gevoelig liggen. In het merendeel van de gevallen kent het slachtoffer de dader, is het een familielid of iemand anders van heel dichtbij. Slachtoffers maken zich vaak zorgen over wat een aangifte in de omgeving teweeg zal brengen. Soms zijn slachtoffers bang voor wraak of hebben ze last van een loyaliteitsconflict. Het komt voor dat iemand tegen ons zegt: ik wil aangifte doen van verkrachting, maar ik wil niet dat de dader in de gevangenis komt. Maar zo werkt het helaas niet. Als je aangifte doet, dan is dat onomkeerbaar.”

    ‘Hier wringt het soms: de politie is er in de eerste plaats voor waarheidsvinding’

    “Daarom krijgen slachtoffers na het informatieve gesprek de gelegenheid om alles nog even rustig te overwegen en eventueel juridisch advies in te winnen. Sommige slachtoffers besluiten daarna toch af te zien van aangifte. Bijvoorbeeld omdat ze het proces van vervolging en een eventuele rechtszaak psychisch toch te belastend vinden en zich liever op de verwerking willen richten. Veel slachtoffers zijn dan ook blij met deze mogelijkheid. Maar heel belangrijk om te benadrukken: de bedenktijd is een recht en nooit een plicht.”

    Maar er zijn ook slachtoffers die het wel als een verplichting hebben ervaren.
    “Dat klopt. Dat is in het verleden niet altijd goed gecommuniceerd. Zedenrechercheurs maakten niet altijd voldoende duidelijk dat de bedenktijd optioneel is en nooit een verplichting is. We letten er nu dan ook extra goed op dat dit helder wordt overgebracht. Heb je er goed over nagedacht en zit je helemaal startklaar om aangifte te doen? Overleg dan met de zedenrechercheur of dat kan. Een aangifte duurt veelal een paar uur of zelfs langer, dus meestal moet dan wel een nieuwe afspraak worden gemaakt. Het kan zijn dat er een paar dagen of zelfs weken zit tussen het informatieve gesprek en de aangifte zelf. Dat vinden slachtoffers soms vervelend. Dat is ook heel begrijpelijk, want het vergt vaak al heel veel moed om naar het politiebureau te komen. Het informatieve gesprek duurt ongeveer een uur, kan intensief emotioneel zijn. Daarbij krijg je veel informatie te verwerken. Vaak vinden slachtoffers het prettig om alles even op zich in te kunnen laten werken.”

    Uit het rapport blijkt dat vooral het informatieve gesprek door slachtoffers soms als ontmoedigend wordt ervaren. Hoe komt dat?
    “Allereerst: het mag natuurlijk nooit de bedoeling zijn dat een slachtoffer zich door de politie ontmoedigd voelt om aangifte te doen van seksueel misbruik. Maar we weten ook dat het helaas wel voorkomt dat slachtoffers dit zo ervaren. Dat heeft met verschillende dingen te maken. We zien nog wel eens dat slachtoffers iets anders van de politie verwachten of verlangen dan dat de politie kan bieden. Omdat zedenzaken vaak heel ingrijpend zijn, is het belangrijk dat zedenrechercheurs alle gesprekken met een slachtoffer empathisch en zorgvuldig voeren. Maar, en hier wringt het soms: de politie is er in de eerste plaats voor waarheidsvinding. Zij moeten er in zo’n informatief gesprek achter zien te komen: wat is er gebeurd? Was er sprake van een strafbaar feit? Waren er getuigen? Is er bewijs? De zedenrechercheurs zijn namelijk bezig om een zo compleet mogelijk beeld van de situatie te krijgen, terwijl het slachtoffer misschien wil horen: ik hoor je, geloof je, we gaan de dader morgen oppakken. Maar hoe begrijpelijk ook, het is op dat moment niet aan de zedenrechercheur om dat te zeggen.”

    Maar sommige slachtoffers krijgen tijdens zo’n informatief gesprek wel te horen dat er weinig bewijs is of dat de kans op vervolging klein is, wat ontmoedigend kan overkomen.
    “Dat is ook één van de belangrijkste punten van verbetering die we uit het rapport hebben meegenomen. We zagen dat zedenrechercheurs soms te veel inzetten op het managen van verwachtingen en voorkomen van teleurstellingen bij slachtoffers. Het punt is: zedenrechercheurs weten wat er allemaal bij een aangifte komt kijken. En ze weten helaas ook dat het maar in een klein percentage tot een rechtszaak komt en in een nog kleiner percentage tot een daadwerkelijke veroordeling.

    Dat komt doordat zedenzaken vaak heel moeilijk te bewijzen zijn. Vaak zijn er geen getuigen en ontbreekt direct bewijs. Als een slachtoffer dan na zo’n heel zwaar proces te horen krijgt dat de dader toch vrijuit gaat, dan kan dat een enorme klap zijn. Soms zeggen slachtoffers: als ik dit van tevoren had geweten, dan had ik nooit aangifte gedaan. Dat is vreselijk, dus als je dat als zedenrechercheur een paar keer hebt meegemaakt, krijg je de neiging om slachtoffers tegen die teleurstelling in bescherming te nemen. Daardoor zijn zedenrechercheurs gaandeweg steeds meer nadruk gaan leggen op het managen van de verwachtingen om latere teleurstelling te voorkomen.”

    Te veel?
    “Ja. Want als het effect is dat slachtoffers zich ontmoedigd voelen, dan gaat er dus iets fout. Ook al is de intentie vanuit zedenrechercheurs misschien niet kwaadwillend, het effect is nog steeds onwenselijk. We zijn na het rapport dan ook hard aan de slag gegaan om die informatieve gesprekken te verbeteren.”

