Aangifte doen & juridische hulp

  • Dit onderwerp bevat 27 reacties, 3 deelnemers, en is laatst bijgewerkt op 22/06/2021 om 21:15 door Luka.
25 berichten aan het bekijken - 1 tot 25 (van in totaal 28)
  • Auteur
    Berichten
  • #216071
    LSG
    Beheer
    Topic starter

    In dit topic vind je websites en online artikelen met informatie over:

    Aangifte doen & juridische hulp

    Wil je zelf een website of online artikel toevoegen? Plaats dan eerst de url en daaronder eventueel een korte beschrijving.

    #216506
    Luka
    Moderator

    Slachtofferwijzer.nl

    Als slachtoffer van seksueel misbruik kun je ervoor kiezen om aangifte te doen tegen de pleger. Dit is voor veel mensen een lastige beslissing. Wees je ervan bewust dat seksueel misbruik strafbaar is, ook als het blijft bij bedreigingen. De politie kan je helpen bij het nemen van een besluit. Mocht je aangifte willen doen en wil je voorkomen misschien lang op het politiebureau te moeten wachten, maak dan van tevoren een afspraak via 0900-8844.

    Lees verder op slachtofferwijzer.nl >>

    #216507
    Luka
    Moderator

    Politie.nl

    Heeft u aanwijzingen dat iemand slachtoffer is van een zedendelict? Een vriendin, broer of zus? Of een kind bij u in de buurt of op de sportvereniging? Of bent u zelf slachtoffer van seksueel misbruik? Hier leest u wat de politie voor u kan doen en waar u verder hulp kunt vragen.

    Lees verder op politie.nl >>

    #216509
    Luka
    Moderator

    Seksueelmisbruik.info

    Slachtoffers van seksueel geweld kunnen op het politiebureau terecht om te vertellen wat er gebeurd is. Dit betekent niet dat er perse aangifte gedaan hoeft te worden. De politie heeft de taak om een slachtoffer goed op te vangen.

    In principe maakt een informatief gesprek altijd deel uit van de opvang door de politie. In dit gesprek vertelt ze onder meer over de juridische mogelijkheden en de vereisten voor het doen van een melding of een aangifte Ook beschikt de politie over adressen in de regio waar het slachtoffer hulp kan krijgen. Bij een melding van seksueel geweld wordt er door de politie geen proces-verbaal opgemaakt. Dit betekent dat het vervolg, een politieonderzoek, achterwege blijft. Er vindt dus ook geen strafrechtelijke vervolging van de dader plaats.

    Een melding kan ook door iemand anders dan het slachtoffer worden gedaan. Het is bovendien mogelijk een anonieme melding te doen: het is namelijk niet verplicht om naam en adres van het slachtoffer op te geven.
    Voor de politie is het belangrijk dat seksueel geweld in ieder geval gemeld wordt. Deze informatie kan van belang zijn, als er andere aangiften of meldingen over dezelfde verdachte bij de politie binnenkomen.

    Lees verder op seksueelmisbruik.info >>

    #224225
    Luka
    Moderator

    Slachtoffer van geweld app voor jongeren

    Slachtoffer app

    Kijk welke instanties jou kunnen helpen bij schade en herstel

    Waar kun je als jongere met je hulpvraag terecht als je slachtoffer van geweld bent? De online tool is bedoeld voor jeugdprofessionals om samen met jongeren te gebruiken.

    Deze app is tot stand gekomen in samenwerking met het Ministerie van Veiligheid en Justitie, Slachtofferhulp Nederland, Perspectief Herstelbemiddeling (voorheen Slachtoffer in Beeld) en Schadefonds Geweldsmisdrijven en maakt deel uit van het JeugdConnect platform.

    #225982
    Luka
    Moderator

    Een individuele beoordeling op kwetsbaarheid is vanaf 1 juni 2018 onderdeel van de aangifte

    Vanaf 1 juni starten politie, Openbaar Ministerie (OM) en Slachtofferhulp Nederland met een werkwijze waarbij meer aandacht is voor het beschermen van slachtoffers van een misdrijf.

    Vanaf het eerste persoonlijke contact met de politie wordt beoordeeld of er sprake is van een verhoogde kans op herhaling. Sommige slachtoffers lopen meer risico op herhaald slachtofferschap, secundaire victimisatie (slachtoffer van het systeem), intimidatie en vergelding dan andere slachtoffers. Deze werkwijze van beoordelen en beschermen komt voort uit de EU-richtlijn ‘Minimumnormen voor slachtoffers’ en helpt bij het beter kunnen beoordelen en beschermen van kwetsbare slachtoffers.

    Wat houdt de nieuwe werkwijze in?
    De politie beoordeelt vanaf 1 juni 2018 bij de fysieke aangifte of een slachtoffer kwetsbaar is en of er een beschermbehoefte is vanuit Slachtofferhulp Nederland nodig is. Bij bepaalde slachtoffers zijn extra maatregelen nodig, zoals afscherming van woon- of verblijfadres, contact- of gebiedsverbod, afspraak op locatie of bijstand bij verhoor. Vervolgens is in alle stappen van het rechtsproces aandacht voor het slachtoffer en werken de Politie, OM en Slachtofferhulp nauw samen.

    Deze werkwijze van beoordelen en beschermen van slachtoffers is de eerste mijlpaal in de Meerjarenagenda Slachtofferbeleid 2018-2021 die de minister voor Rechtsbescherming Sander Dekker op 22 februari jongstleden presenteerde. Minister Dekker: “De nieuwe werkwijze van politie, OM en Slachtofferhulp Nederland stelt het slachtoffer centraal. En biedt betere bescherming en begeleiding waar nodig. Dit kan veel extra leed voor slachtoffers voorkomen. Eén keer slachtoffer zijn is al erg genoeg.”

    Rol Slachtofferhulp Nederland
    In al onze cliënt contacten hebben wij straks structureel aandacht voor de beschermingsbehoefte van een slachtoffer door opgestelde criteria en verdiepingsvragen. En daarmee informatie welke aanleiding kan zijn tot wijzigen van een beschermingsmaatregel. Denk aan informatie over financieel/juridische, psychische, lichamelijke en sociaal/ maatschappelijke gevolgen van het delict voor het slachtoffer. En of het slachtoffer zelf van mening is dat er sprake is van een onveilige situatie of een risico is op herhaald slachtofferschap. Slachtofferhulp Nederland heeft een signalerende en monitorende functie en heeft een rol om het slachtoffer te informeren, adviseren en indien nodig het slachtoffer te ondersteunen om een (gewijzigde) beschermingsbehoefte kenbaar te maken aan de politie of het OM.

    Met deze implementatie van de richtlijn gaat het beoordelen en beschermen van alle slachtoffers die aangifte doen structureel en gestructureerd plaatsvinden. De werkwijze individuele beoordeling van slachtoffers is al op veel plekken getest in de praktijk.

    Bron: Slachtofferhulp.nl >>

    #227577
    Luka
    Moderator

    Als seksueel misbruik voor de rechter komt

    Per dag worden in België 8 aangiftes gedaan van verkrachting. Slechts 1 op de 10 slachtoffers doet effectief aangifte. Het werkelijke aantal ligt dan ook veel hoger; naar schatting 80 verkrachtingen per dag. Hoe gaat het verder als daar gevolg aan wordt gegeven met een gerechtelijke procedure? En hoe kan het dat daders vaak onbestraft blijven?

    Hoewel de grote psychologische en fysieke gevolgen van verkrachting bekend zijn, leiden in België slechts 120 van de 3.000 jaarlijkse aangiftes daadwerkelijk tot een veroordeling. Dat cijfer ligt lager dan het Europese gemiddelde. België behoort daarmee tot de zeven Europese landen waarbij een aangifte het minst vaak leidt tot veroordeling.

    Tussen 2009 en 2011 werd 44% van de verkrachtingszaken bij het parket geseponeerd zonder gevolg: daarvan 56% wegens gebrek aan bewijzen en 17% omdat de dader onbekend was. Als andere redenen waarom verkrachtingszaken geseponeerd worden, werden onder meer het gedrag van het slachtoffer, de beperkte maatschappelijke weerslag of het feit dat het ging om een misdrijf van relationele aard (terwijl verkrachting binnen het huwelijk wel degelijk strafbaar is) als reden aangehaald om een zaak te seponeren, blijkt uit onderzoek van Amnesty International.

    Ook blijkt uit nieuw onderzoek van rechtspsycholoog André de Sutter dat 95% van de aangiftes wel degelijk echt is en vooral dat de meeste verkrachtingen geen typische gewelddadige verkrachtingen zijn zoals we ze kennen uit Hollywoodfilms.

    Wij spraken met Yente Neelen, doctoraatstudent seksueel strafrecht aan de UGent, en vroegen haar hoe dit eigenlijk allemaal in zijn werk gaat op juridisch vlak.

    Laten we beginnen met de bewijzen. Wat voor bewijs kan er gebruikt worden als seksueel misbruik leidt tot een strafzaak?
    “In principe kunnen er in strafzaken allerlei soorten bewijs aangebracht worden. Voorbeelden die gebruikt kunnen worden zijn vaststellingen door een geneesheer, die het slachtoffer heeft onderzocht. Of resultaten van de SAS, dat is de zogenaamde ‘seksueel agressie set’, waarmee gekeken wordt of er sporen van geweld of dna zijn achtergebleven op het lichaam van een slachtoffer. Daarnaast zijn er de verklaringen van de beklaagde, het slachtoffer en eventuele getuigen. Wanneer de politie huiszoekingen heeft gedaan, dan kunnen de resultaten daarvan ook als bewijs dienen. Tot slot zijn er nog de psychologische onderzoeken van beklaagde en slachtoffer.”

    In sommige gevallen, bijvoorbeeld bij aanranding zonder getuigen, kan het echter zo zijn dat er geen bewijs is. Wat als het enkel jouw woord is tegen dat van een ander?
    “De magistraat beoordeelt de bewijswaarde van een verklaring. Het gebeurt niet vaak, maar er is een beperkt aantal zaken waarbij consistente verklaringen van het slachtoffer als voldoende werden beschouwd en een dader veroordeeld kon worden. Maar over het algemeen vindt de rechter enkel een verklaring van het slachtoffer niet voldoende bewijs om iemand te veroordelen. Of een zaak sterk genoeg is om ermee naar een rechter te stappen, wordt bepaald door het vervolgingsbeleid van het betrokken parket. We hebben geen overzicht van de klachten die uiteindelijk bij de rechtbank terechtkomen, die gegevens zijn niet openbaar. Het parket heeft hier zicht op.”

    Hoe gaat de rechter te werk bij het nemen van een beslissing in een zaak rond seksueel misbruik?
    “De rechter heeft altijd de bevoegdheid om te individualiseren. De rechter bekijkt per zaak welke elementen er precies hebben meegespeeld. Binnen de wet is er altijd een minimum- en maximumstraf, en de rechter gaat op zoek naar een passende straf binnen de minimum- en maximumstraf. Bepaalde factoren spelen een rol in het vaststellen van de strafmaat, of die hoger of lager zal uitvallen. Zo’n factor kan bijvoorbeeld de leeftijd van het slachtoffer zijn, maar het kan ook de band tussen slachtoffer en dader zijn. Als er bijvoorbeeld een bepaalde relatie is tussen dader en slachtoffer kan het zijn dat de rechter daar ook rekening mee gaat houden. Maar dat verschilt van zaak tot zaak. De rechter is een neutraal, onpartijdig en onafhankelijk persoon, die al de feiten in acht moet nemen.”

    Hoe kan het dat een verkrachtingszaak soms nog heel licht bestraft wordt?
    “Dat moet in een groter geheel gekaderd worden. Het is zo dat verkrachting op dit moment nog altijd automatisch gecorrectionaliseerd kan worden. Dat wil zeggen dat een misdrijf dat in ons strafwetboek als misdaad wordt gekwalificeerd, geherkwalificeerd wordt tot een wanbedrijf waardoor de minimumstraf in de wet de maximumstraf in de realiteit wordt. Dat gebeurt automatisch en is het beleid in België. Minister van Justitie Koen Geens heeft wel plannen om dit te veranderen.

    Anderzijds is het ook zo dat er het strafuitvoeringsbeleid is. Door de aard van het misdrijf kan het zijn dat er bepaalde voorwaarden worden gekoppeld aan de straf. Dat komt ook voor bij seksuele misdrijven waarbij er bijvoorbeeld probatievoorwaarden gekoppeld worden aan de gevangenisstraf. Dit houdt concreet in dat de uitvoering van de gevangenisstraf uitgesteld wordt mits de opgelegde voorwaarden nageleefd worden. Een voorbeeld van een voorwaarde kan het volgen van therapie zijn, maar evengoed ook het uitvoeren van vrijwilligerswerk, contactverbod met het slachtoffer of het zoeken van werk. De gevangenisstraf moet worden uitgezeten wanneer de maatregelen niet nageleefd worden.”

    Uit onderzoek blijkt dat in 75% van de gevallen de verkrachter een bekende is voor het slachtoffer. Bij minderjarige slachtoffers kent 85% de dader. Wordt dat in de juridische praktijk ook duidelijk?
    “Uit internationaal onderzoek blijkt dat bij gerechtelijke zaken het grootste aantal zaken over bekenden gaat, dus daders die het slachtoffer kent. Dat is ook niet geheel onlogisch omdat, het gemakkelijker is om te vervolgen als de dader bekend is. Wanneer de dader onbekend is, is het veel moeilijker om over te gaan tot vervolging. Er is ook juridisch gezien dus meer bekend van zaken waarbij de slachtoffers de daders kennen.”

    Waar kunnen slachtoffer vandaag terecht?
    “In 2017 zijn er drie proefcentra opgericht voor slachtoffers van seksueel geweld in Brussel, Gent en Luik. Hier kunnen zowel mannelijke als vrouwelijke slachtoffers van seksueel geweld terecht. Hulpverleners komen hier samen met politie en justitie onder een dak . Dus op een plaats kunnen ze de klacht neerleggen terwijl er ook de nodige medische en psychische toestand bekeken wordt. Studie heeft ook uitgewezen dat er een nauw contact moet zijn tussen de diensten die te maken krijgen met de slachtoffers.”

    De #MeToo-beweging begon een jaar geleden. Is er al iets veranderd?
    “Op juridisch vlak zijn er geen veranderingen op dit moment. In 2007 werd er een wet ingevoerd die specifiek over ongewenst seksueel gedrag op het werk gaat. Later, in 2014, kwam daar de seksismewet bij, die verder gaat dan de bestrijding van ongewenst seksueel gedrag op de werkvloer, maar ook betrekking heeft op straatintimidatie. Maar dat was dus voor MeToo.

    Op wetenschappelijk vlak is het heel moeilijk te zeggen of er veranderingen hebben plaatsgevonden. Wetenschappelijke onderzoeken starten eigenlijk nu pas, om te kijken of er iets veranderd is. Een voorbeeld van dergelijk onderzoek is het onderzoek naar de psychologisch impact op slachtoffers van seksueel geweld na de #MeToo-campagne.

    Er zijn natuurlijk wel maatschappelijke veranderingen, in die zin dat er meer getuigenissen aan het licht zijn gekomen en dat seksueel geweld meer aandacht krijgt. Maar juridisch zijn er dus geen veranderingen op dit moment. ”

    We weten nu iets meer over de juridische kant van seksueel geweld, maar seksueel geweld is uiteraard niet enkel een juridische zaak. Zoals Magda de Meyer, voorzitter van de Vrouwenraad een tijd geleden al tegen De Morgen zei: “Seksueel geweld is nog altijd een miskend probleem, omdat het vaak als een privézaak wordt afgedaan. Maar dat is het niet: het is een maatschappelijk probleem dat een dringende aanpak verlangt.”

    Op het nummer 1712 (elke werkdag bereikbaar tussen 9 en 17 u) kan je terecht om situaties van seksueel geweld te melden of hulp te vragen. Meer info is ook op hun website te vinden.

    #229327
    Luka
    Moderator

    Het is nog steeds zijn woord tegen het hare, #MeToo

    Je bent slachtoffer van verkrachting en de rechter straft de dader. Zo gaat het dus vaak niet.
    Het verhaal van Lisa, Ana en Miranda, die op zoek gingen naar gerechtigheid.

    Ook in Nederland leiden ervaringen van seksueel geweld maar zelden tot de berechting van een dader.
    De eerste hobbel is de aangifte zelf. In Nederland doet ongeveer 13 procent van de slachtoffers aangifte, meldt het Centrum Seksueel Geweld.

    Onderzoeksbureau Regioplan onderzocht vorig jaar in opdracht van het ministerie van Justitie en Veiligheid wat de motieven zijn om wel of niet aangifte te doen. Schuldgevoelens, schaamte en een perceptie van machteloosheid – ‘Ik heb toch geen bewijs’ – bleken veel mensen ervan te weerhouden naar de politie te stappen.

    Die gevoelens worden versterkt doordat de verdachte in bijna 85 procent van de gevallen een bekende is – de ervaringen van Lisa en Ana op straat vormen de uitzondering.