    Hoe doen jullie dat?
    “Onder leiding van een intervisiebegeleider reflecteren de zedenrechercheurs op gesprekken die ze gevoerd hebben. Zij luisteren opnamemateriaal van informatieve gesprekken terug en analyseren het gevoerde gesprek. Wat gaat goed? Wat niet? Welke informatie geef je wanneer? Hoe reageer je op een uitspraak van het slachtoffer? Welke vraag stel je? Hoe beantwoord je een vraag van het slachtoffer? Beantwoord je die vraag eigenlijk wel goed genoeg? Op die manier zijn we bezig om de gesprekstechnieken bij te schaven en te verbeteren.”

    ‘Op dit moment zijn er meer zaken dan de zedenrechercheurs aankunnen’

    Wat moest er anders?
    “Wij moeten als politie wegblijven van uitspraken over de hoeveelheid bewijs of de kans op vervolging of veroordeling. Dat is niet aan ons. Het komt regelmatig voor dat een slachtoffer rechtstreeks aan een zedenrechercheur vraagt: hoe groot schat jij de kans in dat de dader vervolgd of veroordeeld wordt? Maar ook dan moet je als zedenrechercheur de verleiding weerstaan om daarop te antwoorden. Beperk je tot: daar kan ik niks over zeggen, hoe moeilijk dat misschien ook is.”

    Als er eenmaal aangifte is gedaan, moeten slachtoffers vaak lang wachten tot ze weer iets horen. In De Volkskrant verscheen deze maand het verhaal van een jonge vrouw die verkracht werd en al een jaar wacht tot er onderzoek gedaan wordt. Hoe kan dat?

    “Dat zijn hele schrijnende verhalen. En we zijn ons bewust van dit probleem. De zedenpolitie krijgt op dit moment heel veel zaken te verwerken. Meer dan de zedenrechercheurs aankunnen. De werkdruk is enorm. En met uitzondering van zaken met spoed, werken we op volgorde van binnenkomst. Ofwel: de oudste zaak heeft voorrang. Dat is wel zo eerlijk, want anders zou het betekenen dat oudere zaken door nieuwere zaken worden verdrongen. Maar het maakt ook dat slachtoffers soms inderdaad lang moeten wachten tot hun zaak kan worden opgepakt.’

    Uit het stuk in de Volkskrant bleek ook dat de communicatie met het slachtoffer te wensen over liet. Ze kreeg een paar keer te horen dat ze zou worden gebeld, waarna dit niet gebeurde.
    “Dat klopt. En als dat zo is gegaan, dan is dat kwalijk. De pech was dat het begin van deze zaak in maart speelde, precies in de periode dat de politie nog erg aan het zoeken was hoe om te gaan met de coronacrisis. Maar dan nog zou een belofte om terug te bellen moeten worden nagekomen. We zijn ons ervan bewust dat het voor slachtoffers heel frustrerend is als ze niet weten waar ze aan toe zijn. Dat was ook een van de verbeterpunten uit het rapport: de communicatie over het proces moet beter. Het is dan ook de bedoeling dat slachtoffers in het vervolg weten welke contactmomenten ze kunnen verwachten en wanneer. En dat deze contactmomenten ook worden vastgelegd en gecommuniceerd. Maar dat er soms veel tijd tussen zit, kunnen we helaas niet altijd voorkomen.”

    Als zaken zo lang blijven liggen voordat ze worden onderzocht, gaat er dan niet waardevol bewijsmateriaal verloren?
    “Bij iedere aangifte is het gebruikelijk dat de politie eerst al het bewijsmateriaal veilig stelt waar mogelijk een houdbaarheidsdatum op zit. Ook als het geen spoedzaak is en ook als het onderzoek pas later wordt opgepakt. Is het pas net gebeurd, dan kan het slachtoffer ervoor kiezen om een sporenonderzoek te laten doen. Is er eventueel videomateriaal of zijn er digitale gegevens die misschien verwijderd kunnen worden, dan wordt dat allemaal verzameld. En zijn er belangrijke getuigen, dan worden die gehoord.”

    In het verhaal uit de Volkskrant stond dat dit niet was gebeurd.
    “Dat viel mij ook op. Omdat het slachtoffer in het artikel anoniem is opgevoerd, weet ik zelf niet over welke zaak het gaat, dus ik kan niet controleren wat wel of niet gedaan is. Maar laat ik in elk geval dit zeggen: als er bewijsmateriaal is dat mogelijk verloren zou kunnen gaan, dan wordt dat normaal gesproken veilig gesteld.”

    Wat wordt er op dit moment gedaan om te zorgen dat zedenzaken in de toekomst sneller opgepakt kunnen worden?
    “Allereerst: de zedenrechercheurs willen zelf ook heel graag dat zaken sneller kunnen worden opgepakt. Ze krijgen op dit moment alleen gewoonweg meer zaken te verwerken dan ze aankunnen. Om te zorgen dat hier meer schot in komt, heeft het Ministerie van Justitie en Veiligheid 15 miljoen euro beschikbaar gesteld voor 60 extra zedenrechercheurs en onder meer digitale, forensische- en opleidingscapaciteit. Daar zijn we heel blij mee maar het effect is er nog niet meteen. Zedenrechercheur is een complex vak. Voordat we genoeg geschikte zedenrechercheurs hebben aangetrokken, opgeleid en ingewerkt, zijn we alweer even verder.”

    ‘De dader veroordeeld krijgen, is niet de enige doel van een aangifte’

    “Wat ook meespeelt is dat de waarheidsvinding bij zedenzaken vaak moeilijk is en veel tijd kost. Zeker nu er ook allerlei digitale sporen zijn die mogelijk als bewijs kunnen dienen. Appjes, mails, video- en fotomateriaal, locatiegegevens. Dat moet allemaal verzameld en geanalyseerd worden. Dat heeft het proces vele malen tijdrovender gemaakt. Straks hebben we ook nog te maken met de nieuwe zedenwet, waardoor in het vervolg niet meer alleen seks onder dwang, maar alle onvrijwillige seks strafbaar is. Het positieve daaraan is dat er straks meer zaken zullen zijn waar we als politie iets mee kunnen. Maar het stelt ons ook voor nieuwe uitdagingen. Want het zal het aantal zaken alleen maar doen toenemen. En dat de seks voor het slachtoffer niet vrijwillig was, dat moet je wel zien te bewijzen.”