    Lees dit premium artikel op volkskrant.nl of als lid van LSG in het ledendeel.

    #233752
    Mark
    Moderator

    Hoe wordt een gepaste straf voor kindermisbruik bepaald?

    Zedenzaken waarbij kinderen zijn betrokken zorgen vaak voor onderbuikgevoelens. Geen straf is hoog genoeg, maar wat zijn eigenlijk de geldende wetten en bijbehorende strafmaten voor seksueel misbruik van minderjarigen?

    Het seksueel misbruiken van twee dochters vanaf hun geboorte, waaronder het seksueel binnendringen en masturberen in het bijzijn van de kinderen, leidde tot een celstraf van drie jaar, waarvan één voorwaardelijk. Een veelgehoorde reactie op het artikel over deze zaak was: waarom zo laag?

    “Zedenmisdrijven en de daarbij horende wetgeving zijn uiterst complex”, geeft landelijk officier Huiselijk Geweld en Zedenzaken Eva Kwakman, onmiddellijk toe. “Je hebt met zo veel factoren te maken. Wat is er gebeurd? Hoe vaak? Wat is het bewijs? En welke straf moet iemand krijgen?”

    Tel daarbij op dat dit vaak tegen de achtergrond van maatschappelijke onrust gebeurt. “Er is vaak sprake van heel veel begrijpelijke emotie, terwijl de politie neutraal onderzoek moet doen”, aldus Kwakman.

    De officier wil wel gelijk duidelijk maken dat Nederland een van de zwaarst straffende landen in Europa is, ook als het om zedenmisdrijven gaat. “Er zijn weleens lezersjury’s (willekeurige mensen die zittingen bijwonen en beoordelen, red.) die vinden vaak dat we te streng straffen als ze alle details kennen.”

    Naar type delict kijken om zedenzaak goed te begrijpen
    Om een zedenzaak die om kindermisbruik en de vervolging hiervan draait goed te kunnen begrijpen, is het goed om naar het type delict te kijken.

    Bij de meeste misdaden heeft er een misdrijf plaatsgevonden en is het aan de politie om de daders hiervan op te sporen.

    Bij zedenzaken is er juist al een naam van de verdachte of verdachten, en richt het onderzoek zich op de vraag of er sprake was van een misdrijf. In dit geval ontucht, en zo ja: welke onvrijwillige seksuele handelingen er hebben plaatsgevonden.

    Tel daarbij op dat de ontucht soms in een ver verleden heeft plaatsgevonden. “Er is dus vaak geen ondersteunend bewijs”, verduidelijkt Bart Swier, een in zedenmisdrijven gespecialiseerde advocaat. Dat zorgt ervoor dat hij cliënten duidelijk moet maken dat zaken moeilijk bewijsbaar zijn of sterker nog: dat het hem “enorm zou verbazen” als iemand ervoor veroordeeld wordt.

    “Zedenmisdrijven en de daarbij horende wetgeving zijn uiterst complex”
    Eva Kwakman, landelijk officier van justitie Huiselijk Geweld en Zeden

    In zedenzaken wordt vaak afgezien van vervolging
    Swiers verhaal vindt steun in een Kamerbrief (pdf) van minister Ferd Grapperhaus (Justitie en Veiligheid) uit juni 2018. Daarin werd geconcludeerd dat in de periode 2015-2018 in gemiddeld 54 procent van de zedenzaken is afgezien van vervolging. In 75 procent van de gevallen was gebrek aan bewijs daarvoor de aanleiding.

    Een harde conclusie, maar Swier wijst erop dat in het strafrecht geldt dat één verklaring niet telt. “Eén getuige is geen getuige”, verduidelijkt hij. “Seksueel misbruik is zeer moeilijk te bewijzen. Het is vrijwel kansloos als het jaren geleden is gebeurd. Zeker als een verdachte ontkent.”

    Het is moeilijk om ontucht te bewijzen
    Maar als het dan toch tot een vervolging komt, is de volgende stap het aantonen van de ontucht. Sporen van verkrachting zijn, los van een seksuele overdraagbare aandoening (soa), tot zeven dagen na de gebeurtenis nog veilig te stellen.

    Maar wat als er sprake was van betasting of, zoals eerder gesteld, misbruik dat lang geleden heeft plaatsgevonden? Een belangrijk bewijsstuk in zaken die draaien om heel jonge kinderen is de verklaring van het slachtoffer zelf. “Want waarom zou een kind daarover liegen?”, verduidelijkt Swier.

    “Het lastigste is wel dat de verklaring van het slachtoffer zo min mogelijk beïnvloed moet zijn door anderen”, voegt Kwakman daaraan toe. “Als ouders horen van het misbruik, gaan zij hun kinderen – heel voorstelbaar – vaak uitgebreid vragen stellen. Dit kan de verklaring beïnvloeden, terwijl er voor een veroordeling geen enkele twijfel mag zijn.”

    Dankzij een beslissing van de Hoge Raad geldt de verklaring van een getuige die van het slachtoffer te horen heeft gekregen dat ze is misbruikt als ondersteunend bewijs.

    Een goed voorbeeld hiervan is de veroordeling van een man die zijn kleindochter heeft misbruikt, van 24 januari jongstleden. Het meisje vertelde in de auto aan haar moeder dat ze was misbruikt. De verklaring van de vrouw en een derde medepassagier werden door de rechter gebruikt bij de veroordeling van de man.

    De vier categorieën voor strafbepaling
    Categorie 1: Ontuchtige handelingen waarbij de minderjarige wordt geconfronteerd met seksuele handelingen zonder aanraking.
    Categorie 2: Ontuchtige handelingen waarbij er sprake is van aanraking.
    Categorie 3: Ontuchtig aanraken van de naakte geslachtsdelen en het oraal, vaginaal of anaal binnendringen anders dan met een geslachtsdeel.
    Categorie 4: Alle ontuchtige handelingen waarbij er sprake is van oraal, vaginaal of anaal binnendringen met een geslachtsdeel.

    Welke straf past bij welk delict?
    Het is aan de officier van justitie om de strafeis te bepalen. Ook hierbij gebruikt Kwakman het woord “complex”. “Er zijn seksuele handelingen die onder verschillende wetsartikelen vallen, met hun eigen strafmaximum. Daarom gaat de zedenwet ook aangepast worden. We gaan bij strafmaat zo veel mogelijk uit van de feitelijke gedraging.”

    Waar Kwakman op doelt, zijn de vier categorieën uit de richtlijn die het OM hanteert, elk met hun eigen zogenoemde strafbandbreedtes, met de vierde categorie als zwaarste. De richtlijn omvat onder meer alle ontuchtige handelingen tegen minderjarigen waarbij er sprake is van oraal, vaginaal of anaal binnendringen met een geslachtsdeel.

    Bij een oordeel wegen strafverhogende en verlagende factoren mee
    De bandbreedte is daarbij minimaal vijftien maanden en een maximum van vier jaar. Deze gaat uit van eenmalig misbruik door een meerderjarige die niet eerder iemand heeft misbruikt.

    Bij het oordeel wordt er vervolgens rekening gehouden met veel mogelijke strafverhogende en -verlagende factoren, zoals bijvoorbeeld recidive.

    Andere strafverzwarende factoren zijn bijvoorbeeld de leeftijd van het kind. De frequentie van het misbruik . Was er sprake van dwang, geweld en wat was de positie van de meerderjarige ten opzichte van het slachtoffer.

    Ter verduidelijking: de maximumstraf voor verkrachting van een minderjarige is twaalf jaar, en dat kan hoger worden door strafverzwarende omstandigheden.

    Zo kreeg Robert M. in 2013 negentien jaar cel en tbs. De voormalige kinderoppas en crèchemedewerker werd schuldig bevonden aan het misbruik van 67 zeer jonge kinderen.

    Robert M. werd in 2013 tot negentien jaar cel en tbs veroordeeld (Foto: ANP)

    Omstandigheden van delict zijn belangrijk voor het oordeel
    Juist de omstandigheden zijn belangrijk bij de strafeis, en bij het oordeel van de rechter.

    In de zaak van de vader die zijn dochters heeft misbruikt, werd er vastgesteld dat hij een laag IQ had, niet over een eerder strafblad beschikte, spijt betuigde en onder behandeling stond. Dat alles zorgde voor een straf die lager is dan het wettelijke strafmaximum.

    Mate van recidive is laag als het om misbruik gaat
    “Je wilt bij een zedenmisdrijf weten of er kans op is herhaling. Je wilt dat als iemand vrijkomt, het niet nog een keer gebeurt”, legt Kwakman uit. “Dus je wilt behandelen als dat nodig is.”

    “De mate van recidive bij zedenzaken is trouwens lager dan veel mensen denken. Zedendaders stoppen vaak als ze gepakt worden. Misbruik van kinderen komt ook lang niet altijd voort uit een stoornis, maar is in veel gevallen situationeel en een gevolg van andere problematiek.”

    Wat Kwakman bedoelt, is dat een van de ouders zich soms aan hun kinderen vergrijpt omdat die ‘binnen bereik’ zijn.

    De strafmaat in misbruikzaken zal daarmee altijd een onderwerp van gesprek zijn en is gebaat bij een heldere uitleg.

    Bron: nu.nl

    #233771
    Luka
    Moderator

    Rechter: Seksueel binnendringen kan ook digitaal gebeuren

    De rechtbank Limburg heeft een 55-jarige man uit Kerkrade veroordeeld voor het seksueel binnendringen van minderjarige meisjes, terwijl hij nooit fysiek contact had met zijn slachtoffers.

    De ontucht gebeurde via internet, waar hij meekeek via de webcam, terwijl hij zijn slachtoffers bij zichzelf handelingen liet verrichten.

    De uitspraak is opvallend, omdat minister Ferd Grapperhaus van justitie en veiligheid de Tweede Kamer eind 2017 nog liet weten dat ‘iemand dwingen tot het seksueel binnendringen bij zichzelf buiten de reikwijdte van het misdrijf verkrachting valt’. Wel zei de minister te werken aan een modernisering van de wet, zodat er meer duidelijkheid komt over die digitaal gepleegde zedenmisdrijven. Daar wordt nog steeds aan gewerkt op het ministerie.

    Bij de constatering dat digitale verkrachting niet kan, baseerde Grapperhaus zich op een rapport van de Rijksuniversiteit Groningen. De auteur daarvan, hoogleraar strafrecht Kai Lindenberg, noemt de beslissing van Limburgse rechtbank eveneens bijzonder. “De uitspraak ligt in mijn ogen niet voor de hand.” Maar toegegeven, aldus de hoogleraar, het is nog steeds niet duidelijk of de wet bij ontucht hetzelfde moet worden uitgelegd als bij verkrachting. “We zullen moeten wachten op het oordeel van de Hoge Raad of op nieuwe wetgeving.” Of de zaak ooit tot de Hoge Raad komt, hangt af van de vraag of het Openbaar Ministerie, dan wel de verdachte in hoger beroep gaat.

    Minderjarig
    Dat het in de Limburgse zaak gaat over ‘ontucht met seksueel binnendringen’ en niet over verkrachting zit hem vooral in het feit dat de slachtoffers minderjarig zijn. Bij verkrachting moet bewezen worden dat er dwang bij kwam kijken, bij ontucht hoeft dat niet.

    De man uit Kerkrade deed zich onder meer voor als zijn zoon om online contact te leggen met zijn slachtoffers. Tien van hen deden aangifte. Volgens de rechter zette hij de meisjes, die tussen de negen en vijftien jaar zijn, via ‘indringende manipulatie’ aan om met vingers of voorwerpen seksuele handelingen bij zichzelf te verrichten. Daarmee heeft hij volgens de rechtbank wel degelijk ontucht mét de slachtoffers gepleegd. Dat daar geen fysiek contact bij kwam kijken, doet daar niet aan af.

    Wel resulteert het uitblijven van fysiek contact in een lagere gevangenisstraf dan het Openbaar Ministerie had geëist: vier jaar cel in plaats van vijf jaar. De man moet zich ook psychiatrisch laten behandelen.

    Bron: Trouw.nl >>

    #234382
    Luka
    Moderator

    Aangifte doen of melding maken van seksueel misbruik bij de politie, hoe gaat dat in Nederland?

    #236942
    Mark
    Moderator

    Van aangifte tot vonnis

    Bron: langzs.nl >>

    #237397
    LSG
    Beheer
    Topic starter

    Politie Podcast: Wat staat je te wachten als je slachtoffer bent van seksueel geweld en aangifte wil doen?

    Midden-Nederland – “We houden heel veel rekening met de wensen en behoeften van slachtoffers van zedenzaken. Als iemand belt, gaan wij niet als een olifant door de porseleinkast. We kijken eerst globaal wat er is gebeurd en nodigen iemand uit voor een informatief gesprek op het bureau.” Aan het woord is Yet van Mastrigt, zedenexpert van de politie. Samen met Iva Bicanic, hoofd van het Centrum Seksueel Geweld, vertelt zij in de nieuwste Politie Podcast wat slachtoffers van seksueel geweld te wachten staat als zij de politie bellen, welke dilemma’s kunnen spelen voor het slachtoffer en welke zorg er is.

    “Als politie gaan we met zedenaangiften anders om dan met andere aangiften, omdat de verdachte vaak een bekende is van het slachtoffer, zoals een vader, trainer of leraar. Vaak gaat het om een 1 tegen 1 verklaring: er zijn geen getuigen. En bij slachtoffers spelen vaak gevoelens van schaamte en loyaliteit.”

    Informatief gesprek
    Van Mastrigt: “Om uit te zoeken wat er aan de hand is en het slachtoffer zo goed mogelijk te informeren, nodigen we iemand uit op het bureau voor een informatief gesprek met twee speciaal opgeleide zedenrechercheurs. We praten over wat er is gebeurd en wat we kunnen betekenen. Wij leggen uit dat er mogelijk sporen zijn die we veilig kunnen stellen en dat we bij een aangifte van seconde tot seconde willen weten wat er is gebeurd. De zedenrechercheurs helpen het slachtoffer zo goed mogelijk, maar het verhaal moet echt van het slachtoffer komen en het is belangrijk dat het ook de waarheid is. Het slachtoffer bepaalt daarna of hij/zij bedenktijd wil, en kan dan bijvoorbeeld overleggen met een slachtofferadvocaat of vertrouwenspersoon. Daarna hebben we weer contact.”

    “Stel je voor: je vader heeft jou misbruikt. Je komt bij de politie en hoort dat als je aangifte doet, wij mensen in je omgeving gaan horen. Zo’n hele familie komt overhoop te liggen. Dan kunnen er gevoelens van schuld en loyaliteit komen. Het is belangrijk dat je daarom in alle rust kunt overwegen of je aangifte wilt doen. Een strafproces kan ingrijpend zijn, maar het kan ook helpen als je wil dat de dader wordt gestraft of dat je wil voorkomen dat de vermoedelijke dader het bij iemand anders doet.”

    Regie bij het slachtoffer
    Van Mastrigt: “Het is de gedachte van de media, politiek, maatschappij dat ieder slachtoffer aangifte moet doen, dat iedere zaak moet worden opgepakt en dat iedere verdachte achter de dikke deur moet. En daar kan ik een heel eind in meekomen”, vertelt Van Mastrigt. “Maar wij hebben wel het verhaal van het slachtoffer nodig. En als het slachtoffer daar niet toe in staat is, ben ik blij dat de regie bij het slachtoffer ligt. Tijdens het seksueel misbruik was het slachtoffer die regie kwijt. Het is belangrijk dat wij die regie weer teruggeven.”

    Onderzoek zedenzaak
    Als het slachtoffer besluit om aangifte te doen, start het politieonderzoek. “We houden het slachtoffer op de hoogte van alle relevante momenten. We gaan bijvoorbeeld getuigen horen, doen onderzoek naar sporen op het plaats delict, onderzoeken computers, camerabeelden et cetera. Per zaak is het verschillend wat we precies kunnen delen over het onderzoek.”

    Is iedere zedenzaak strafbaar?
    Van Mastrigt: “We moeten iedere keer bekijken of een zaak strafbaar is. Het is echt maatwerk. Voor de wet speelt bij bijvoorbeeld aanranding of verkrachting dwang een rol. Of dat de verdachte had kunnen weten dat het gebeuren niet gewenst was. Als politie zijn we voor waarheidsvinding en strafrechtelijk onderzoek. Het kan gebeuren dat we een zaak niet kunnen oppakken, maar dat het slachtoffer wel doorgaat naar hulpverlening.”

    Hulp voor slachtoffers
    In het Centrum Seksueel Geweld werken alle partijen samen om slachtoffers goede zorg te geven. “Dat gebeurt zoveel mogelijk op één plek zodat het slachtoffer niet onnodig wordt belast. Met bijvoorbeeld steeds maar weer het verhaal vertellen of nog een keer uit de kleren voor een onderzoek”. Aan het woord is Iva Bicanic, hoofd van het Centrum Seksueel Geweld. Wat de juridische status is van het seksueel geweld, wél of niet strafbaar, doet er voor het centrum niet toe. “Als iemand het zo heeft ervaren, kan hij of zij bij ons terecht. Altijd.”

    De politie en het Centrum Seksueel Geweld werken nauw samen. Bicanic: “Het eerst wat wij vragen als iemand ons belt is: wil je contact met de politie. Want dan gaan we dat direct regelen. Andersom is het net zo. Zij zullen aan acute slachtoffers vragen; heb je behoefte aan medische zorg of aan psychologische zorg.”

    Onderzoek arts
    Slachtoffers van seksueel geweld kunnen bij het geweld verschillende dingen oplopen. “Je kunt een soa oplopen, zwanger worden, lichamelijk letsel oplopen. Daarom is het zo belangrijk dat deze mensen zo snel mogelijk naar het centrum komen om daar door een arts te worden onderzocht.”

    Bicanic zegt dat bij seksueel geweld eigenlijk altijd haast geboden is. “De meeste mensen die slachtoffer zijn geworden, willen eigenlijk alleen maar naar huis, douchen en in bed liggen en alles vergeten. We zeggen dan: kom toch naar het centrum. Neem iemand mee. Ga niet je tanden poetsen. Neem je kleding mee in een papieren zak. Als je wil gaan plassen, vang het op, ga niet meer eten en drinken. In de eerste zeven dagen liggen er kansen voor het onderzoek, en die willen we zo goed mogelijk benutten.”

    Steun
    De zorg gaat verder dan medisch onderzoek, zegt Bicanic. “Mensen denken heel snel: ik word nooit meer de oude. Ik word gek in mijn hoofd. Al die herbelevingen waar ze last van hebben. Dan geven we ze ook uitleg daarover. Alles wat je nu voelt en denkt is heel normaal. Het blijft niet zo.”

    “Vier weken lang krijgen slachtoffers in ons centrum psychologische zorg. En als na vier weken blijkt dat het helemaal niet goed gaat, hetzelfde nog als dag 1, dan krijgen de mensen een traumabehandeling. Dat geldt voor iedereen. Van 0 tot 100. Met of zonder verblijfsvergunning. Iedereen is welkom.”

    Melding doen van seksueel geweld
    Bel de politie op 0900 8844 of 112 als iedere seconde telt. Ontdek meer over aangifte doen van zedenmisdrijven.

    Bron: politie.nl

    #240357
    Mark
    Moderator

    Let op, dit artikel beschrijft de situatie in België!

    Als seksueel misbruik voor de rechter komt

    Per dag worden in België 8 aangiftes gedaan van verkrachting. Slechts 1 op de 10 slachtoffers doet effectief aangifte. Het werkelijke aantal ligt dan ook veel hoger; naar schatting 80 verkrachtingen per dag. Hoe gaat het verder als daar gevolg aan wordt gegeven met een gerechtelijke procedure? En hoe kan het dat daders vaak onbestraft blijven?

    Hoewel de grote psychologische en fysieke gevolgen van verkrachting bekend zijn, leiden in België slechts 120 van de 3.000 jaarlijkse aangiftes daadwerkelijk tot een veroordeling. Dat cijfer ligt lager dan het Europese gemiddelde. België behoort daarmee tot de zeven Europese landen waarbij een aangifte het minst vaak leidt tot veroordeling.

    Tussen 2009 en 2011 werd 44% van de verkrachtingszaken bij het parket geseponeerd zonder gevolg: daarvan 56% wegens gebrek aan bewijzen en 17% omdat de dader onbekend was. Als andere redenen waarom verkrachtingszaken geseponeerd worden, werden onder meer het gedrag van het slachtoffer, de beperkte maatschappelijke weerslag of het feit dat het ging om een misdrijf van relationele aard (terwijl verkrachting binnen het huwelijk wel degelijk strafbaar is) als reden aangehaald om een zaak te seponeren, blijkt uit onderzoek van Amnesty International.

    Ook blijkt uit nieuw onderzoek van rechtspsycholoog André de Sutter dat 95% van de aangiftes wel degelijk echt is en vooral dat de meeste verkrachtingen geen typische gewelddadige verkrachtingen zijn zoals we ze kennen uit Hollywoodfilms.

    Wij spraken met Yente Neelen, doctoraatstudent seksueel strafrecht aan de UGent, en vroegen haar hoe dit eigenlijk allemaal in zijn werk gaat op juridisch vlak.

    Laten we beginnen met de bewijzen. Wat voor bewijs kan er gebruikt worden als seksueel misbruik leidt tot een strafzaak?
    “In principe kunnen er in strafzaken allerlei soorten bewijs aangebracht worden. Voorbeelden die gebruikt kunnen worden zijn vaststellingen door een geneesheer, die het slachtoffer heeft onderzocht. Of resultaten van de SAS, dat is de zogenaamde ‘seksueel agressie set’, waarmee gekeken wordt of er sporen van geweld of dna zijn achtergebleven op het lichaam van een slachtoffer. Daarnaast zijn er de verklaringen van de beklaagde, het slachtoffer en eventuele getuigen. Wanneer de politie huiszoekingen heeft gedaan, dan kunnen de resultaten daarvan ook als bewijs dienen. Tot slot zijn er nog de psychologische onderzoeken van beklaagde en slachtoffer.”

    “Over het algemeen vindt de rechter enkel een verklaring van het slachtoffer niet voldoende bewijs om iemand te veroordelen.”

    In sommige gevallen, bijvoorbeeld bij aanranding zonder getuigen, kan het echter zo zijn dat er geen bewijs is. Wat als het enkel jouw woord is tegen dat van een ander?
    “De magistraat beoordeelt de bewijswaarde van een verklaring. Het gebeurt niet vaak, maar er is een beperkt aantal zaken waarbij consistente verklaringen van het slachtoffer als voldoende werden beschouwd en een dader veroordeeld kon worden. Maar over het algemeen vindt de rechter enkel een verklaring van het slachtoffer niet voldoende bewijs om iemand te veroordelen. Of een zaak sterk genoeg is om ermee naar een rechter te stappen, wordt bepaald door het vervolgingsbeleid van het betrokken parket. We hebben geen overzicht van de klachten die uiteindelijk bij de rechtbank terechtkomen, die gegevens zijn niet openbaar. Het parket heeft hier zicht op.”

    Hoe gaat de rechter te werk bij het nemen van een beslissing in een zaak rond seksueel misbruik?
    “De rechter heeft altijd de bevoegdheid om te individualiseren. De rechter bekijkt per zaak welke elementen er precies hebben meegespeeld. Binnen de wet is er altijd een minimum- en maximumstraf, en de rechter gaat op zoek naar een passende straf binnen de minimum- en maximumstraf. Bepaalde factoren spelen een rol in het vaststellen van de strafmaat, of die hoger of lager zal uitvallen. Zo’n factor kan bijvoorbeeld de leeftijd van het slachtoffer zijn, maar het kan ook de band tussen slachtoffer en dader zijn. Als er bijvoorbeeld een bepaalde relatie is tussen dader en slachtoffer kan het zijn dat de rechter daar ook rekening mee gaat houden. Maar dat verschilt van zaak tot zaak. De rechter is een neutraal, onpartijdig en onafhankelijk persoon, die al de feiten in acht moet nemen.”

    “Het is zo dat verkrachting op dit moment nog altijd automatisch gecorrectionaliseerd kan worden.”

    Hoe kan het dat een verkrachtingszaak soms nog heel licht bestraft wordt?
    “Dat moet in een groter geheel gekaderd worden. Het is zo dat verkrachting op dit moment nog altijd automatisch gecorrectionaliseerd kan worden. Dat wil zeggen dat een misdrijf dat in ons strafwetboek als misdaad wordt gekwalificeerd, geherkwalificeerd wordt tot een wanbedrijf waardoor de minimumstraf in de wet de maximumstraf in de realiteit wordt. Dat gebeurt automatisch en is het beleid in België. Minister van Justitie Koen Geens heeft wel plannen om dit te veranderen.

    Anderzijds is het ook zo dat er het strafuitvoeringsbeleid is. Door de aard van het misdrijf kan het zijn dat er bepaalde voorwaarden worden gekoppeld aan de straf. Dat komt ook voor bij seksuele misdrijven waarbij er bijvoorbeeld probatievoorwaarden gekoppeld worden aan de gevangenisstraf. Dit houdt concreet in dat de uitvoering van de gevangenisstraf uitgesteld wordt mits de opgelegde voorwaarden nageleefd worden. Een voorbeeld van een voorwaarde kan het volgen van therapie zijn, maar evengoed ook het uitvoeren van vrijwilligerswerk, contactverbod met het slachtoffer of het zoeken van werk. De gevangenisstraf moet worden uitgezeten wanneer de maatregelen niet nageleefd worden.”

    Uit onderzoek blijkt dat in 75% van de gevallen de verkrachter een bekende is voor het slachtoffer. Bij minderjarige slachtoffers kent 85% de dader. Wordt dat in de juridische praktijk ook duidelijk?
    “Uit internationaal onderzoek blijkt dat bij gerechtelijke zaken het grootste aantal zaken over bekenden gaat, dus daders die het slachtoffer kent. Dat is ook niet geheel onlogisch omdat, het gemakkelijker is om te vervolgen als de dader bekend is. Wanneer de dader onbekend is, is het veel moeilijker om over te gaan tot vervolging. Er is ook juridisch gezien dus meer bekend van zaken waarbij de slachtoffers de daders kennen.”

    “Studie heeft ook uitgewezen dat er een nauw contact moet zijn tussen de diensten die te maken krijgen met de slachtoffers.”

    Waar kunnen slachtoffer vandaag terecht?
    “In 2017 zijn er drie proefcentra opgericht voor slachtoffers van seksueel geweld in Brussel, Gent en Luik. Hier kunnen zowel mannelijke als vrouwelijke slachtoffers van seksueel geweld terecht. Hulpverleners komen hier samen met politie en justitie onder een dak . Dus op een plaats kunnen ze de klacht neerleggen terwijl er ook de nodige medische en psychische toestand bekeken wordt. Studie heeft ook uitgewezen dat er een nauw contact moet zijn tussen de diensten die te maken krijgen met de slachtoffers.”

    De #MeToo-beweging begon een jaar geleden. Is er al iets veranderd?
    “Op juridisch vlak zijn er geen veranderingen op dit moment. In 2007 werd er een wet ingevoerd die specifiek over ongewenst seksueel gedrag op het werk gaat. Later, in 2014, kwam daar de seksismewet bij, die verder gaat dan de bestrijding van ongewenst seksueel gedrag op de werkvloer, maar ook betrekking heeft op straatintimidatie. Maar dat was dus voor MeToo.

    Op wetenschappelijk vlak is het heel moeilijk te zeggen of er veranderingen hebben plaatsgevonden. Wetenschappelijke onderzoeken starten eigenlijk nu pas, om te kijken of er iets veranderd is. Een voorbeeld van dergelijk onderzoek is het onderzoek naar de psychologisch impact op slachtoffers van seksueel geweld na de #MeToo-campagne.

    Er zijn natuurlijk wel maatschappelijke veranderingen, in die zin dat er meer getuigenissen aan het licht zijn gekomen en dat seksueel geweld meer aandacht krijgt. Maar juridisch zijn er dus geen veranderingen op dit moment. ”

    We weten nu iets meer over de juridische kant van seksueel geweld, maar seksueel geweld is uiteraard niet enkel een juridische zaak. Zoals Magda de Meyer, voorzitter van de Vrouwenraad een tijd geleden al tegen De Morgen zei: “Seksueel geweld is nog altijd een miskend probleem, omdat het vaak als een privézaak wordt afgedaan. Maar dat is het niet: het is een maatschappelijk probleem dat een dringende aanpak verlangt.”

    Bron: charliemag.be

    #240359
    Mark
    Moderator

    Ik ben seksueel misbruikt, dien ik klacht in of niet? (België)

    Wanneer iemand je verplicht heeft tot seksueel contact zonder dat jij dit wilde, kan je beslissen om klacht in te dienen. Je zaak wordt dan onderzocht. Als wordt vastgesteld dat je inderdaad geen toestemming gaf, kan deze persoon gestraft worden.

    Je kan een klacht indienen tot 15 jaar nadat het seksueel grensoverschrijdend gedrag heeft plaatsgevonden. Ben je minderjarig op het moment van de feiten? Dan begint de 15 jaar pas te lopen op het moment dat je 18 jaar wordt.

    We zouden je zeker willen aanmoedigen om een klacht in te dienen. Weet wel dat het niet altijd eenvoudig is om de afwezigheid van toestemming aan te tonen. Een klacht indienen kan dan een lang en moeilijk proces worden en bovendien heb je geen garanties dat je de uitkomst krijgt waar je op hoopt of die je verdient. Laat dit je echter niet ontmoedigen, maar laat je zeker goed begeleiden en ondersteunen!

    Bron en meer informatie: fara.be

    #240965
    Mark
    Moderator

    De mythe van de valse aangifte

    Hoe vaak komt het eigenlijk voor, en in welke vorm?

    Het is een terugkerend thema in het #MeToo-tijdperk: wat als het (vermeende) slachtoffer liegt, en zo het leven ruineert van een vals beschuldigde? Maar is dit een reëel probleem? OneWorld sprak er Andre de Zutter over, die zijn promotieonderzoek naar valse aangiftes van verkrachting deed.

    onterecht beschuldigd te worden. Zo schoof bij RTL Late Night onlangs rechtspsycholoog Andre de Zutter aan, die onderzoek deed naar valse aangiftes, naast een onterecht van seksueel misbruik beschuldigde man. Die redactionele keuze, om een onterecht beschuldigd persoon uit te nodigen in plaats van bijvoorbeeld een slachtoffer dat niet geloofd werd, heeft belangrijke gevolgen voor de beeldvorming.

    Los van het strafrecht met haar onschuldpresumptie (grondbeginsel van het strafrecht, dat bepaalt dat iedereen onschuldig is tot het tegendeel is bewezen) staan we in onze persoonlijke levens vaak voor de morele keuze: geloven of niet geloven. De nadruk op vals beschuldigden in dit debat leidt tot meer scepsis en tot het niet geloven van slachtoffers – zelfs bij de politie. Maar hoe vaak komen valse aangiftes nu werkelijk voor, en in welke vorm?

    De cijfers
    In Nederland is geen grootschalig wetenschappelijk onderzoek gedaan naar valse aangiftes. Volgens docent criminologie aan de Vrije Universiteit Andre de Zutter komt dat vooral doordat het een heel moeizaam proces is om toegang te krijgen tot de data die je als onderzoeker nodig hebt: gegevens van het Openbaar Ministerie, van Justitie en politie. Bovendien is het thema sterk gepolitiseerd.

    De meest betrouwbare cijfers komen volgens de Zutter uit de Verenigde Staten, waar ongeveer 5 procent van de aangiftes van seksueel geweld – verzameld van alle politiedepartementen van het land – als vals werden gelabeld. De Zutter: “Er is geen reden om te vermoeden dat de cijfers in Nederland enorm van die uit de VS verschillen.”

    Die 5 procent kan op twee manieren worden uitgelegd. Eén interpretatie is: 95 procent van de aangiften is écht, dus valse aangiftes zijn een heel klein probleem: waar hebben we het eigenlijk over? De andere interpretatie: één op de twintig is vals, dat is vijf keer zoveel als bij andere typen misdrijven, dus is het juist een heel groot probleem.

    Maar moeten we valse aangiften afzetten tegen het percentage valse aangiften bij andere misdrijven, of tegen het aantal werkelijke slachtoffers van verkrachting dat nooit gerechtigheid ziet? Slechts een klein deel van de slachtoffers doet überhaupt aangifte, en van dat kleine deel wordt in Nederland 80 procent geseponeerd (ofwel: het OM besluit niet te vervolgen) vanwege onvoldoende of geen bewijs voor een strafzaak.

    Slechts een klein deel van verkrachtingsslachtoffers doet überhaupt aangifte, en van dat kleine deel wordt in Nederland 80 procent geseponeerd

    De Nederlandse politie was niet blij met de resultaten van het promotieonderzoek van De Zutter: daaruit blijkt onder meer dat zedenrechercheurs niet beter zijn dan leken in het herkennen van valse aangiften van verkrachting, maar wél zelfverzekerder zijn in het beoordelen van verkrachtingsverhalen op waarheid.

    Zedenrechercheurs zijn niet beter dan leken in het herkennen van valse aangiften van verkrachting, maar wél zelfverzekerder

    De Zutters onderzoek laat zien dat de politie, die belast is met deze belangrijke taak, het vaak mis heeft. Er is vaak sprake van een ‘forensische bevestigingstendens’ – dat wil zeggen: de eerste indruk van een criminele zaak kan het politieonderzoek bederven. Als een rechercheur een aangever gelooft, zal hij of zij er alles aan doen om aan te tonen dat het is gebeurd, en andersom. “Hoe beter de politie wordt in het herkennen van valse aangiften, hoe gemakkelijker het wordt om bij aangifte het (vermeende) slachtoffer te geloven. Dan is enorme scepsis namelijk minder nodig, je hoeft niet zo bang te zijn dat er valse aangiften doorheen glippen.”