    Veel slachtoffers zullen misschien denken: als de kans op veroordeling van de dader zo klein is, heeft het dan eigenlijk wel zin om aangifte te doen?
    “Ja, dat is ook een hele begrijpelijke gedachte. En het is een afweging die ieder slachtoffer voor zichzelf zal moeten maken. Maar het is wel goed om daarbij in gedachten te houden dat de dader veroordeeld krijgen niet het enige doel van een aangifte is. Ook als een dader uiteindelijk niet veroordeeld wordt, kan een aangifte ontzettend waardevol zijn. Alleen al het feit dat je gehoord bent, dat wat jou is overkomen ergens zwart op wit staat, dat de dader op de radar van politie en justitie staat, dat er serieus onderzoek is gedaan, dat getuigen zijn gehoord, dat er eventueel een gesprek met de Officier van Justitie is geweest. Al die dingen kunnen al heel veel betekenen.

    Onder leiding van het ministerie van Justitie loopt op dit moment een pilot in de politiedistricten Kennemerland en Gelderland Midden, waarbij slachtoffers van zeden- en ernstige geweldsmisdrijven kosteloze rechtsbijstand krijgen. Een slachtofferadvocaat die hen kan bijstaan en adviseren. Na doorverwijzing overleggen slachtofferadvocaat en Slachtofferhulp NL met elkaar over de juiste ondersteuning aan slachtoffers. Ik vind dat een hele goede ontwikkeling en de eerste resultaten zijn erg positief. Want ook als er te weinig bewijs ligt voor een strafrechtelijke vervolging kan een advocaat eventueel wel andere dingen voor elkaar krijgen. Een straatverbod bijvoorbeeld of een schadevergoeding. Ook als er uiteindelijk nooit een veroordeling komt, kan een slachtoffer zo wel een gevoel van gerechtigheid krijgen. Feit blijft dat zedenzaken strafrechtelijk soms moeilijk bewijsbaar zijn. Maar als een slachtoffer op wat voor manier dan ook een vorm van erkenning kan krijgen, dan is dat heel veel waard.

    Bron: evajinek.nl

    #259358
    Luka
    Moderator

    Zedenofficier van justitie: ‘Bereid je er op voor dat verkrachter gaat zeggen dat jij óók seks wilde’


    Officier van Justitie Geerte Burgers © Marc Bolsius

    Kippenvel, kwaadheid. Nee, haar werk als zedenofficier van justitie gaat Geerte Burgers niet altijd in de koude kleren zitten. ,,Soms denk ik: dit had mij óók kunnen gebeuren.”

    Bereid je er op voor dat jouw verkrachter gaat zeggen dat jij óók seks wilde. Dat het er in de rechtbank behoorlijk technisch aan toe kan gaan. Dat de rechter op pijnlijke details zal doorvragen. Het zijn van die dingen die officier van justitie Geerte Burgers zichzelf regelmatig hoort zeggen tegen een slachtoffer van seksueel geweld. Zoals ze ook altijd waarschuwt dat een straf alléén nooit alle wonden zal helen. ,,Al kan een rechtszaak natuurlijk wel bijdragen aan het afsluiten van een heel lastige periode.”

    Geerte Burgers neemt ook graag de tijd om in gesprek te gaan met slachtoffers die hun verkrachter of misbruiker nooit in de rechtszaal in de ogen zullen kijken, omdat er onvoldoende bewijs is en hun zaak de rechtbank niet eens haalt.

    Altijd slachtofferbrieven op maat
    En dat is vaak heel moeilijk te verteren. ,,Maar een aangifte, al is die nog zo betrouwbaar, is niet voldoende om iemand te veroordelen. Daar is meer voor nodig. Die juridische werkelijkheid is soms frustrerend voor slachtoffers.”

    Bij zedenzaken maakt het Openbaar Ministerie dan ook altijd slachtofferbrieven op maat. ,,Bij andere zaken werken we veel vaker met standaardbrieven. En we bieden bij zedenzaken ook altijd een persoonlijk gesprek aan, waarin we kunnen vertellen wat we geprobeerd hebben om het bewijs rond te krijgen. Dat het feit dat dit niet gelukt is, niets afdoet aan hun pijn en verdriet. Dat ik hun frustraties begrijp. Ik snáp ook dat het voor slachtoffers onbestaanbaar is als een zaak niet voor de rechter komt.”

    Ja, dat zijn vaak lastige gesprekken. Maar haar menselijke kant laten zien, in een wereld waarin het nu eenmaal draait om keihard strafrechtelijk bewijs, is voor Burgers belangrijk. ,,Voor een beetje begrip en acceptatie over hoe dat zo gelopen is.”

    Ben een vent, geef toe wat je deed. Alleen zo kun je je nichtje nog een beetje helpen, na wat je haar hebt aangedaan

    Geerte Burgers

    Zeker omdat het in dit soort zaken dus altijd om heftige emoties gaat. Dat gaat haar trouwens ook zelf niet altijd in de koude kleren zitten. ,,Bijvoorbeeld als het om kinderen gaat. En soms denk je: dit had jou of mij óók kunnen gebeuren.”

    Kippenvel
    Geerte Burgers dus. 41 jaar, geboren in de regio Tilburg en inmiddels al een kleine tien jaar een van de acht officieren van justitie in Oost-Brabant die gespecialiseerd is in zedenzaken. Mooi werk, zegt ze, al klinkt dat vast raar. ,,Maar het gaat écht ergens over.”