    ‘Politieagenten hebben een onterecht sceptische houding ten opzichte van echte aangiftes, en een te lichtgelovige houding tegenover valse aangeefsters’, schrijft De Zutter in zijn onderzoek. Bij de politie in Nederland circuleert volgens de onderzoeker het idee dat 80 procent van de aangiften vals is, omdat 80 procent van de aangiften niet tot vervolging leidt door het OM. “De conclusie was: bij geen officiële aangifte en/of vervolging, heeft er geen verkrachting plaatsgevonden.” Dit biedt de basis om aan te nemen dat de politie in eerste instantie eerder geneigd zal zijn een slachtoffer níet te geloven, dan wél, met alle nare gevolgen van dien.

    Hoe herken je een valse aangifte?
    De Zutter heeft op basis van zijn onderzoek een ‘tool’ ontwikkeld om valse van echte aangiften te kunnen onderscheiden. Zeker weten kan een beoordelaar het natuurlijk nooit, maar deze tool heeft een betrouwbaarheidsgehalte van zo’n 90 procent. Dat is aanzienlijk beter dan gokken.

    Uit zijn onderzoek blijkt dat verzonnen aangiften vaak minder gedetailleerd en minder uitgebreid zijn, en zijn gebaseerd op beelden en verhalen van verkrachtingen die populaire media uitlichten. Daar draait het vaak om een onbekende dader en veel fysieke dwang. In werkelijkheid zijn daders vaak bekenden en is er veel minder sprake van hevig geweld en verzet. Ook worden verkrachtingen in valse aangiften vaak als kortdurend omschreven (ongeveer een kwartier) terwijl verkrachtingen in werkelijkheid vaak langer duren, en gaat het vaak alleen om verkrachting in coïtale zin, terwijl er in de realiteit vaak ook andere seksuele handelingen plaatsvinden.

    Verkrachters vertonen in werkelijkheid ook vaak ‘pseudo-intiem’ gedrag: ze zoenen of complimenteren hun slachtoffers bijvoorbeeld. De Zutter: “In sommige gevallen biedt de verkrachter zelfs nog aan om het slachtoffer naar huis te brengen, omdat er op straat gevaar op de loer ligt.” Bij valse aangiftes wordt dat gedrag nauwelijks omschreven, omdat het ook weinig terugkomt in de media.

    De politie in Frankrijk gebruikt De Zutters methode al, in Nederland nog niet. Het risico is dat verkrachters zijn tool kunnen misbruiken door zich zo te gedragen dat hun aangevers niet worden geloofd, of dat valse aangevers hun verhaal juist geloofwaardiger kunnen maken.
    De volgende stap is meer degelijk en betrouwbaar onderzoek naar valse aangiftes. Volgens De Zutter is het probleem in omvang van niet geloofde, werkelijke slachtoffers groter dan het probleem van valse aangiften. “Maar ook voor de vals beschuldigden is het waardevol als er meer onderzoek komt naar het onderscheid tussen valse aangiftes en echte aangiften. Het mes snijdt aan twee kanten: het voorkomt valse beschuldigingen, maar ook dat slachtoffers onterecht niet worden geloofd.”

    Bron: oneworld.nl

    #241955
    Luka
    Moderator

    Jonge slachtoffers van seksueel misbruik worden te veel als volwassenen behandeld.

    In het Kinderrechtenverdrag van de Verenigde Naties zijn de rechten van kinderen vastgelegd. Op Amerika na, heeft ieder land in de wereld dit verdrag getekend. Ook Nederland. Maar houden we ons ook echt aan de internationale afspraken? Defence for Children monitort dat en komt op voor de rechten van kinderen. Nadat er steeds meer klachten op hun Kinderrechtenhelpdesk binnenkwamen over de manier waarop minderjarige slachtoffers van seksueel misbruik in het strafproces worden behandeld, werd er een onderzoek gestart met financiering van het Fonds Slachtofferhulp. Wat blijkt? Twaalf- tot achttienjarigen worden in ons land te veel behandeld alsof ze volwassenen zijn. En dat kan écht niet.

    Om daders van seksueel misbruik van kinderen te kunnen veroordelen, is onderzoek heel belangrijk. Omdat er lang niet altijd meer fysiek bewijs –zoals sporen op het lichaam – is, is het verhoor van het slachtoffer een belangrijk onderdeel van dat onderzoek. Ook als het slachtoffer minderjarig is. Dat je die kwetsbare groep slachtoffers op een aangepaste manier moet behandelen staat in het VN-Kinderrechtenverdrag.

    “Die afspraken worden in Nederland goed nageleefd als het gaat om kinderen van nul tot twaalf jaar,” vertelt onderzoeker Ytje Minke Hokwerda. “Voor hen is er bijvoorbeeld een kindvriendelijke verhoorstudio met speelgoed en worden vragen door een speciaal opgeleide verhoorder gesteld om geen verdere schade aan te richten bij het kind. Zo hoort het! Maar wat meteen opviel tijdens ons onderzoek, is het enorme contrast vanaf het moment dat je twaalf bent. Je bent dan nog steeds minderjarig, een kind nog. Toch is er voor deze groep weinig geregeld waardoor ze te veel behandeld worden als een volwassene.”

    Uit het onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat zedenrechercheurs, officieren van justitie, rechters en advocaten, niet getraind hoeven te zijn om met deze minderjarige slachtoffers om te gaan. Daardoor krijgen tieners soms het gevoel niet te worden geloofd of wordt hun schuldgevoel aangewakkerd. Dat moet anders.

    Voorbeelden uit de praktijk
    “Van de professionals die we hebben geïnterviewd, horen we dat er soms erg botte vragen worden gesteld tijdens het verhoor”, zegt Hokwerda verontwaardigd. Met enige gêne noemt ze het voorbeeld van een 12-jarige jongen die is misbruikt door iemand die zijn opa had kunnen zijn. “Aan hem werd gevraagd of hij zich wel eens aftrekt. Vervolgens werd geïnsinueerd dat als hij dát doet, hij misschien ook wel gewoon seks met de 67-jarige wilde hebben.” Een kind moet vrijuit kunnen praten tijdens het verhoor. Als je niet op de juiste manier verhoort en een kind klapt dicht, zal het bovendien nog moeilijker worden om de zaak rond te krijgen voor de rechter.

    Twee keer slachtoffer
    Minderjarige slachtoffers, hun ouders en hulpverleners vertellen allemaal hetzelfde verhaal: door deze benadering gebeurt het dat slachtoffers zich niet serieus genomen voelen, aangetast worden in hun privacy en ontmoedigd raken of zich schuldig gaan voelen. Hierdoor zien ze soms maar helemaal af van aangifte. En doen ze die wel, dan wacht hen een soms traumatische en impactvol proces, want ook in de rechtszaal mogen weer vragen gesteld worden. Hokwerda: “Een geïnterviewde zedenrechercheur vertelt dat een advocaat van een verdachte, een minderjarig slachtoffer van verkrachting vroeg: ‘vertel eens meisje, hoe ben jij geneukt?’ Natuurlijk wordt er bezwaar gemaakt als zo’n vraag wordt gesteld, maar dan ben je al te laat.” Door deze manier van vragen stellen, word je eigenlijk een tweede keer slachtoffer, stelt de rechercheur. Je haalt een minderjarige voor wie het al heel moeilijk is om te praten over wat er is gebeurd, zo totaal uit haar evenwicht. “Ik ben helemaal niet tegen het stellen van kritische vragen, maar zoals de rechercheur uit het onderzoek ook zei, ze moeten wel goed worden ingeleid en op een nette manier worden gesteld.”

    Het eerste positieve nieuws is er al: naar aanleiding van dit rapport zijn in de Tweede Kamer vragen gesteld.

    Droombeeld 2020
    Er moet veel verbeteren, en zoiets kost tijd. Zeker omdat er zoveel partijen bij betrokken zijn. Met de onderzoeksresultaten onder de arm, kunnen we nu de volgende stappen zetten. “We hebben de komende maanden gesprekken gepland met bijvoorbeeld het OM, de Politie en mensen van het Ministerie. Samen gaan we kijken hoe we de situatie voor deze minderjarige slachtoffers kunnen verbeteren.” Hokwerda heeft goed voor ogen wat er over pakweg 5 jaar moet zijn verbeterd: “Voor de 12-plus groep, willen wij allereerst dat zij standaard verhoord worden in een ruimte die geschikt is voor hun leeftijd en dat zij alleen verhoord worden en spreken met mensen die daar specifiek voor zijn opgeleid en weten wat trauma met deze kinderen doet. Verder moeten ze goed worden voorbereid op het proces, door bijvoorbeeld informatiemateriaal te ontwikkelen dat voor jongeren leesbaar is, zodat ze begrijpen wat ze kunnen verwachten. Bovendien moet hun privacy goed worden beschermd. Tot slot vinden wij het belangrijk dat de jonge slachtoffers, als ze dat willen, gedurende het hele strafproces zelf geïnformeerd worden over wat er gebeurt en over de volgende stappen.”

    Kortom: een waslijst aan verbeterpunten. Wij geloven er in dat Defence for Children dit voor elkaar weet te boksen en daarom steunen we hen waar mogelijk. Het eerste positieve nieuws is er al: naar aanleiding van dit rapport zijn in de Tweede Kamer vragen gesteld. De minister van Veiligheid en Justitie heeft gezegd dat hij voor de Kerst met een schriftelijke reactie komt.

    Defence for Children
    Defence for Children is een internationale organisatie die opkomt voor de rechten van kinderen. Defence for Children bevordert kinderrechten in Nederland en daarbuiten op basis van het VNKinderrechtenverdrag. Daadwerkelijke versterking van kinderrechten kan alleen worden gerealiseerd als de rechten van kinderen vastgelegd zijn in wet- en regelgeving en er continu toezicht is op de naleving ervan. Daarom werken er bij de organisatie vooral juristen. Op het terrein van seksueel misbruik bij kinderen werken wij graag met hen samen.

    Bron: Fonds Slachtofferhulp >>

    #242850
    Mark
    Moderator

    Natacha Harlequin en Yet van Mastrigt over campagne meldingsbereidheid van slachtoffers van seksueel misbruik

    Aan tafel zit Spraakmaker Natacha Harlequin. Ze is strafrechtadvocaat en heeft ze zich gespecialiseerd in zedenzaken. We gaan praten over de meldingsbereidheid van slachtoffers van seksueel misbruik, want na de zomer start een campagne om die bereidheid te vergroten. Yet van Mastrigt, zedenexpert van de Nationale Politie, schuift aan om uit te leggen dat een melding niet altijd hoeft te leiden tot een aangifte.

    Beluister de uitzending op nporadio1.nl >>

    Lees ook het bijbehorende artikel ‘Melden seksueel misbruik: ‘Had ik het maar eerder gedaan’ >>

    #247219
    Luka
    Moderator

    Aangifte doen is vaak enorme drempel voor zedenslachtoffer. ‘Maar elke zaak doet er voor ons toe’


    Opa heeft mij jarenlang misbruikt, vertelt het kleinkind aan zedenrechercheurs. De stap naar de politie is na lange twijfel eindelijk gezet. Aangifte doen, wil kleindochter niet. Opa en oma vieren groots hun diamanten bruiloft. Een aangifte zal de familie verscheuren. En ach, opa is ook best een lieve man.

    Het praktijkvoorbeeld illustreert hoezeer slachtoffers van zedenmisdrijven geregeld klem komen te zitten, zegt Yet van Mastrigt, zedenexpert bij de nationale politie. Zedendaders zijn bijna altijd bekenden, familie, vrienden, zelden de enge man in de bosjes.

    De politie kampt bij de aanpak van zedenzaken met een forse achterstand. Zaken gaan niet zomaar op de plank. Wie zegt slachtoffer te zijn van een zedenzaak, krijgt altijd een gesprek. Dat informatieve gesprek gebeurt zoveel mogelijk binnen zeven dagen en bij spoed op de dag zelf.

    Inwendige sporen
    Het eerste gesprek wordt benut om te kijken of er sprake is van sporen die kwijt kunnen raken, zegt Ralf van den Heuvel, teamchef van de zedenpolitie Oost-Nederland. ,,Zoals camerabeelden of telefoongegevens. Indien noodzakelijk ondergaat het slachtoffer een forensisch medisch onderzoek om eventuele inwendige sporen vast te leggen. Een aangifte proberen we binnen vier weken op papier te krijgen.”

    Als het slachtoffer nadrukkelijk geen aangifte wil doen, zoals bij de ‘lieve opa’, dan accepteren we dat, zeggen Van Mastrigt en Van den Heuvel. ,,Als buitenstaander is het makkelijk gezegd: dit accepteer je toch niet. Dat wordt anders als je de afweging moet maken dat door jouw aangifte de familie overhoop wordt gehaald.”

    Ingezoomd
    Dat betekent niet dat de politie zonder aangifte de zaak zomaar laat rusten. Op opa wordt wel ingezoomd. Komt hij voor in de politieregistraties? Is de situatie veilig? Lopen er ook nu kinderen gevaar? Van Mastrigt: ,,Als opa beheerder blijkt te zijn van een speeltuin, dan kijken we er anders naar.’’

    De inhoud van het eerste gesprek, het informatieve gesprek wordt altijd voorgelegd aan de officier van justitie. Die kan beslissen dat ook zonder aangifte er toch een politie-onderzoek start.

    Veel aandacht
    Dankzij #MeToo, waarbij slachtoffers mannen publiekelijk via sociale media aanklagen, is er enorm veel aandacht voor seksueel grensoverschrijdend gedrag. Toch leidde dat niet tot een extra hausse aan aangiften. In de politiecijfers zie je geen #MeToo-effect, erkent Van Mastrigt. ,,#MeToo heeft pijnlijk duidelijk gemaakt wat wij al wisten. Seksueel misbruik was er al. En heel veel. Het is alleen zichtbaarder geworden.”

    De afdeling zeden van de politie Oost-Nederland telt 114 rechercheurs, plus een kinderpornoteam met 15 agenten. Er wordt gewerkt vanuit Apeldoorn, Arnhem, Enschede, Nijmegen en Zwolle. In Nijverdal en in Nijmegen beschikt de politie over een aparte verhoorstudio. Hier werken gespecialiseerde zedenrechercheurs met kinderen en kwetsbare mensen, slachtoffers van een zedendelict.

    Spoed of geen spoed
    Zaken worden onderverdeeld in twee categorieën: spoed of geen spoed. Als gevaar van herhaling of maatschappelijke onrust dreigt, wordt direct opgetreden. Zoals in dat zwembad in Arnhem, waar een stagiair van ontucht wordt verdacht. ,,De rest van de zaken is prio 2. De oudste zaak doen we naast de spoedzaken het eerst. Of dat nu een verkrachting is of aanranding maakt niet uit. Elke zaak doet er voor ons toe.”

    Zedenrechercheurs werken onder enorm hoge druk, zeggen Van Mastrigt en Van den Heuvel. ,,Je moet vitaal zijn om dit werk te doen. Slachtoffers weten naderhand exact hoe de gesprekken bij de politie zijn verlopen. Om elke dag de ellende van een ander aan te kunnen horen moet je zelf heel goed in je vel zitten. Elk jaar krijgen zedenrechercheurs een mental check-up door de psycholoog. Agenten worden ook niet bij zeden geplaatst. Dat zou niet goed zijn. Ze moeten zelf solliciteren. Er zijn gelukkig voldoende politiemensen die dit werk willen doen.”

    Alert op schennisplegers
    Een man die op straat met ontbloot geslachtsdeel staat te zwaaien. Soms zaait hij paniek en angst. Soms wordt de potloodventer honend weggelachen.

    Lang niet alle incidenten worden gemeld. Tot teleurstelling van de zedenpolitie.
    De politie reageert serieus op schennisplegers. Niet zelden groeien ze uit tot aanranders en verkrachters. Of zijn ze het al, zegt zedenexpert Yet van Mastrigt. ,,Het gaat me niet om de mannen die in het uitgaansleven dronken hun piemel aan de politie laten zien. Op de mannen die het uit een seksueel kick doen, moet je heel alert zijn. Het is belangrijk dat vrouwen het melden.”

    Bron: de Gelderlander >>

    #250479
    Mark
    Moderator

    Wat kan de politie voor mij doen?

    In de animatie ‘Ik ben seksueel misbruikt. Wat kan de politie voor mij doen?’ leggen we u in vijf minuten uit de politie voor u kan doen bij seksueel misbruik. U krijgt antwoord op vragen als: ‘Wat er gebeurt met sporen aan mijn lichaam?’, ‘Hoe doet de politie onderzoek?’, en ‘Welke hulp kan ik krijgen als ik niet naar de politie wil of geen aangifte doe?’. Aan het eind van de animatie kunt u kiezen voor één of meerdere (kortere) vervolganimaties over bijvoorbeeld welke rechten u als slachtoffer heeft.