    Of het nou gaat om die zaak vorig jaar waarin een Boxtelaar een kind wilde ontvoeren voor seks en sadisme. Kippenvel, kreeg Burgers van die zaak. De rechtbank vonniste achttien maanden celstraf én tbs. Of die zaak van een meisje dat van haar achtste tot haar zeventiende werd misbruikt door haar oom en daarna niet meer wilde leven. Zichzelf verwondde en opsloot in een donkere kamer. Die de schuld van het misbruik bij zichzelf zocht. Onzin, zei Burgers tijdens de zitting tegen de verdachte: ,,Er is hier maar één schuldige. Ben een vent, geef toe wat je deed. Alleen zo kun je je nichtje nog een beetje helpen, na wat je haar hebt aangedaan.”

    Het ene woord tegen het andere
    Een recent moment waarop het recht zegevierde? ,,Er was een jonge man die veelvuldig contact zocht met kwetsbare meisjes die zelf seksueel makkelijk over hun grenzen lieten gaan. Die zaak was bewijstechnisch gezien heel lastig, want je moet wel kúnnen bewijzen dat er sprake was van dwang en dat die man opzettelijk aan hun niet-willen voorbij ging. Uiteindelijk is die man veroordeeld tot een gedwongen behandeling in een forensisch psychiatrische kliniek. ,,Nodig ook, want die jongen bleef maar doorgaan.”

    De een een zegt: er was wel dwang, de ander zegt: het was vrijwillig. Dat maakt het zo lastig

    Geerte Burgers

    Het lastigste aan zedenzaken is natuurlijk dat het vaak neerkomt op het ene woord tegen het andere. ,,Vaak waren er maar twee mensen bij van wie de één zegt dat iets wel is gebeurd waar de ander zegt van niet. De een zegt: er was wel seks, de ander zegt van niet. De een een zegt: er was wel dwang, de ander zegt: het was vrijwillig. Dat maakt het zo lastig.”

    Vaak zit het OM dan ook tegen het ‘bewijsminimum’ aan. ,,In aanvulling op een aangifte kunnen bijvoorbeeld waargenomen emoties bij een slachtoffer, of bewijs dat de verdachte op de plaats delict is geweest, voldoende steunbewijs zijn om tóch tot het wettig bewijs te komen. Maar of dat zo is hangt sterk af van de omstandigheden.”

    Sommige dingen kúnnen niet wachten
    Er zijn dan ook heel veel zedenzaken die uitmonden in sepot: het Openbaar Ministerie besluit dan een strafbaar feit niet te vervolgen. Volgens landelijke cijfers wordt bijna 60 procent van de verkrachtingsdossiers niet verder in behandeling genomen. En uiteindelijk leidt ongeveer een op de vijf aangiftes tot een veroordeling bij de rechter.

    We hoeven niet per se iemand veroor­deeld te krijgen, we zijn op zoek naar de waarheid

    Geerte Burgers

    Burgers bestrijdt dat dit te maken heeft met gebrek aan capaciteit bij politie en het OM. In Oost-Brabant is de werkdruk bij de recherche zó hoog, dat de helft van de dossiers langer dan wenselijk op de plank blijft liggen. Nee, natuurlijk komt dat een zaak niet altijd ten goede, geeft ze wel toe ,,Bijvoorbeeld bij het horen van getuigen. Daar geldt natuurlijk hoe sneller, hoe beter.” Maar dat het OM het daardoor soms laat lopen? Nee! ,,Aangiften worden wél allemaal opgepakt. En we bepalen natuurlijk wel welke handelingen prioriteit hebben, bijvoorbeeld sporenonderzoek op een lichaam. Dat kan níet wachten.”

    Op zoek naar de waarheid
    Samen met de politie maakt het OM voor elke zaak een apart plan. ,,Hoe steek je de zaak in? Waar zitten de bewijstechnisch lastige punten en hoe kunnen we daar iets aan doen? Dat kan van alles zijn: tactische opsporing zoals het horen van getuigen, bijvoorbeeld de eerste tegen wie het slachtoffer haar verhaal heeft gedaan. Technisch onderzoek kan, zoals een forensisch-medisch onderzoek bij het slachtoffer. Dna- en spermasporen kunnen daarbij belangrijke bewijstechnische waarde hebben. Maar je kunt een rapport laten maken over het slachtoffer, bijvoorbeeld om te kijken of iemand wel in staat is om zijn seksuele wil te bepalen.”

    Soms worden ook telefoons afgetapt om bewijs te vergaren. ,,Dat kan natuurlijk ook in ontlastende zin zijn: we hoeven niet per se iemand veroordeeld te krijgen, we zijn op zoek naar de waarheid.”

    Het gebeurt ook wel eens dat een slachtoffer zélf afziet van aangifte, maar dat het OM de zaak toch doorzet. Bijvoorbeeld als het gaat om een verdachte die al vaker in beeld is geweest, maar toen niet gepakt kon worden. ,,Als de zaak zich daar nu wel voor leent, gaan we die toch vervolgen omdat het maatschappelijk belang dat vraagt. Dat proberen we dan natuurlijk wel goed uit te leggen aan het slachtoffer.”

    WET VAN GRAPPERHAUS

    Voor verkrachting moet onder de huidige wet worden bewezen dat er sprake was van dwang. Als het aan minister Grapperhaus ligt, wordt dat binnenkort anders: dan wordt alle onvrijwillige seks strafbaar. Met andere woorden: een verdachte kan dan veroordeeld worden als hij wist of had moeten weten dat het slachtoffer geen seks wilde. Ook als er geen sprake is van dwanghandelingen.