    Walter van Kleef, programmanager van het Landelijk Programma Zeden, Kinderporno en Kindersekstoerisme, legt uit waarom de politie de animatie heeft gemaakt. ‘We willen slachtoffers zo goed mogelijk over het aangifteproces van seksueel misbruik informeren. Bij zedendelicten gaat dat namelijk anders dan het aangifteproces van bijvoorbeeld een mishandeling. Onze zedenrechercheurs leggen u dit uitgebreid uit tijdens een informatief gesprek met u. We hebben deze informatie over het aangifteproces daarnaast ook op een speciale pagina op politie.nl staan, in onze brochure, én nu ook via een animatie. Mensen vinden het immers prettig om op verschillende manieren informatie te verkrijgen.’

    Wilt u met iemand praten?
    Bel bij seksueel misbruik met 0900 8844 en vraag naar de zedenpolitie bij u in de buurt. U kunt ook naar een politiebureau gaan. U krijgt dan zo snel mogelijk een afspraak voor een informatief gesprek met speciaal opgeleide zedenrechercheurs. De politie behandelt elke melding van mogelijk seksueel misbruik serieus. Daarom maken we hiervoor een aparte afspraak. Bij spoed belt u altijd 112.

    Bron: politie.nl

    #251803
    Luka
    Moderator

    Waarom aangifte doen na een verkrachting zo ongelooflijk moeilijk is

    “Mijn advies: ga in ieder geval het informatief gesprek voeren, om te kijken wat ze kunnen doen. Ook al heb je het gevoel dat er te weinig bewijs is, doe het dan alsnog.”

    Julia* (25) verstijfde tijdens haar verkrachting. Ze had op reis een jongen ontmoet, die ze drie maanden geleden in een Amsterdams café weer tegenkwam, vertelt ze aan de telefoon. “We dronken wat, en die avond nam ik hem mee naar huis. In eerste instantie wilde ik met hem naar bed, maar tijdens de seks deed hij het condoom gelijk af. Ik zei dat ik het niet fijn vond, dat ik dit niet wilde. Hij luisterde niet en bleef doorgaan. Ik dacht alleen maar: ik wil dat hij weggaat, maar het kwam niet uit m’n mond. Mijn lichaam schoot op slot, ik kón niet schreeuwen. Het voelt alsof hij een deel van me heeft afgepakt.”

    Als je wordt verkracht, is het volgens de wet pas strafbaar als kan worden bewezen dat er geweld of dwang is gebruikt. Maar in werkelijkheid is er lang niet altijd sprake van geweld bij zo’n situatie: 70% van de slachtoffers ‘bevriest’ tijdens een verkrachting. Ook kan er bijvoorbeeld sprake zijn van drogering.

    Minister Grapperhaus (Justitie en Veiligheid) vindt dat dit anders moet. Hij wil de wet uitbreiden met ‘seks tegen de wil’ als een nieuw strafdelict. Wat die wetgeving wil bewerkstelligen − onvrijwillige seks strafbaar maken − is heel goed, maar de uitvoering is volgens mensenrechtenorganisatie Amnesty International halfslachtig. Voor ‘seks tegen de wil’ kan je een maximumstraf van zes jaar krijgen, terwijl dit bij verkrachting twaalf jaar kan zijn. Amnesty vindt dat slachtoffers hiermee ook onvoldoende worden gesteund; alsof wat zij hebben meegemaakt minder erg is dan verkrachting. Ze roepen Minister Grapperhaus op om onvrijwillige seks in de wet als verkrachting te erkennen.

    De meeste slachtoffers van verkrachting zijn vrouw: in Nederland is meer dan 10% van de vrouwen verkracht. Op dit moment doen maar weinig slachtoffers aangifte: naar schatting wordt 30% gemeld bij de politie. Volgens cijfers die het AD opvroeg bij politie en justitie kwamen er van januari tot oktober vorig jaar 1224 mensen bij de politie om melding te maken van een verkrachting. Daarvan leidden 499 meldingen tot aangifte. Bij 172 van die aangiftes kwam het tot een rechtszaak, en 102 keer tot een veroordeling.

    Dat zijn opvallend weinig veroordelingen. Ik bel strafrechtadvocaat Leonie van der Grinten (30) om te vragen hoe dat kan. “Het is lastig, omdat een zedenzaak vaak in een intieme setting plaatsvindt. In principe is één getuige, geen getuige, en dat is echt een probleem. Want hoe bewijs je dat er sprake was van dwang?”

    Dat betekent niet dat een slachtoffer van verkrachting de zaak altijd bij voorbaat verliest, benadrukt Van der Grinten. “Het is echt niet zo dat de verkrachter alleen veroordeeld wordt als alles zwart op wit staat. Er zijn allerlei dingen die kunnen meespelen als steunbewijs. Als het slachtoffer na de verkrachting iemand emotioneel opbelt, wordt dat in het dossier meegenomen, of bijvoorbeeld als er extreem hardhandige porno wordt aangetroffen op de computer van de verdachte.”

    Dat niet alle slachtoffers uiteindelijk aangifte doen, komt vaak omdat het voor hen een te pijnlijk proces is. “Het is voor slachtoffers moeilijk om aangifte te doen, omdat je meerdere keren in detail moet vertellen wat er is gebeurd. Ook vindt er soms een lichamelijk onderzoek plaats, wat heftig kan zijn. In het merendeel van de gevallen is de verkrachter een bekende van het slachtoffer, wat aangifte tegen iemand doen nog lastiger kan maken.”

    Dat het een bekende was, speelde ook bij Julia een rol. “Ik ben bang dat het uitkomt in de stad waar ik woon. Aangifte doen heb ik sowieso niet overwogen. Ik trek het niet om zo’n traject in te gaan, en heb tijdens m’n verkrachting niet geschreeuwd of gehuild. Dat neem ik mezelf nog steeds kwalijk. Hoe weet hij dat hij mijn grens is overgegaan? Ik denk dat hij zich van geen kwaad bewust is − hij was fucked up, van de drank en drugs. Misschien dat als hij een beter mens was geweest, hij had doorgehad dat het tegen m’n zin in was.”

    Hoe kan je het beste juridische stappen zetten na een verkrachting? Van der Grinten: “De eerste stap is juridisch advies vragen aan een specialist. Veel mensen stappen naar een Juridisch Loket, dat kan ook, maar zij zullen je doorverwijzen naar de politie. Als je bij de politie een melding hebt gemaakt, krijg je een informatief gesprek met de afdeling Zeden. Dat is nog geen aangifte, maar een gesprek waarin je kort uiteen kunt zetten wat er is gebeurd, en je de regels en procedure van een aangifte uitgelegd krijgt. Daarna krijg je twee weken bedenktijd. Na die 14 dagen kan het informatieve gesprek worden omgezet in een officiële aangifte. In tegenstelling tot wat veel mensen denken kun je een aangifte niet meer terugtrekken. De officier van justitie bepaalt of de zaak wordt doorgezet of niet. De kans dat een aangifte tot een veroordeling leidt is niet altijd groot. Als er te weinig bewijs is voor een veroordeling, kan het gebeuren dat je je onheus bejegend voelt door de rechtbank en de hele procedure. Dat noem je secundaire victimisatie. Als de zaak wordt geseponeerd, kan je altijd nog de artikel 12-procedure starten. Dan vraag je, samen met een advocaat, of het gerechtshof je zaak alsnog wil laten voorkomen.”

    Merel* (23) stapte wel naar de politie, maar het leidde niet tot een aangifte. Op haar zestiende werd ze een jaar lang seksueel misbruikt door een oudere jongen van school. “Hij had naaktfoto’s en -video’s van mij, en dreigde dat hij de foto’s online zou zetten als ik er iets van zou zeggen. Ik was zo bang, hij had totale macht over me. Op mijn zeventiende ging ik in een andere stad studeren. Na een half jaar kreeg ik nachtmerries en raakte ik in een depressie. Ik kreeg de diagnose PTSS en ben jarenlang in therapie geweest. Een halfjaar geleden voelde ik me ineens heel krachtig. Na jarenlange schaamte, denken dat het mijn schuld was, voelde ik voor het eerst het onrecht dat mij was aangedaan. Ik wilde dat hij gestraft werd. Ik heb de politie gebeld en gezegd dat ik aangifte wilde doen. Een maand later had ik een gesprek met twee vrouwen van de zedenpolitie. Na mijn verhaal zeiden ze: ‘Misschien is het niet verstandig om aangifte te doen. Zo’n traject kan veel oproepen, traumatiserend zijn. Het is nu heel mooi hoe goed het met je gaat. Wees daar dankbaar voor.’ Ze zeiden dat een paar mails en Whatsapp-berichten onvoldoende bewijs waren, dat het zijn woord tegen de mijne zou zijn. Ik was verdrietig, ik voelde me niet gezien. Heel naar, alsof ze me het recht op aangifte ontnamen. Júist van de politie wilde ik horen dat het goed was dat ik er was. Het voelde alsof ze de strijd niet voor me aan wilden gaan, een strijd die ik wilde voeren. Na twee weken bedenktijd, zei ik daarom dat ik het alsnog wilde doen. Ik legde uit dat ik het recht heb om dit te doen en het een stukje afsluiting zou zijn. Toen ze me weer zeiden dat de kans dat het zou lukken heel klein was, dacht ik: ja, hoe gaat het ooit lukken als zij niet achter mijn aangifte staan? Ik zei: ‘Ik vind het heel jammer, dan doe ik het niet.’”

    Merel is zeker niet de enige die dit zo ervaart. Deze week verscheen het onderzoek ‘Verschillende Perspectieven’ van Justitie en Veiligheid (J&V). Hieruit blijkt dat “de werkwijze van zedenrechercheurs niet aansluit op de behoefte en verwachtingen van slachtoffers, en daardoor tot frictie leidt”. Op de site van J&V staat dat die negatieve ervaringen met name op drie specifieke momenten voorkomen: tijdens het informatieve gesprek, omdat de zedenrechercheurs veel nadruk leggen op de onmogelijkheden van een zaak; rondom de bedenktijd, omdat slachtoffers het als een drempel ervaren zelf weer contact te moeten leggen; en na het doen van aangifte, omdat slachtoffers zich onvoldoende geïnformeerd voelen over het onderzoek. Eind dit jaar wil J&V weten welke maatregelen de politie heeft genomen om dit te verbeteren.

    Ondanks dat het je als slachtoffer vaak niet makkelijk wordt gemaakt, is het in sommige gevallen wel beter om toch aangifte doen, zegt Van der Grinten. “Mijn advies: ga in ieder geval het informatief gesprek voeren, om te kijken wat ze kunnen doen. Ook al heb je het gevoel dat er te weinig bewijs is, doe het dan alsnog, al is het maar zodat de politie de cijfers in de gaten kan houden. En zodat er een melding in het systeem komt te staan.”

    Merel* is wat dat betreft toch blij dat ze naar de politie is gestapt. “Ik ben trots dat ik deze stap heb durven te zetten. Anders zou het altijd door mijn hoofd spoken: wat nou als ik wél aangifte had gedaan? Ik vind het heel fijn dat er een melding is gedaan, dat er iéts staat. Zijn naam en geboortedatum staan genoteerd. Als er weer een meisje zijn naam noemt, is er misschien meer bewijs. Dat is iets wat de laatste tijd door m’n hoofd spookt: misschien heeft hij dit bij meerdere meisjes gedaan, terwijl hij nog vrij rondloopt. Misschien dat ik nog een keer advies vraag bij Centrum Seksueel Geweld, maar voor nu geef ik mezelf even wat rust. Gelukkig gaat het nu goed met me. Ik hoop echt dat er verandering in het aangiftetraject komt, misschien is het delen van mijn verhaal een begin.”

    *Beide voornamen zijn gefingeerd. Namen bekend bij de redactie.

    Heb je een ongewenste seksuele ervaring meegemaakt? Het telefoonnummer van Centrum Seksueel Geweld is 0800-0188. Of check hun website voor meer informatie: www. centrumseksueelgeweld.nl. Ook kun je terecht bij Slachtofferhulp Nederland (0900-0101) en de Nationale Politie (0900-8844).

    Bron: Vice >>

    #252884
    Mark
    Moderator

    Stijgende verkrachtingscijfers, falende opsporing

    Slachtoffers van seksueel geweld laten vaker van zich horen, de afgelopen jaren nam het aantal geregistreerde verkrachtingen bij de politie flink toe. Optimisme over deze slachtofferemancipatie lijkt echter misplaatst: meldingen resulteren steeds minder in aangiften.

    ‘Niet te geloven, het is bijna een verdubbeling.’ Woordvoerder Jytte Reichert van Slachtofferhulp kijkt verbaasd naar de cijfers die ze zelf overhandigt. In 2014, ziet ze, klopten 804 verkrachtingsslachtoffers bij haar aan, vorig jaar waren dat er 1447. Een andere hulpverlener, van het Centrum Seksueel Geweld, ziet de toename ook. Vorig jaar zochten 4148 slachtoffers hulp bij een van hun centra, een stijging van 28 procent ten opzichte van het jaar ervoor.

    Worden er dan meer mensen verkracht? Nee, zeggen hulpverleners en experts. ‘Er is geen enkele reden om aan te nemen dat verkrachting nu meer voorkomt dan een paar jaar geleden. Ik heb daar geen verklaring voor en we zien dat ook niet in andere landen’, zegt Iva Bicanic, psycholoog en coördinator van Centrum Seksueel Geweld.

    Waar komt de stijging dan vandaan? Succesvolle campagnes die slachtoffers van seksueel geweld aanmoedigen hulp te zoeken, zegt Reichert. Hulpverleners die beter samenwerken dan voorheen, zegt Bicanic. In die zin is de stijging eigenlijk ‘goed nieuws’. Want, zeggen beiden, de seksuele moraal verandert. De #MeToo-beweging heeft een taboe doorbroken: laat je horen als slachtoffer van een ongewenste seksuele ervaring, schaam je niet, wees zichtbaar, praat erover.

    Bij de politie nam het aantal geregistreerde verkrachtingen de afgelopen zeven jaar dan ook toe, met maar liefst zestig procent. Sinds de vorming van de Nationale Politie in 2013 worden cijfers landelijk bijgehouden, in dat jaar meldden 1245 verkrachtingsslachtoffers zich bij de politie. Zeven jaar later, in 2019, waren dat er tweeduizend. Ook de politie is opgetogen. ‘Als ons inbraakcijfer of overvalcijfer groeit, dan moet de korpsleiding zich zorgen maken. Maar als de korpschef vraagt waarom de verkrachtingscijfers zo toenemen, dan zeg ik: daar ben ik trots op, omdat het goed is dat slachtoffers naar de politie stappen’, zegt Yet van Mastrigt, die bij de politie als landelijk zedenexpert de teams overziet.

    Dat optimisme lijkt echter misplaatst. Onderzoek van Investico voor De Groene Amsterdammer en Trouw laat zien dat die bejubelde toegenomen meldingsbereidheid slachtoffers strafrechtelijk gezien niets oplevert. Een steeds groter deel van de slachtoffers ziet er na de eerste melding van verkrachting bij de politie vanaf om aangifte te doen, blijkt uit cijfers. Volgens zedenrechercheurs vergen de zaken meer tijd dan vroeger, bijvoorbeeld omdat WhatsApp-gesprekken, foto’s en locatiegegevens uit Google Maps het verzamelen van bewijs complexer en tijdsintensiever maken. Bovendien is er, net als bij alle onderdelen van de politie, ook bij ‘zeden’ een gebrek aan rechercheurs. Het ministerie van Justitie en Veiligheid heeft weliswaar negentig extra zedenrechercheurs toegezegd, maar die kunnen nog niet volledig aan de slag door gebrek aan opleidingscapaciteit.

    Zo stapelt het aantal zedenzaken zich op. Politie en OM hebben zichzelf opgelegd om de eerste rechtszitting in verkrachtingszaken binnen dertien maanden na de aangifte te laten plaatsvinden, maar in slechts de helft van de gevallen lukt dat. En hoewel zich meer slachtoffers aandienen, vindt de politie nu minder verdachten dan voorheen. Het aantal strafdossiers dat de politie aanlevert bij het OM schommelt al jaren rond hetzelfde aantal. Per saldo, na opsporing en vervolging, belanden er niet méér daders achter de tralies dan zeven jaar geleden, blijkt uit de opgevraagde cijfers.

    Méér daders achter de tralies, dat is precies wat minister Grapperhaus van Justitie en Veiligheid wil. Sinds mei 2019 werkt hij aan een herziening van de zedenwet. Om verkrachting te bewijzen moet het slachtoffer aantonen dat de dader dwang uitoefende. Maar de wet moet ook slachtoffers beschermen die zich niet verzetten, doordat zij bevriezen of verstijven. Een nieuw artikel moet daarom ook ‘seks tegen de wil’ strafbaar maken, in gevallen waar dwang niet te bewijzen is. Zo moet het voor slachtoffers makkelijker worden om aangifte te doen. Maar kan de politie dat wel aan? Nee, zegt iedereen die wij spreken. Zonder extra zedenrechercheurs heeft de nieuwe zedenwet, de kroon op de slachtofferemancipatie van de afgelopen jaren, maar weinig effect.