    Of dat gaat helpen in de strijd die bewijs verzamelen heet? Burgers houdt zich op de vlakte: ,,Het is niet aan mij me uit te laten over nieuwe wetgeving in wording. En hoe het in de praktijk zal uitpakken, is afwachten. Wat ik wel herken, is dat slachtoffers heel verschillend op seksueel overschrijdend gedrag kunnen reageren. En sommige reacties zijn bewijstechnisch makkelijker dan andere, laat ik het zo zeggen. Andere – heel natuurlijke – reacties zijn veel moeilijker binnen de huidige strafrechtelijke bepalingen te vangen.”

    Bron: de Gelderlander >>

    #259530
    Luka
    Moderator

    Aangifte doen na seksueel geweld
    Als je een nare seksuele ervaring hebt meegemaakt, bijvoorbeeld een aanranding of verkrachting, kun je daarvan aangifte doen.

    De (zeden)politie is onderdeel van het Centrum Seksueel Geweld, maar wordt alleen ingeschakeld als jij dat wilt. Contact met de politie is dus niet verplicht. Als je toch naar de politie wilt, maken ze zo snel mogelijk een afspraak met je op het politiebureau. De politie kan je dan uitleg geven over wat het betekent als je aangifte doet.

    Informatief gesprek met de politie na seksueel geweld
    Je hoeft niet gelijk aangifte te doen als je met de politie in gesprek gaat. Je hebt altijd eerst een informatief gesprek met de politie. Dit gesprek wordt ook wel een melding genoemd. Twee zedenrechercheurs van de politie vertellen jou wat het betekent als je aangifte doet. Jij vertelt in dit gesprek wat je hebt meegemaakt. Dat is nog geen aangifte. Jij beslist daarna zelf of je aangifte doet. In dat geval gaat de politie onderzoeken wat er feitelijk is gebeurd. Als je beslist om geen aangifte te doen, blijft het bij een melding. Je mag ook altijd later nog aangifte doen.

    Sporenonderzoek door de politie na seksueel geweld
    Als je binnen zeven dagen na het misbruik bij het Centrum Seksueel Geweld komt, kan de politie een sporenonderzoek doen. Dit gebeurt alleen als jij dit wilt. Tijdens een sporenonderzoek verzamelt een forensisch arts biologische sporen van de verdachte op of in jouw lichaam, zoals haren, speeksel en sperma. Deze sporen kunnen je aangifte ondersteunen. Voor sporenonderzoek is het belangrijk dat jij je zo snel mogelijk na het misbruik meldt bij het Centrum Seksueel Geweld. Na een week zijn er namelijk geen biologische sporen meer te vinden van de verdachte op of in je lichaam. Bekijk hier onze Sporenkaart.

    Sporenonderzoek en aangifte na seksueel geweld
    Als je na het meemaken van een nare seksuele ervaring sporenonderzoek door de politie laat doen, ben je niet verplicht om aangifte te doen. Jij beslist zelf of je wel of geen aangifte doet. De sporen kunnen voor een langere tijd bewaard blijven. Dat betekent dat je ook later nog aangifte kunt doen.

    Contact met de politie
    Wil je zelf in contact komen met de politie? Bel dan 0900-8844 en vraag naar de zedenpolitie bij jou in de buurt. Anoniem chatten met de politie kan via vraaghetdepolitie.nl

    Bron: CSG >>

    #267526
    Mark
    Moderator

    Wat eerst: trauma- behandeling of aangifte?
    TEKST: Iva Bicanic en Richard Korver

    Regelmatig krijgen we de vraag voorgelegd van (ouders van) slachtoffers van seksueel misbruik: eerst traumabehandeling of eerst aangifte? Wij zijn van mening dat aangifte in principe voorrang heeft. Maar hoe snel daarna kan de traumabehandeling starten? Is het nodig te wachten totdat de hele rechtsprocedure is afgerond?

    Als iemand voor de keuze staat tussen aangifte of trauma- behandeling, heeft – bezien vanuit het belang van waarheidsvinding en het voorkomen van recidive – aangifte meestal de voorkeur. Op die manier kan de politie onder de beste omstandigheden, dus zonder eventuele beïnvloeding of contaminatie, iemand verhoren. Maar heeft een trauma- gerichte behandeling wel invloed op het juridisch proces?

    Lees verder >>

    #270098
    Luka
    Moderator

    Is aangifte doen altijd het beste voor slachtoffers van seksueel wangedrag?

    Slachtoffers van zedendelicten, zoals bij The Voice of Holland, proberen vooral hun leven weer terug te krijgen.

    De samenleving spreekt schande van de wantoestanden bij The Voice of Holland. Slachtoffers wordt gevraagd zich te melden en eventueel aangifte te doen. Is dat altijd het beste? En hoe moeten de media omgaan met dit schandaal?

    Slachtoffers van seksueel geweld willen vooral zichzelf terugvinden, weer greep krijgen op hun leven, zegt Iva Bicanic van het Centrum Seksueel Geweld. Aangifte doen kan helpen. “Je hebt dan in elk geval het idee dat je iets doet”, zegt Bicanic. “Maar het is daarbij belangrijk dat je als slachtoffer goed geïnformeerd blijft gedurende het hele traject van het politieonderzoek. Soms duurt het twee jaar voordat het tot een rechtszaak komt.”

    Wat wil het slachtoffer?
    Daarom is het volgens advocaat Ruth Jager belangrijk dat slachtoffers van tevoren goed nadenken over wat zij willen bereiken. “De politie houdt een informatief gesprek, dan moet het slachtoffer nadenken over vervolgstappen, zoals een eventuele aangifte. Maar als er aangifte is gedaan, dan is het uit handen van het slachtoffer. Mensen denken dat ze een aangifte kunnen intrekken. Maar als het bij de politie ligt, moet die onderzoek doen. En als de officier van justitie zegt: ik ga vervolgen, kan het slachtoffer niet zeggen: ik wil niet meer, omdat dan alles wordt opgerakeld terwijl ik het voor mijzelf heb afgesloten.”