    ‘Rug recht, tanden op elkaar.’ In hun kantoor aan het eind van een winkelstraat in IJmuiden vertellen zedenadvocaten Kate Lans en Louke Korfker hoe ze hun cliënten voorbereiden op hun eerste gesprek met de politie. ‘Het wordt heel heftig, vervelend en persoonlijk. Ze doen het bij iedereen, het heeft niks met jou te maken. Als je echt aangifte wilt doen, moet je je niet laten ontmoedigen.’ Natuurlijk is het goed dat de politie erop wijst dat de aangifte van een zedenmisdrijf loodzwaar zal zijn, maar slachtoffers ervaren die waarschuwing meer als een afrader, vertellen ze. ‘Allemaal’, zegt Korfker, ‘zonder uitzondering.’

    ‘Ik word weer boos als ik eraan denk’, vertelt Lans. ‘Een meid was door twee jongens verkracht. Heel extreem, heel naar. Echt een horrorfilm.’ De vrouw ging naar de politie en er volgde een ‘informatief gesprek’, de standaardprocedure bij zedenzaken. In zo’n gesprek vertelt een slachtoffer het verhaal, achterhalen zedenrechercheurs of er sprake is van een strafbaar feit en leggen zij uit welke rechten een slachtoffer heeft. Als die besluit om aangifte te doen, begint het strafrechtelijk proces.

    Maar zo ging het met dit slachtoffer niet, zegt de advocaat. Die kreeg in het informatief gesprek te horen dat het weinig zin had om aangifte te doen omdat vervolging volgens de agenten ‘onwaarschijnlijk’ zou zijn. Daarom besloot de vrouw ervan af te zien. Pas na jaren van therapie en traumabehandeling klopte ze aan bij Lans en besloot ze alsnog aangifte te doen. Opnieuw volgde een informatief gesprek. ‘Ik heb doorgedrukt dat ik daarbij aanwezig mocht zijn’, zegt de advocaat. ‘Als ik er niet bij geweest was, had ze binnen vijf minuten weer buiten gestaan. “Wat voor zin heeft het? Hoe kunnen wij die dwang vaststellen? Hoe weten wij nou dat jij het niet wilde?” vroeg de verbalisant. Het slachtoffer klapte helemaal dicht. Ze was af.’ Opnieuw besloot de vrouw geen aangifte te doen. ‘Terwijl het geen kansloze zaak was – er waren WhatsApp-berichtjes, er was indirect bewijs. Maar ze kon het niet meer aan.’

    ‘Ik denk ook dat slachtoffers een informatief gesprek niet altijd als een fijn gesprek ervaren’, reageert Silvia Berendsen, zedenrechercheur in Nijverdal bij de eenheid Oost-Nederland. ‘Elk slachtoffer dat hier komt, wil horen: “We gaan nu direct de aangifte opnemen, we gaan de verdachte daarna aanhouden, over drie weken verschijnt-ie voor de rechter en gaat-ie voor vijf jaar de gevangenis in.” Maar zo gaat het gewoon niet’, vult haar collega Christa Kistemaker aan. We treffen beiden in een geavanceerde verhoorstudio die met kleurige muurschilderingen speciaal is ingericht op het horen van kinderen en mensen met een beperking. Naast het verhoren van kwetsbare slachtoffers en verdachten doen beiden ook al meer dan tien jaar ‘gewone’ zedenzaken.

    ‘Onze taak is waarheidsvinding, dus we moeten feitelijk zijn en neutraal blijven’, zegt Berendsen. Bovendien is een vervelende seksuele ervaring heel naar maar niet altijd strafbaar. ‘We proberen altijd zo goed mogelijk uit te leggen wat wel en niet vervolgd kan worden en waarom we gedetailleerd naar bepaalde dingen zullen vragen.’ En ja, die gedetailleerde vragen zijn volgens haar nodig, want bewijs moet voor de rechter niet alleen ‘wettig’ zijn, maar ook ‘overtuigend’. Veruit de meeste verkrachtingen vinden plaats in een-op-een-situaties en dat maakt het een van de lastigste wetsartikelen omdat de bewijslast moeilijk is. Onduidelijkheden zijn koren op de molen van de advocaat van de verdachte. Het is voor hen de kunst om de zaak meteen zo helder mogelijk op papier te krijgen, zodat een slachtoffer niet tijdens de zitting opnieuw vragen krijgt, zegt Berendsen. ‘We horen vaak: je gelooft me toch wel? Ja, we geloven wel wat je is overkomen, maar we weten niet of we het kunnen bewijzen. Dat is iets anders.’

    Ook politie-zedenspecialist Yet van Mastrigt erkent dat het informatieve gesprek soms inderdaad ontmoedigend werkt voor slachtoffers. ‘Toch gaan mijn nekharen overeind staan bij het woord “ontmoediging”. Zedenrechercheurs willen boeven vangen!’ Ze zucht. ‘Weet je, ik steek mijn hand er ook niet voor in het vuur. Onze mensen doen soms uitspraken omdat ze het slachtoffer willen beschermen’, zegt ze op het hoofdkantoor van de politie in Den Haag. ‘“Het is misschien wel strafbaar, maar het wordt zo lastig”, zeggen ze dan. Maar dat soort uitspraken moeten ze overlaten aan slachtofferadvocaten.’

    Niet voor niets is er vanuit de leiding steeds meer aandacht voor de informatieve gesprekken, zegt ze. Zo wordt nu begonnen met ‘intervisie’. Daarbij luisteren zedenrechercheurs zelf hun informatieve gesprekken terug om zich bewust te worden van wat ze zeggen. Waar gaat het mis en wat moet dus beter? Soms schiet de kwaliteit van opsporingscollega’s ook tekort, suggereert de zedenexpert diplomatiek: ‘Er zit een aantal rechercheurs tussen van wie we zeggen “hou op tijd functioneringsgesprekken”.’

    De klachten over ontmoediging duiken echter zo vaak op dat de Inspectie Justitie en Veiligheid in 2019 onderzoek deed naar de bejegening van zedenslachtoffers door de politie. Het resultaat liegt er niet om: de intenties van zedenrechercheurs mogen dan goed zijn, ze bespreken tijdens het informatieve gesprek ‘impliciet en expliciet de slagingskans van een zaak door de kenmerken van de zaak en het slachtoffer in de voorlichting te betrekken. Wanneer de onmogelijkheden van de zaak en de negatieve consequenties van het doen van aangifte de boventoon voeren, voelen slachtoffers zich gestuurd om geen aangifte te doen.’

    Ook cijfers onderschrijven het beeld van ontmoediging en laten zien dat verkrachtingsslachtoffers na het informatieve gesprek vaker afzien van aangifte. Het gat tussen het aantal meldingen en het aantal aangiften groeit, blijkt uit politiecijfers. De meldingen van verkrachting namen in vijf jaar met zo’n zestig procent toe, terwijl de aangiften slechts met 23 procent stegen. In 2015 besloot 49 procent van de slachtoffers na het eerste gesprek over te gaan tot aangifte. Vorig jaar was dat nog maar 38 procent.

    ‘Wanneer de onmogelijkheden van de zaak en de negatieve consequenties van het doen van aangifte de boventoon voeren, voelen slachtoffers zich gestuurd om geen aangifte te doen’

    De politie houdt zelf niet bij waarom er zoveel meldingen stranden bij de balie. De cijfers hoeven niet op ontmoediging te duiden, zegt een woordvoerder van de korpsleiding: ‘Het zou kunnen zijn dat wij in heel veel van de zaken die mensen nu melden, constateren dat er geen strafbaar feit is gepleegd. Of misschien gaat het wel om een strafbaar feit, maar is er te weinig bewijs.’ Maar dat is precies waar het wringt: slachtoffers kunnen zich ontmoedigd voelen wanneer rechercheurs al vóór de aangifte wijzen op de beperkte kans van slagen van hun zaak. Bovendien is het niet zo dat nu vooral de kansrijke zaken doorgang vinden en de weinig kansrijke zaken al eerder in het proces stranden. Uit analyse van de cijfers blijkt dat bijna zestig procent van de verkrachtingszaken uitmondt in een sepot, vaak vanwege een gebrek aan bewijs. Dat was in 2013 zo en in 2019 is dat nog steeds het geval.

    En er zijn meer zorgwekkende cijfers. In 2013 registreerde de politie bijvoorbeeld volgens het CBS 705 verdachten van verkrachting. Dat aantal liep terug tot 565 in 2019. Het aantal dossiers van verkrachtingszaken dat de politie aflevert bij het OM schommelt al jaren tussen de 500 en 650. In 2013 waren het er 650, in de jaren erna wat minder, en in 2019 weer 634. De politie levert dus eerder minder dan meer verdachten en dossiers af dan vóór die enorme toename in meldingen.

    Politie en OM hebben zichzelf in 2016 ook opgelegd dat ze in tachtig procent van alle zedenzaken het onderzoek binnen een half jaar na aangifte moeten afronden, maar uit het Inspectierapport blijkt dat dat afgelopen jaar slechts in 59 procent van de zaken lukte. En zoals gezegd: binnen dertien maanden na aangifte moet de eerste zitting in de rechtszaal zijn, maar dit lukt slechts in de helft van de zedenzaken, zo geeft Van Mastrigt toe. Dus ook hier overschrijden politie en OM de eigen normen.

    De Inspectie vond zelfs zaken uit 2017 die in juni 2020 nog steeds ‘in afwachting zijn van afronding’. In Nijverdal vertelt zedenrechercheur Christa Kistemaker hoe ze zo’n zaak kreeg toegewezen en dan het slachtoffer belt. ‘“Maar het is al drie jaar geleden gebeurd”, is de reactie dan. Op zo’n moment zit ik echt met schaamrood op mijn wangen aan de telefoon.’

    ‘We zijn een kleine afdeling en het werk neemt alleen maar toe’, vertelt Kistemaker. Niet alleen door de toename in aangiften; ook doordat het recherchewerk steeds ingewikkelder wordt: ‘Door de digitalisering hebben we veel meer onderzoekswerk: filmpjes, foto’s, locatiegegevens van Google Maps, app-conversaties.’ Al die gegevens kunnen dienen als aanvullend bewijs, wat in zedenzaken vaak doorslaggevend is bij de beslissing van het OM om over te gaan tot vervolging én later bij het oordeel van de rechter. Kistemaker: ‘We hebben voor de bewijsvoering zeker profijt van alle nieuwe mogelijkheden, maar het is enorm tijdrovend.’ Een hele WhatsApp-geschiedenis doornemen op zoek naar dat ene bericht dat kan dienen als bewijs, kost Kistemaker en Berendsen soms zomaar een hele werkdag. Voor de zedenrecherche is de digitalisering, kortom, een zegen én een vloek.

    Extra zedenrechercheurs zijn volgens Kistemaker en Berendsen hard nodig. Maar in hun beleving is Team Zeden een beetje het ondergeschoven kindje van het politiekorps. ‘Zeden wordt weleens de “praatpolitie” genoemd’, zegt Kistemaker. ‘Ik hoorde eens dat iemand verrast was dat het hier zo druk is. Collega’s hebben soms het idee dat we alleen maar een beetje kletsen met mensen’, vult Berendsen aan. In september 2019 gaf de minister eindelijk gehoor aan de vraag om meer mensen. Grapperhaus stelt structureel vijftien miljoen euro extra beschikbaar voor de zedenpolitie. De capaciteit zal met zestig fte worden verhoogd, wat in de praktijk neerkomt op negentig nieuwe zedenrechercheurs.

    Maar ook aan dit goede nieuws zit een nare bijsmaak. ‘De nacht na de toezegging van de minister heb ik niet geslapen’, zegt zedenexpert Yet van Mastrigt. ‘Gaan we straks bij andere afdelingen rechercheurs wegtrekken voor Team Zeden?’ Ze weet dat de werving van zedenrechercheurs vooral intern zal plaatsvinden. In dat geval volstaat een eenjarige zedenopleiding aan de Politieacademie. Voor mensen van buiten de politie zou gelden dat ze zelfs eerst nog een driejarige opleiding tot ‘gewone’ politieambtenaar moeten volgen. Het ministerie verlegt het capaciteitsprobleem gewoon naar een andere afdeling binnen de politie.

    De Politieacademie, die de interne of externe kandidaten moet opleiden voor Team Zeden, kampt ook met een capaciteitstekort. Voor de door de minister beloofde uitbreiding van 2019 lukte het al niet om alle zedenrechercheurs op te leiden, hoe dat voor de negentig nieuwe rechercheurs moet gaan is onduidelijk. De Inspectie constateert dat mensen die bij Zeden willen gaan werken nu al een jaar moeten wachten. Rechercheurs binnen Team Zeden zonder die opleiding mogen niet alle handelingen in een opsporingsonderzoek uitvoeren en kunnen alleen aan de slag onder supervisie van collega’s die wel het certificaat op zak hebben.

    Slechts één partij heeft wel baat bij vertraging in een zedenonderzoek. ‘Hoe langer een zaak stilligt, hoe beter een verdachte ervan afkomt’, zegt zedenadvocaat Kate Lans op het kantoor in IJmuiden. Lans en Korfker staan naast slachtoffers ook verdachten bij en weten daardoor heel goed hoe het in de praktijk gaat. De kwaliteit van een dossier neemt af als een onderzoek pas laat op gang komt of lang duurt. Getuigenverklaringen zijn met het verstrijken van de tijd bijvoorbeeld minder gedetailleerd en betrouwbaar. ‘De kans op een bewezenverklaring, of überhaupt een vervolging, wordt met de dag kleiner’, vult Korfker aan.

    Een verdachte krijgt bij vertraging alle kans om het verhaal ‘helemaal te kneden’ of zelfs bewijs te wissen. Verdachten kunnen hun telefoon nog leegmaken bijvoorbeeld, voordat de politie die uitleest. ‘Advocaten adviseren hun cliënt dat ook, als het een verdachte is.’ In de rechtspraak geldt bovendien een ‘redelijke termijn’ van twee jaar. Als die overschreden wordt, kan strafvermindering optreden.

    Cijfers van de rechtspraak leggen dit probleem pijnlijk bloot. In 2013 deelde de rechter 134 keer een straf uit voor verkrachting, in 2019 was dat 129 keer. Die bejubelde toestroom aan meldingen levert slachtoffers strafrechtelijk dus bar weinig op: bijna achthonderd meldingen meer, maar niet één extra dader achter de tralies.

    Welk effect de nieuwe zedenwet precies gaat hebben voor de politie is nog onzeker. ‘Dat is koffiedik kijken’, zegt strafrechter Jacco Janssen. Maar met het conceptvoorstel dat nu voorligt, kunnen ‘de sluizen opengaan’. Daarin staat dat iets ‘seks tegen de wil’ is als de verdachte ‘weet of redelijkerwijs moet vermoeden’ dat het slachtoffer niet wilde. ‘Als er meer strafbaar is, kan er meer aangifte worden gedaan. De politie kan dan minder vaak zeggen dat ze niets met een zaak kunnen’, zegt Janssen. ‘Het is afhankelijk van waar de minister uiteindelijk de grens wil leggen. Hij wil meer strafbaar stellen, dus ik vermoed dat die grens misschien wel laag komt te liggen. Dat zal bepalen of er al dan niet een hausse komt aan nieuwe zaken bij de politie.’

    Toch waarschuwt Janssen voor valse hoop: ‘Dit nieuwe wetsartikel wordt nu gepresenteerd als het tovermiddel voor al uw seksuele delicten, maar dat zal het niet blijken te zijn.’ In het advies dat de Raad voor de rechtspraak half augustus publiceerde staat dan ook dat een ‘winstwaarschuwing’ aan de samenleving op zijn plaats zou zijn. Het beeld dat seksuele misdrijven veel sneller en makkelijker bewezenverklaard zullen worden is waarschijnlijk te optimistisch, vindt de raad. De wet verandert niks aan de bewijslast. Met andere woorden: zaken worden niet makkelijker, het worden er alleen meer.

    ‘Wij horen hetzelfde van zedenrechercheurs’, zegt Jan Struijs, voorzitter van politievakbond NPB. ‘Ze kunnen het nu al bij lange na niet aan en het wordt alleen maar erger.’ Verkrachting is een van de ernstigste en meest ingrijpende misdrijven die er zijn. ‘Honderden slachtoffers worden nu onvoldoende geholpen doordat rechercheurs niet genoeg tijd hebben om alles te onderzoeken. Als zaken stranden, blijven daders vrij rondlopen. Zo simpel is het’, zegt Struijs. ‘Slachtoffers raken zo hun vertrouwen in de rechtsstaat kwijt en als politie zet je je legitimiteit ermee op het spel. Seksueel geweld zou topprioriteit moeten zijn. We moeten dit nu eindelijk eens serieus gaan nemen.’