    Denk dus goed na, laat je als slachtoffer informeren, zegt Jager. Er zijn namelijk meer stappen die een slachtoffer kan zetten om met seksueel misbruik om te gaan dan de stap naar het strafrecht. “Andere middelen dan het strafrecht zijn bijvoorbeeld het starten van een civiele procedure die strekt tot vergoeding van schade of in uitzonderlijke gevallen zelfs bemiddeling.”

    ‘Een sepot betekent niet dat het niet is gebeurd’
    Het bewijzen van misbruik is moeilijk. Volgens Bicanic wordt de helft van de aangiftes geseponeerd vanwege gebrek aan bewijs. “Superfrustrerend voor de slachtoffers. Sepot betekent niet dat het niet is gebeurd. Maar dat kan wel zo worden geïnterpreteerd. Zeker de verdachte zal dat zo vertalen naar zijn netwerk.”

    Het percentage slachtoffers van een zedendelict dat aangifte doet ligt rond de 10 procent. “Aangifte heeft niet de hoogste prioriteit”, zegt Bicanic. “Soms zitten mensen er niet op te wachten om in detail hun verhaal te doen. Of ze zijn er niet op uit om de verdachte achter de tralies te krijgen. Slachtoffers hebben veel aan hun hoofd. Hoe vind ik mijn leven, mezelf terug? Dat speelt zeker bij langdurig misbruik, vooral als dat in de eigen familie is gebeurd. Dan is het een hele klus je weer thuis te voelen in deze wereld en jezelf en anderen te vertrouwen. De samenleving wil graag dat slachtoffers aangifte doen, maar slachtoffers zelf niet altijd.”

    Teleurgesteld in de media
    Over de media heeft Bicanic zich afgelopen week verbaasd. Of beter: ze is teleurgesteld. “Wat een opwinding. Dat is helemaal niet goed. Het is veel beter om kalm te blijven. Dat zeggen wij ook tegen ouders van kinderen bij wie het uitkomt. Want als ouder geef je de maat van het verwerken aan. Als samenleving moet je ook uitstralen dat er geen paniek is, dus voer geen hetze en verketter de beschuldigde personen niet. Daar is niemand mee geholpen. Zeker de slachtoffers niet.”

    “Nog een tip: als media over deze zaak berichten, zet er dan een telefoonnummer bij, net als bij berichten over zelfdoding. Met een tekst als: ‘Het kan zijn dat dit bericht u ontregelt, is dat het geval dan kunt u bellen naar Centrum Seksueel Geweld, telefoonnummer 0800-0188’. Dat doet recht aan de omvang en impact van misbruik waar twee miljoen Nederlanders mee te maken hebben.”

    De helft van die twee miljoen is vastgelopen, zegt Bicanic. “Hoe weet je dat het niet goed met je gaat? Dat weet je als je er heel erg vaak aan denkt en enorm je best doet er niet aan te denken, als je een kort lontje hebt, prikkelbaar bent, slecht slaapt, bepaalde situaties en mensen vermijdt, troost zoekt in alcohol. Dat soort dingen. Na misbruik heb je een hoog risico op problemen later. Psychische problemen, maar ook lichamelijke, zoals bekkenbodemproblemen, seksuele problemen, hoofdpijn, spanningspijn. De impact is echt groot, ook voor mensen om de slachtoffers heen.”

    Effect bij aangifte tegen bekende mensen
    Antony Pemberton werkt als victimoloog en senior onderzoeker aan het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving en ziet een parallel met eerdere misbruikschandalen. In de film- en artiestenwereld bijvoorbeeld. Hij waarschuwt alvast voor een effect dat vaker is te zien bij aangifte tegen beroemdheden.

    “Als tegen bekende mensen aangifte wordt gedaan, zie je dat sommigen zeggen: het zal wel aandachttrekkerij zijn, of: ze heeft het zelf gewild. Nu is het lastig te onderzoeken om welk percentage het gaat, maar ‘het is aandachttrekkerij’ wordt veel vaker gezegd dan dat het werkelijk zo is. Voor slachtoffers is het eng om tegen beroemde en machtige figuren stappen te ondernemen. Nu de eerste slachtoffers in de zaak rond TVOH dat hebben gedaan, kunnen er meer volgen. Dat effect hebben we in het verleden vaker gezien.”

    Bron: Trouw >>

    #270229
    Luka
    Moderator

    ALS JE DOOR JE AANGIFTE VAN SEKSUEEL MISBRUIK NÓG EENS SLACHTOFFER WORDT

    Urenlang je verhaal moeten doen of als minderjarige een openbare rechtszaak krijgen, omdat je verkrachter al wel meerderjarig is. Het aangifteproces is niet ingericht op de behoeftes van slachtoffers van seksuele misdrijven, stellen experts. ‘Ik weet zeker dat er meer aangiftes zouden komen, als ik kon garanderen dat iemand niet naar een zitting hoeft te komen.’


    Het strafproces zou zich te veel op de dader richten, zeggen experts. Katarzyna Bialasiewicz / iStock

    In 2020 deed nog geen 10 procent van de slachtoffers van een seksueel misdrijf aangifte. En als er wél aangifte wordt gedaan, is er vaak onvoldoende aandacht voor het slachtoffer, zeggen experts. Vaak zou het al misgaan tijdens het ‘informatieve gesprek’. Dat is een gesprek dat ieder slachtoffer krijgt, nadat diegene een melding van een seksueel misdrijf heeft gemaakt.

    Danique* (28) belandt op 17-jarige leeftijd in een ‘giftige’ relatie. Haar zes jaar oudere vriend vermijdt na verloop van tijd contact in het openbaar. Tegelijkertijd overschrijdt hij wel haar (seksuele) grenzen. “Ik ben huilend ontmaagd, maar stemde ermee in omdat hij vertelde dat het normaal was en het erbij hoorde.” Pas zeven jaar na het beëindigen van de relatie ziet Danique in dat ze slachtoffer is van seksueel misbruik.