    De slachtofferemancipatie van de laatste jaren levert tot nu toe weinig concreet resultaat op en het is nog maar de vraag of de nieuwe zedenwet daar verandering in gaat brengen. Zonder extra mensen gaat het niet, zeggen alle zedenrechercheurs. Op een politiebureau in Eindhoven vertelt rechercheur Marja de Louw hoe ze nog elke verkrachtingszaak met evenveel bevlogenheid oppakt als haar eerste in 1982. En hoe ze na een werkdag altijd naar huis fietst. ‘Dat doe ik graag, zo kan ik alles achter me laten’, zegt ze. ‘Maar als het zo druk is denk ik aan alles wat ik nog had kunnen doen. Je moet met zeventig procent tevreden zijn. Niet omdat ik iets niet weet of niet kan, maar gewoon omdat het te druk is. Dat geeft een heel vervelend gevoel.’

    Bron: groene.nl

    #256951
    Luka
    Moderator

    Beeld Alexandra España

    Word je verkracht en doe je daarvan aangifte? Dan is de kans groot dat je maanden, of soms zelfs langer dan een jaar, moet wachten voordat de politie start met het onderzoek – wegens capaciteitsgebrek. En tot die tijd is het advies om zo min mogelijk over de verkrachting te praten. ‘Niemand begrijpt hoe eenzaam het is.’

    Signal-bericht, 5 maart 2020

    ‘We kunnen niet te veel bespreken wat er die avond precies is gebeurd, omdat dat de aangifte kan beïnvloeden.’

    ‘Hij kwam vanaf de bar naar mij toe gelopen. In zijn hand een biertje. Alleen voor mij, en niet voor mijn vriendinnen. Tot dat moment zijn mijn herinneringen van het feest helder, maar daarna wordt het snel wazig.

    ‘Ik weet nog dat ik met hem heb gedanst, en dat ik opeens mijn vriendinnen kwijt was. Ik kon op mijn benen staan. Maar denken, dat lukte niet meer.

    ‘Toen heeft hij me meegenomen naar zijn kamer en werd het zwart. Ik herinner me slechts flarden. Alsof ik even wakker werd en daarna weer in slaap viel.

    ‘Ik weet dat ik mijn hakken uittrok. Dat ik op bed lag, zonder kleren. Dat ik het niet fijn vond. Dat ik iets wilde zeggen, maar dat ik het niet kon.

    ‘Het moet zo’n twee uur later zijn geweest toen ik écht wakker werd. Ik was in de war, bang. Snel kleedde ik me aan. Eén hak kon ik niet vinden. Ik wilde de schoen zoeken, maar wilde hem ook niet wekken. Bang dat hij dan meer van me wilde. Dus al snel dacht ik: fuck it, ik ga gewoon weg.

    ‘Ik liep naar de hotelkamer waar mijn vier vriendinnen sliepen. Twee waren er nog wakker. Snel trok ik mijn jurk uit. Mijn pyjama aan. Ik ging naar de wc. In mijn onderbroek zat bloed. Een vriendin vroeg: is alles oké? Ik barstte in huilen uit.

    ‘Ik was in de war, in paniek. Ik kon niet plaatsen wat er in die twee uur was gebeurd. Het was een naar gevoel: ik wist dat er iets was gebeurd, maar niet wat.

    ‘De volgende dag stapte ik in de trein. Ik had mijn ouders gebeld en gezegd: ik kom thuis. ‘Wat is er?’, vroeg mijn moeder. Dat vertel ik liever als ik thuis ben, antwoordde ik. Toen kreeg zij al een vermoeden.

    ‘Thuis vertelde ik het verhaal. Papa zei: wat probeer je nu eigenlijk te zeggen? Dat wist ik ook nog niet zo goed. Het zou maanden duren voordat ik dát woord kon uitspreken.

    ‘Eerst twijfelden we nog: had ik misschien toch te veel gedronken en was het gewoon geen fijne seks geweest? Maar ik begreep het niet: ik weet dat ik best iets kan drinken en dan nog steeds alles onder controle heb. Bovendien: ik was die avond niet dronken, ik wist precies hoeveel ik had gehad. Hoe kon het dan dat ik niks meer wist? En mijn vriendinnen kwijtraakte?

    ‘Die middag vond ik ook blauwe plekken in mijn liezen. Hierdoor, in combinatie met het geheugenverlies en het bloed in mijn onderbroek, begon het te dagen. Beetje bij beetje begon ik me te realiseren: hij moet me gedrogeerd hebben. Met dat ene biertje.

    ‘Die avond belden we Slachtofferhulp. Het was 10 uur. Ze vroegen of ik meteen naar het ziekenhuis wilde komen, maar ik was moe en de eventuele ghb – hadden we gelezen – was al niet meer te traceren in mijn bloed en urine. Achteraf twijfelde ik wel: had ik niet toch moeten gaan?

    ‘De volgende ochtend vroeg de gynaecoloog: wil je aangifte doen? Ze was een schatje, maar waarschuwde wel dat het forensisch lichamelijk onderzoek niet fijn is en dat aangifte een vervelend traject is. Ik antwoordde: ik weet het niet. Ik kende de toenmalige cijfers: het grootste deel van de slachtoffers doet uiteindelijk geen aangifte en bijna 60 procent van de verkrachtingsaangiften wordt uiteindelijk geseponeerd. Die cijfers waren kort daarvoor tijdens een college psychologie voorbijgekomen.

    ‘Mijn moeder zei: laat je alsjeblieft nu wel forensisch onderzoeken en praat met de politie voor een informatief gesprek. Dan kun je later alsnog besluiten of je de aangifte wilt doorzetten. Ik was nog in shock. Als ze dat niet had gezegd, had ik die eerste hobbel waarschijnlijk al niet genomen. Een uurtje later kwamen er twee zedenrechercheurs. Ze waren heel aardig. Ik zei: ik kan het toch niet bewijzen. Zij zeiden: het feit dat jij hier zit, is al bewijs.

    ‘Twee dagen later besloot ik definitief om de aangifte door te zetten. Ik wil niet dat de dader nooit te weten komt wat hij heeft aangericht. Hij mag er niet mee wegkomen. Maar nu, bijna een jaar later, is er nog niets met mijn aangifte gebeurd. De politie heeft de verdachte nog niet gehoord en met geen enkele getuige gesproken.’

    Op de plank
    Dit is het verhaal van Anne. Ze is een student van begin 20. Vorig jaar werd ze verkracht. Ze deed aangifte en wacht nog altijd op het moment dat de politie haar zaak gaat onderzoeken. Eigenlijk, is het advies, moet ze tot die tijd zo min mogelijk over de bewuste nacht praten, om te voorkomen dat de verdachte en getuigen worden beïnvloed. Toch doet ze haar verhaal samen met haar moeder. ‘Het kan toch niet dat dat we dit in Nederland normaal vinden? De verkrachting van mijn dochter ligt al bijna een jaar op de plank’, zegt haar moeder Marjolein.

    Annes verhaal staat niet op zichzelf. Slachtofferhulp Nederland bevestigt het beeld dat zij schetst. Uit opgevraagde politiegegevens blijkt dat het op dit moment, als gevolg van onderbezetting, in 798 gevallen langer dan een half jaar duurt voordat het onderzoek is afgerond.

    ‘Dat is voor slachtoffers onverteerbaar’, zegt Ruth Jager, die niet bij deze zaak betrokken is, maar als advocaat veel zedenslachtoffers bijstaat. ‘Meestal komen zulke verhalen niet naar buiten, omdat het voor slachtoffers zo ongelooflijk moeilijk is erover te praten. Ik heb meerdere zaken die al langer dan een jaar op de plank liggen. Sterker nog, ik verwacht dat Annes zaak nog lang niet aan de beurt is.’

    De afspraak is dat de naam van Anne en die van haar moeder worden gefingeerd en dat details zoals woonplaatsen worden weggelaten. Een enkel detail is gewijzigd, om herkenbaarheid te voorkomen. Want Anne heeft nog altijd de hoop dat de politie haar zaak zal onderzoeken en ze wil het toekomstige rechercheonderzoek niet in gevaar brengen. Om de ontwikkelingen en emoties van afgelopen maanden gedetailleerd terug te halen, gebruikt Anne haar telefoon. Ze heeft een appgroep op Signal met haar ouders, waarin ze hen stap voor stap op de hoogte houdt van het aangifteproces en van hoe het met haar gaat, als een soort dagboek.

    Signal-bericht, 19 maart 2020

    ‘Nope, ik ben nog niet teruggebeld door de politie. Ik ga morgenochtend weer bellen. Echt irritant. Hoe moeilijk is het.’

    ‘Op vrijdag belde ik zelf maar weer met de politie. Ik vertelde wat er was gebeurd en dat ik graag een afspraak wilde maken om definitief aangifte te doen. Ik had al eerder gebeld, maar was ondanks beloften nog niet teruggebeld.

    ‘De vrouw aan de telefoon antwoordde dat alles stillag vanwege corona, ze wist niet wanneer het zou kunnen. Ik zei dat ik begreep dat het nu moeilijk is, maar dat het toch niet zo kon zijn dat ik mijn verhaal niet kon vertellen. Ik móést het kwijt.

    ‘Bovendien wilde ik naar een psycholoog. Dat kan alleen pas nadat je aangifte hebt gedaan, anders beïnvloedt de therapie misschien je herinnering. Toen antwoordde de vrouw: ‘Denk je dat ik er blij van word om thuis te werken?’ Het voelde alsof ik zeikte over mijn verkrachting, terwijl we midden in een pandemie zaten.

    ‘Overstuur belde ik mijn ouders. Vervolgens zijn zij ook gaan bellen. Mijn vader regelde een advocaat en ontdekte dat aangiften voor moord, doodslag en verkrachting ondanks corona wél moesten doorgaan. Mijn moeder nam contact op met de politie. Maar de conclusie was toch: voorlopig gaat er niks gebeuren.

    ‘Drie weken later kon ik uiteindelijk aangifte doen. Via Zoom vertelde ik de politie stap voor stap wat er die nacht was gebeurd. Ik gaf hun de naam en het adres van de dader – ik ken hem uit het studentenleven. En alle gegevens van getuigen, van mensen die ons op het feest hebben gezien.

    ‘Normaal zou je je verklaring meteen moeten ondertekenen, maar dat kon niet op afstand. Het idee was dat ik mijn aangifte later zou ondertekenen, dat ik gebeld zou worden voor een afspraak. Maar zelfs dat is nog niet gebeurd.’


    Beeld Alexandra España

    Te veel zaken
    Vorig jaar kreeg de politie 4.719 meldingen van mensen die zeggen dat ze het slachtoffer zijn van een zedenmisdrijf. Uiteindelijk besloot 56 procent na een eerste informatief gesprek de aangifte door te zetten. En dat is meer dan de politie aankan.

    ‘Landelijk zijn er 3.346 zedenzaken in behandeling’, zegt Lidewijde van Lier, zedenspecialist van de politie. Alleen: met de huidige bezetting kan de politie zo’n 2.700 tot 2.800 zedenzaken aan. ‘We zien dat sinds eind 2017 de werkvoorraad toeneemt en niet meer behapbaar is. Vroeger had je soms een piek en dan was het weer even rustig. Nu is het constant hard werken.’ Mede daarom riep de politie hulp in van rechercheurs van de Koninklijke Marechaussee en van politievrijwilligers. ‘Maar desondanks hebben we permanent honderden onderzoeken meer dan we aankunnen.’

    Voornaamste reden: het opsporingsonderzoek is complexer geworden. ‘Vroeger verhoorde je een verdachte, sprak je met het slachtoffer en de eventuele getuigen. En dat was het. Nu zijn er camerabeelden die je moet uitkijken, telefoons die je moet uitlezen. Daar kunnen rechercheurs dagen mee bezig zijn. Daarnaast kampen we met een hoog ziekteverzuim en zijn er relatief veel ervaren rechercheurs met pensioen gegaan. Het duurt even voordat we nieuwe mensen hebben opgeleid.’

    En dus moeten er keuzes worden gemaakt. In principe worden zaken op chronologische volgorde behandeld. Alleen als er sprake is van bijvoorbeeld een acuut recidivegevaar of een heterdaadsituatie, wordt er meteen ingegrepen.

    De bedoeling is dat er in 80 procent van de zaken binnen een half jaar een afgerond onderzoeksdossier ligt, zodat het Openbaar Ministerie een vervolgingsbesluit kan nemen. Maar in bijna de helft van de zaken (48 procent) redde de politie de zichopgelegde doorlooptijd in 2020 niet. En dat, benadrukt Van Lier, vindt de politie ook niet ‘normaal’. ‘De lange doorlooptijden zijn niet goed voor onze zedenrechercheurs die dit aan slachtoffers moeten uitleggen, maar zéker niet voor slachtoffers zelf. Daarom pakken we het ook aan.’

    Advocaat Jager merkt daarvan nog weinig in de praktijk. Ze maakte afgelopen jaar meerdere keren mee dat de politie haar cliënten een mail stuurde met de boodschap dat hun zaak ‘een plankzaak’ was geworden, oftewel: dat het nog een tijd zou duren voordat het onderzoek van start zou gaan.

    Als voorbeeld pakt Jager er een mail bij die een van haar cliënten afgelopen december ontving van de politie Midden-Nederland. Haar cliënt had in 2019 aangifte gedaan, opa zou tijdens het oppassen hun 4-jarige dochter hebben misbruikt. Het is een tragische zaak, die de hele familie verscheurt. Nadat de vader opnieuw had geïnformeerd hoe het met de aangifte ging, kreeg hij eind 2020 het volgende bericht van een zedenrechercheur: ‘Ik heb net even in de politiesystemen zitten kijken en ik moet helaas vertellen dat er nog steeds niet aan jullie zaak gewerkt wordt. De realiteit is dat er kort geleden zaken uit 2018 in behandeling werden genomen. De situatie is nog steeds zo dat we meer bezig zijn met het aannemen van nieuwe zaken dan dat we zaken kunnen afhandelen die er al liggen.’

    En dat terwijl de politie in 2019 juist 15 miljoen euro extra kreeg om de achterstanden weg te werken. Aanleiding voor het extra geld was berichtgeving van Nieuwsuur in augustus van dat jaar, waaruit bleek dat honderden zedenaangiften maanden en soms zelfs een jaar moesten wachten op onderzoek. Nu, ruim anderhalf jaar later, is dat aantal onveranderd. Al benadrukt een woordvoerder van Slachtofferhulp Nederland dat hun organisatie wel ziet dat de politie ‘hard werkt om dit te verbeteren’.

    Van het geld is de politie extra personeel aan het werven. De eerste wervingsronde heeft plaatsgevonden. ‘We verwachten dat we hiervan op zijn vroegst eind 2021 de eerste effecten gaan zien’, zegt Van Lier. Alleen, voegt ze daaraan toe, door het opleiden en begeleiden van nieuw personeel zal de werkdruk voor de zedenrecherche in eerste instantie verder toenemen.

    En dat is zo pijnlijk, constateert Jager: ‘De zedenrechercheurs zijn echt wel betrokken, ze werken al heel hard. Hun frustratie druipt er ook van af.’

    Signal-bericht, 11 juni 2020

    ‘Ik heb de politie gebeld, mijn aangifte ligt op de bekende stapel. De rechercheur gaat er een aantekening bij zetten dat mijn leven op pauze staat. Ik hoop dat de zaak dan sneller wordt opgepakt. Maar hij had geen duidelijk antwoord op de vraag hoelang het kan duren. Er zijn gewoon heel veel zaken, en niet genoeg mensen.’

    ‘In het begin voelde ik vooral angst, boosheid en verdriet. Ik kon niet over straat zonder constant om me heen te kijken, bang dat ik hem zou tegenkomen. Als ik op de fiets zat, scande ik constant de omgeving. Die gevoelens waren de hele dag aanwezig. Voortdurend speelde door mijn hoofd wat er die nacht in maart was gebeurd en wat ik allemaal niet wist. Ik was een zombie, ik sliep niet goed, ik at niet goed, ik was erg moe. Ik voelde me gewoon kut.

    ‘Maar over een eventueel strafproces was ik nog optimistisch. Ik had me verder ingelezen in wat er in zulke zaken gebeurt, hoe groot de kans op een veroordeling is. Ik las dat als je aantoonbare lichamelijke schade hebt en goede getuigen, er een redelijke kans is.

    ‘Ik had ook gelezen dat het best een tijdje kan duren bij de politie voordat het onderzoek begint, ik zag zelfs een verhaal over iemand die daar acht maanden op had gewacht. Ik dacht: dat is lang, maar ik kan het hebben. Mijn leven staat on hold door het wachten op het politieonderzoek en het vervolgingsbesluit van het Openbaar Ministerie. Maar acht maanden, dacht ik, dat houd ik wel vol.