    ALS ZE NA EEN UUR KLAAR IS MET VERTELLEN, STELT DE RECHERCHEUR: ‘DIT IS NIET STRAFBAAR’

    Vorige week ging ze naar de zedenpolitie voor een informatief gesprek. “Ik wil kenbaar maken dat het probleem van seksueel misbruik groter is dan de gevallen waarin iemand door een vreemde man de bosjes in wordt getrokken.” Als ze na een uur klaar is met vertellen, stelt de vrouwelijke rechercheur: ‘Dit is niet strafbaar.’ Volgens de agente kan Danique geen aangifte doen, omdat er onvoldoende bewijs is dat er destijds sprake is geweest van dwang.

    Hoewel Danique rekening had gehouden met de boodschap dat de dader niet strafrechtelijk vervolgd kon worden, komt de boodschap toch hard aan. Opmerkingen van de rechercheur geven haar opnieuw het gevoel dat het haar eigen schuld is geweest. Volgens Danique vertelt de agente haar tijdens het gesprek: ‘Je hebt zelf gekozen om een relatie met hem te nemen.’ En: ‘Je hebt er uiteindelijk toch zelf mee ingestemd.’

    Een woordvoerder van de politie laat via de telefoon weten dat het niet de bedoeling is om iemand tijdens het informatieve gesprek te ontmoedigen om aangifte te doen: “Iedereen heeft het recht aangifte te doen. Uiteindelijk is het aan het Openbaar Ministerie en aan de rechter om te bepalen of er voldoende bewijslast is voor een veroordeling.” Danique overweegt nog of ze haar aangifte alsnog zal doorzetten.

    DE DADER STAAT CENTRAAL
    Daniques ervaring staat niet op zichzelf, weet Rob Kelder van Fier, een landelijk expertise- en behandelcentrum dat zich onder andere richt op seksueel geweld. Het strafproces richt zich te veel op de dader en onvoldoende op het slachtoffer, vindt hij. “De politie en het Openbaar Ministerie zijn er uiteindelijk niet voor het slachtoffer, zij worden afgerekend op het succes in opsporing en vervolging.”


    KEER OP KEER JE VERHAAL DOEN, KAN VOOR EEN SLACHTOFFER ERG BELASTEND ZIJN

    Kelder weet uit de praktijk dat het voor een slachtoffer bijvoorbeeld erg belastend is om keer op keer zijn/haar/hun verhaal te doen. Op verzoek van de advocaat van de verdachte kan een slachtoffer ter rechtszitting te worden opgeroepen. Dat is vaak erg stressvol en kan leiden tot ‘secundaire victimisatie’, oftewel hernieuwd slachtofferschap. Daarbij wordt iemand die al het slachtoffer van iets is geworden, nogmaals het slachtoffer van de manier waarop dat behandeld wordt. “Ik weet zeker dat er meer aangiftes zouden komen, als ik slachtoffers kon garanderen dat ze niet naar zitting hoeven komen”, aldus Kelder.

    Ook bij het vooronderzoek kan een slachtoffer als getuige worden opgeroepen. De rechter-commissaris1 die het verhoor leidt, draagt de verantwoordelijkheid om tijdens het verhoor in te grijpen om secundaire victimisatie te voorkomen. Uit onderzoek van het Centrum Kinderhandel en Mensenhandel blijkt echter dat er geen standaard protocol is voor hoe de rechter-commissaris dat gesprek moet leiden. De belevenis van het slachtoffer is dus afhankelijk van de kennis en kunde van de rechter-commissaris. Het CKM is in 2018 samen met de politie met een proeftuin gestart om het aangifteproces aan te laten sluiten op de belevingswereld van slachtoffers. Onderdeel daarvan is om rechter-commissarissen er beter voor op te leiden, zodat slachtoffers zich in te toekomst beter gehoord en begrepen voelen.

    Hoe doe ik aangifte bij de politie?

    1. Je kunt bellen naar 0900 – 8844 om met de politie een afspraak te maken voor een informatief gesprek.
    2. Tijdens het informatieve gesprek vertel je kort aan de zedenrechercheurs wat er is gebeurd. Daarbij leggen zij ook uit wat je van het proces kunt verwachten.
    3. Mocht er lichamelijk onderzoek nodig zijn, dan moet dat zo snel mogelijk gebeuren. Dit kan tot maximaal 1 week na het seksueel misbruik
    4. Als blijkt dat er mogelijk iets strafbaars gebeurd is, dan kun je aangifte doen. Je vraagt daarmee de politie om verder onderzoek te doen
    5. De keuze om aangifte te doen is vaak lastig. Je mag daarom de tijd nemen om een goede beslissing te kunnen maken. Tijdens die bedenktijd kun je ook juridisch advies vragen.
    6. Als je besluit aangifte te doen, dan volgt het aangiftegesprek. De zedenrechercheurs vragen je dan gedetailleerd naar het seksueel misbruik.
    7. Als je geen aangifte doet, dan wordt zowel de telefonische melding als het informatieve gesprek vastgelegd.
    8. Wil je niet naar de politie? Dan kun je onder meer terecht bij:
    Centrum Seksueel Geweld: 0800 – 0188 (gratis)
    Slachtofferhulp Nederland: 0900 – 0101 (gebruikelijke belkosten)

    HET AANGIFTEGESPREK: ‘URENLANG HERBELEVEN’
    Al in 2020 concludeerde de Inspectie van Justitie en Veiligheid dat slachtoffers zich door het informatieve gesprek gestuurd kunnen voelen om geen aangifte te doen. Aan de hand van aanbevelingen uit het rapport is het (niet-openbare) Handelingskader Informatief Gesprek opgesteld. Daarin staan richtlijnen om het contact met slachtoffers te verbeteren. Hoewel de inhoud van het gesprek nu in elke situatie gelijk zou moeten zijn, ziet Kelder ook bij zijn cliënten dat de toon van de rechercheur bepalend kan zijn. “Het blijft helaas mensenwerk.”


    TIJDENS EEN VERHOOR PROBEERT DE POLITIE ZOVEEL MOGELIJK DETAILS TE VERZAMELEN

    Roy Heerkens, persvoorlichter bij Slachtofferhulp Nederland, weet vanuit de ervaringen van slachtoffers, dat aangifte doen een belastend proces kan zijn. “Het is meestal jouw verhaal tegen dat van een ander. Forensische sporen zijn vaak al binnen een week van het lichaam verdwenen.” Als iemand besluit om na zeven dagen aangifte te doen, is er naast de verklaring van het slachtoffer meestal weinig aanvullend bewijs. De politie probeert daarom tijdens het verhoor zoveel mogelijk details te verzamelen.

    Daardoor wordt het vaak een langdurig en belastend verhoor. Thysia Huisman (48) en Anne van Dijk (18) deelden al eerder hun ervaringen op OneWorld.nl. Beiden werden tijdens hun aangifte meer dan vier uur lang verhoord. Huisman: “Het was een eigenlijk een urenlange herbeleving. De politie neemt je terug naar de details van hoe het gebeurde. Ze willen bijvoorbeeld precies weten hoe je op zijn bed lag.” Zij werd overigens in Frankrijk verhoord, waar haar misbruik plaatsvond.

    Kelder begrijpt dat de aangifte zo scherp mogelijk op papier moet komen te staan. Toch zou de politie volgens hem wat creatiever mogen zijn. Waarom slachtoffers bijvoorbeeld niet via een beveiligde lijn met rechercheurs laten chatten, om afstand te creëren? “Ik geloof dat het voor jongeren een makkelijkere manier is om hun verhaal tot in de details te vertellen.”

    Wat voor veel minderjarige slachtoffers ook een belangrijke drempel vormt, is het feit dat rechtszaken waarbij het slachtoffer minderjarig is, maar de verdachte meerjarig, in beginsel in het openbaar plaatsvinden. Kelder vindt dat opvallend, want: “Als de verdachte minderjarig is, dan vindt een rechtszaak min of meer standaard achter gesloten deuren plaats.” Waarom dit niet ook voor minderjarige slachtoffers zo geregeld is, begrijpt hij niet. “Voor veel slachtoffers zal het een verschil maken, als ze weten dat de zitting achter gesloten deuren plaatsvindt.”

    ‘WE ZIJN ERMEE BEZIG’
    Nadat Huisman aangifte heeft gedaan, duurt het nog meer dan een jaar voordat de verdachte kan worden opgepakt. Die onzekere tijd heeft invloed op haar hele functioneren. “Elke keer dat ik naar de politie belde, zeiden ze: we zijn er mee bezig, maar er is nog geen nieuws. Dat er maar niks leek te gebeuren, daar ging ik echt onder gebukt.”

    Ook Frank Noteboom, hoofd van het Centrum Kinderhandel en Mensenhandel, ziet dat slachtoffers na een aangifte vaak in het ongewisse blijven over verdere ontwikkelingen. “We hebben meerdere slachtoffers gesproken die aangeven dat ze via Facebook vernamen dat een verdachte weer op vrije voeten is. Dat is natuurlijk dodelijk voor het vertrouwen [in de politie] van een slachtoffer. Terwijl dat vertrouwen nou juist zo belangrijk is.”


    DE POLITIE WIL MINSTENS 80 PROCENT VAN DE ZEDENZAKEN BINNEN ZES MAANDEN NAAR HET OM TE STUREN

    Hoewel Noteboom begrijpt dat het verzamelen van bewijsmateriaal veel tijd kost, gelooft hij ook dat de lange doorlooptijden het gevolg zijn van een beperkte politiecapaciteit. De politie heeft als norm om 80 procent van de zedenzaken uiterlijk binnen zes maanden na het opnemen van de aangifte naar het OM te sturen, maar blijkt dit in veel gevallen niet te halen. In augustus vorig jaar waren er 828 zedenzaken na een halfjaar nog in behandeling bij de politie. In totaal waren er op dat moment ongeveer 3500 zaken in behandeling.

    Volgens de woordvoerder van de politie ligt de oorzaak van deze achterstand deels bij het feit dat opsporingszaken op het zedengebied steeds complexer zijn geworden. “Tegenwoordig moeten ook vaak digitale sporen onderzocht worden. Telefoons die bijvoorbeeld onderzocht moeten worden, maken het opsporingswerk ingewikkelder dan vijftien jaar geleden.”

    In 2020 kondigde het kabinet aan structureel 15 miljoen euro extra uit te trekken om de achterstanden bij de zedenpolitie weg te werken. Volgens de woordvoerder van de politie zijn de problemen hier echter niet direct mee opgelost. “De opleiding tot zedenrechercheurs is een specialistisch traject. Hoewel het opleidingstraject is verkort van 30 naar 22 weken, zal het nog zeker een jaar duren voordat de achterstanden kunnen worden ingelopen.”

    *Danique wilde haar verhaal enkel anoniem delen. Daarom wordt zij onder een gefingeerde naam opgevoerd. Haar echte naam is bij de redactie bekend.

    Een rechter-commissaris is een rechter die toezicht houdt op de voortgang en rechtmatigheid van het opsporingsonderzoek dat onder leiding staat van de officier van justitie. ↩︎

    Bron: One World >>

10 berichten aan het bekijken - 21 tot 30 (van in totaal 34)
  • Je moet ingelogd zijn om een antwoord op dit onderwerp te kunnen geven.
gasten online: 19 ▪︎ leden online: 3
Dina, Gloria, Ivo
FORUM STATISTIEKEN
topics: 3.309, reacties: 17.990, leden: 2.172