    ‘Tot de zomer was ik bovendien vooral bezig met het verwerken van de verkrachting zelf. In de zomer ging het zelfs redelijk goed. Ik heb EMDR-sessies gehad en gesprekken met mijn psycholoog. Bovendien bracht ik het grootste deel van de tijd door in de woonplaats van mijn ouders.

    ‘Mijn advocaat had gezegd dat ze zou proberen met de politie af te spreken dat de verdachte vóór 1 september zou worden gehoord. Twee keer heeft ze de politie een herinnering gestuurd, maar er gebeurde niets.

    ‘Eind september ging ik weer achteruit. Ik begon me steeds unheimischer te voelen. Ik ben van mezelf geen boos persoon. Maar ik had zoveel boosheid in me. Zoveel irritatie. Het kropte zich op. Ik werd prikkelbaar en chagrijnig. Als het slecht gaat, krijg ik bovendien buikpijn. Enorm stekende buikpijn.

    ‘Tijdens een werkgroep op 5 oktober hield ik het niet meer vol. Ik appte mijn ouders: ‘Ik moet terug naar de psycholoog.’ Het enige wat op zo’n moment helpt tegen de buikpijn, is om met mijn ouders te praten. Ik belde ze en sprak toen voor het eerst uit dat ik gefrustreerd was.

    ‘Achteraf bezien was dat een kantelpunt. In het begin was ik vooral bezig geweest met het verwerken van die nacht. Inmiddels moest ik constateren dat het hele proces eromheen – het wachten op de politie – mij net zoveel schade had toegebracht als de verkrachting.

    ‘In de weken erna belde mijn moeder opnieuw met de politie. We waren al acht maanden aan het wachten. Eerder had een rechercheur haar al gezegd dat ze kampten met achterstanden, en dat ze chronologisch door de zaken heen gingen. Ze hadden uitgelegd dat het niet aan corona lag, maar dat ze ‘gewoon maanden achterliepen, en er een hele stapel op de plank ligt’.

    ‘Ditmaal zeiden ze dat ze op dat moment bezig waren met zaken van december het jaar ervoor. Mijn moeder zei nog dat ze het verschrikkelijk vond voor de agenten dat ze in die omstandigheden hun werk moesten doen.

    ‘Kort daarvoor had minister Grapperhaus aangekondigd dat seks zonder instemming strafbaar wordt. Hij was een nieuwe wet aan het voorbereiden waardoor het makkelijker wordt om aangifte te doen van seks tegen je wil. Mijn moeder vroeg aan de politie: wat betekent het voor jullie als die wet erdoor komt? ‘Dat de stapel nog hoger wordt, mevrouw’, was het antwoord.

    ‘Mijn moeder zei bovendien dat het idee dat de verdachte nog altijd van niets wist, voor haar heel bezwaarlijk was. Hij zou meer slachtoffers kunnen maken door vrouwen te drogeren. De rechercheur antwoordde: ‘Mevrouw, dat is uw zorg niet. Daar kunnen we helemaal niets aan doen.’ Maar dat is toch juist wél de zorg van de politie? Ze kunnen hem toch op zijn minst verhoren, zodat hij zich betrapt voelt?’


    Beeld Alexandra España

    Slecht voor de verwerking
    Begin november kondigde inmiddels demissionair minister Grapperhaus (Justitie en Veiligheid) aan dat hij alle vormen van onvrijwillige seks strafbaar wil stellen. Naar verwachting is het wetsvoorstel dit voorjaar klaar voor consultatie. Dan kunnen betrokken organisaties zich uitspreken, onder meer over de betekenis van de plannen voor het aantal aangiften en de werkdruk bij de politie. Ook wordt er volgens een woordvoerder dan al een begin gemaakt met de voorbereidingen. ‘Zodat de organisaties die te maken krijgen met meer aangiften er klaar voor zijn als de wet in werking treedt.’ Hoe groot die impact is, wordt nog geïnventariseerd, zegt zedenspecialist Van Lier. ‘Maar duidelijk is: het extra werk kunnen we er niet zomaar even bij doen.’

    Ook advocaat Jager maakt zich zorgen over de gevolgen van Grapperhaus’ plannen op de doorlooptijden. ‘We wonen in een rechtsstaat en iedereen verwacht van de overheid dat als je aangifte doet van zo’n ernstig feit, de overheid overgaat tot actie.’ Gebeurt dat niet, dan kan dat leiden tot ‘secundaire victimisatie’, oftewel: door het gevoel niet serieus genomen te worden, voelt de aangever zich opnieuw slachtoffer. ‘Je bent al slachtoffer geworden, en dan verlies je ook nog eens de regie over het proces dat erna komt. Dat is ongelooflijk slecht voor de verwerking’, voegt een woordvoerder van Slachtofferhulp Nederland toe.

    In het ergste geval, vervolgt Jager, ‘kunnen slachtoffers die het gevoel hebben dat niemand opkomt voor hun rechten, het recht in eigen hand gaan nemen.’

    Zo stond Jager een man bij wiens 13-jarige dochter een 17-jarig vriendje had. Zijn dochter was in de ban van haar vriend. De vader vertrouwde het niet en ontdekte dat de jongen in werkelijkheid 29 was. Hij wist bovendien dat de twee seks hadden. ‘De moeder van het meisje had de man gebeld en hij bevestigde dat hij seks had met hun dochter. De ouders hadden dit telefoongesprek opgenomen. Er lag dus al een bekennende verklaring.’

    De vader belde direct de politie, want een volwassene mag geen seks hebben met een 13-jarige, zegt Jager. ‘Hij had verwacht dat de politie met gillende sirenes zou komen aanrijden, maar het antwoord was: u kunt over drie weken langskomen om aangifte te doen. Mijn cliënt snapte dat niet, hij vond dat het misbruik nú moest stoppen. Zijn dochter werd door haar vriend gemanipuleerd en stond niet meer open voor wat haar vader te zeggen had. Toen heeft de vader zelf een afspraak gemaakt met de verdachte. Dat liep volstrekt uit de hand.’ Haar cliënt werd aangehouden wegens geweld. ‘Bij zijn arrestatie zei mijn cliënt nog: dan wil ik ook meteen zelf aangifte doen tegen de misbruiker van mijn dochter. Maar dat kon dan weer niet.’

    Het lange wachten heeft nog een gevolg, zegt Jager: de kans op een succesvolle vervolging neemt af. In zedenzaken is er vrijwel altijd sprake van situaties met maar twee mensen: één dader en één slachtoffer. Zij leggen vaak tegenstrijdige verklaringen af. Soms zijn er ook getuigen. Jager: ‘Als de politie na een jaar nog moet beginnen met het horen van verdachte en getuigen, bestaat er een reële kans dat het nooit meer wat wordt. Vaak komt het in die zaken aan op details: wie waren er op het feestje, met wie sprak het slachtoffer, wat dronk het slachtoffer, wie zei wat? Slachtoffers herinneren zich alles veelal precies, maar getuigen kunnen zich die details na zo’n lange tijd vaak niet meer voor de geest halen.’

    Zedenspecialist Van Lier herkent dit probleem. ‘We proberen de impact van de lange doorlooptijden zo veel mogelijk te verkleinen’, benadrukt ze. ‘Ook bij zaken waarbij we niet meteen een onderzoek starten, proberen we wel meteen de belangrijkste informatie veilig te stellen. Dat kan bijvoorbeeld door al wel met een belangrijke getuige te praten, zoals degene aan wie het slachtoffer als eerste haar verhaal deed.’ Al is dat in de zaak van Anne niet gebeurd.

    Signal-bericht, 29 januari 2021

    ‘Ik kwam net tot de conclusie dat het bijna een jaar geleden is dat de coronacrisis begon. Dat betekent dat ik ook al bijna een jaar hierin zit. En dat er nog steeds niks is gebeurd.’

    ‘Was het slim om aangifte te doen? Vanaf het begin heb ik gedacht: ik hou zo de regie. Ik neem de beslissingen. Dat voelde goed.

    ‘Maar dat gevoel is inmiddels uit mijn handen gerukt. Ik ben de controle kwijt en zit ‘in de wachtkamer’. Het is wachten, wachten, wachten. En wie weet voor hoelang. Na het politieonderzoek zal het Openbaar Ministerie beslissen of er vervolgd gaat worden. Zo ja, dan is het wachten op een zitting bij de rechtbank. Wie weet duurt het al met al nog wel twee jaar.

    ‘Niemand begrijpt hoe eenzaam ik me hierdoor voel. Iedereen doet zijn best en is lief. Maar niemand maakt het mee.

    ‘Daarnaast is het lastig om erover te praten. Mijn advocaat heeft geadviseerd om de zaak zo min mogelijk met vriendinnen te bespreken, zij zijn de getuigen en mogen niet worden beïnvloed. Bovendien merk ik de laatste maanden dat steeds minder mensen me vragen hoe het gaat. Alsof ze het vergeten zijn. Daardoor voel ik me nog meer alleen.

    ‘De buitenwereld ziet mij als een meisje dat veel lacht. Maar écht blij, zo voel ik me nooit meer. Er is altijd die ondertoon. Onlangs vroeg ik vrienden waarom ze nooit meer naar mijn aangifte vroegen. Ze zeiden dat ze me niet uit mijn ‘blijheid’ wilden halen. Ik antwoordde dat ik liever heb dat ze het wel vragen. Ik sta hiermee op en ga ermee naar bed. De kans dat ik er toch al aan denk op het moment dat iemand iets vraagt, is groot.

    ‘En dan heb ik nog geluk. Ik heb veel vriendinnen, een lieve vriend en ouders met wie ik alles kan bespreken. We zijn bovendien mondige mensen die de politie blijven bellen. Moet je voorstellen hoe eenzaam een verkrachtingsslachtoffer zich moet voelen dat dat allemaal niet heeft.

    ‘Nee, ik heb geen spijt van mijn aangifte. Het blijft belangrijk en ik had het gevoel dat ik iets terugdeed. In het begin hielp dat enorm. Bovendien hoop ik nog altijd op gerechtigheid.

    ‘Maar ik vind wel dat ik nu van me moet laten horen. Dit interview voelt voor mij ook als een aangifte. Tegen het systeem. Iedereen moet weten dat dít blijkbaar normaal is in Nederland. Zo gaat het dus als je aangifte doet van verkrachting.’

    Bron: de Volkskrant >>

    #256964
    Mark
    Moderator

    Als zedenrechercheur is het continu balanceren: ‘Ben maar eens empathisch én kritisch tegelijk’


    Een zedenrechercheur houdt een intakegesprek met een aangeefster (niet de geïnterviewde) © ANP

    Al dik twintig jaar krijgt zedenrechercheur Anne-Marie Brekelmans de verdrietigste en meest vreselijke zaken op haar bureau. ,,Ik heb nog nóóit iemand ontmoedigd om aangifte te doen.”

    ,,Afgelopen jaar heb ik nog een tijdje als rechercheur in de synthetische drugs gezeten. Ook heel belangrijk werk, maar wat ik hier op zeden doe, mensen direct helpen, dat voelt voor mij zo veel relevanter”, vertelt zedenrechercheur Anne-Marie Brekelmans van de politie Oost-Brabant.

    Als zedenrechercheur is het continu balanceren. Want ga er maar aanstaan: je moet empathisch zijn richting een slachtoffer maar tegelijkertijd ook kritische vragen stellen. ,,Wij moeten natuurlijk wel aan waarheidsvinding doen. Dat is soms een lastige balans.”

    Wij zijn geen CSI, hè, dat zaken binnen vijf minuten worden opgelost. Dat denken mensen wel, maar zo werkt het helaas niet
    Anne-Marie Brekelmans

    Hele hoge werkdruk
    Brekelmans probeert altijd zo neutraal mogelijk te blijven. ,,Natuurlijk grijpen sommige zaken me wel aan. Maar dat laat ik niet merken. Ik ben daar als professional. Een slachtoffer heeft er niks aan als ik ook naar de zakdoekjes grijp.” Wat ze wel doet: benadrukken dat een slachtoffer zich prettig moet voelen bij haar. ,,Ik zeg áltijd: geef het aan als dat niet zo is. Dan neemt een collega de zaak over.” Dan: ,,Nee, dat is in al die twintig jaren één keer gebeurd.”

    De werkdruk bij de politie is hoog. Te weinig mensen, te veel werk, het aloude liedje. Maar, zegt ze, wij pakken álles op. En ja, ze snapt dat slachtoffers soms vinden dat het allemaal maar lang duurt. ,,Maar als ik een dna-spoedprocedure aanvraag, ik noem maar wat, kan het alsnog wel anderhalve maand duren. Wij zijn geen CSI, hè, dat zaken binnen vijf minuten worden opgelost. Dat denken mensen wel, maar zo werkt het helaas niet.”

    Gewoon eerlijk zijn
    Afgelopen zomer verscheen er ook nog eens een kritisch rapport waarin stond dat de politie slachtoffers van zedenmisdrijven onbewust zou ontmoedigen om aangifte te doen.

    Ik vertel slachtof­fers ook dat een verdachte tegen de politie mag liegen
    Anne-Marie Brekelmans

    Brekelmans snapt best dat slachtoffers dat zo kunnen vóelen. ,,Maar dat is iets anders dan dat het zo ís. Ik heb zelf nog nóóit iemand willen ontmoedigen. Maar ik vertel wél wat hij of zij kan verwachten als er aangifte gedaan wordt. Daar hebben ze recht op. Ik ben gewoon eerlijk.”

    Dus dan vertelt ze dat er media-aandacht kan komen en dat dat niet altijd fijn is. En dat als de bal aan het rollen is, er geen weg terug is. Aangifte gedaan is aangifte gedaan en vanaf dat punt bepaalt de politie bijvoorbeeld welke getuigen gehoord dienen te worden. Oók als het slachtoffer dat liever niet heeft. ,,En ik vertel ze ook dat een verdachte tegen de politie mag liegen. En in de rechtbank ook. Maar een slachtoffer móet de waarheid spreken.”

    Sexting en wraakporno
    Had Brekelmans dik twintig jaar geleden toen ze begon als zedenrechercheur slechts één collega met dezelfde functie, inmiddels zijn dat er ruim vijftig. Want ja, constateert ze, gelukkig melden steeds meer slachtoffers van seksueel geweld zich.

    Wat daarbij zeker helpt, is de rol van de Centra Seksueel Geweld, waarbij de politie samenwerkt met de GGD en de ziekenhuizen, maar er ook oog is voor nazorg. ,,De zorg voor slachtoffers is over de hele linie nu zo veel beter.” Het werk verandert ook inhoudelijk. ,,Tegenwoordig gebeurt er steeds meer online. Sexting-zaken, wraakporno. En ook digitaal wordt in andere zaken meer bewijs verzameld. Dat maakt het werk anders en arbeidsintensiever.”

    Bron: BN deStem >>

    #256965
    Mark
    Moderator

    Bij zedenzaken is het vaak het ene woord tegen het andere: ‘Voor slachtoffers is het onbestaanbaar als hun zaak niet voor de rechter komt’


    Officier van Justitie Geerte Burgers © Marc Bolsius

    Kippenvel, kwaadheid. Nee, haar werk als zedenofficier van justitie gaat Geerte Burgers niet altijd in de koude kleren zitten. ,,Soms denk ik: dit had mij óók kunnen gebeuren.”
    Bereid je er op voor dat jouw verkrachter gaat zeggen dat jij óók seks wilde. Dat het er in de rechtbank behoorlijk technisch aan toe kan gaan. Dat de rechter op pijnlijke details zal doorvragen. Het zijn van die dingen die officier van justitie Geerte Burgers zichzelf regelmatig hoort zeggen tegen een slachtoffer van seksueel geweld. Zoals ze ook altijd waarschuwt dat een straf alléén nooit alle wonden zal helen. ,,Al kan een rechtszaak natuurlijk wel bijdragen aan het afsluiten van een heel lastige periode.”

    Geerte Burgers neemt ook graag de tijd om in gesprek te gaan met slachtoffers die hun verkrachter of misbruiker nooit in de rechtszaal in de ogen zullen kijken, omdat er onvoldoende bewijs is en hun zaak de rechtbank niet eens haalt.
    Altijd slachtofferbrieven op maat
    En dat is vaak heel moeilijk te verteren. ,,Maar een aangifte, al is die nog zo betrouwbaar, is niet voldoende om iemand te veroordelen. Daar is meer voor nodig. Die juridische werkelijkheid is soms frustrerend voor slachtoffers.”

    Bij zedenzaken maakt het Openbaar Ministerie dan ook altijd slachtofferbrieven op maat. ,,Bij andere zaken werken we veel vaker met standaardbrieven. En we bieden bij zedenzaken ook altijd een persoonlijk gesprek aan, waarin we kunnen vertellen wat we geprobeerd hebben om het bewijs rond te krijgen. Dat het feit dat dit niet gelukt is, niets afdoet aan hun pijn en verdriet. Dat ik hun frustraties begrijp. Ik snáp ook dat het voor slachtoffers onbestaanbaar is als een zaak niet voor de rechter komt.”

    Ben een vent, geef toe wat je deed. Alleen zo kun je je nichtje nog een beetje helpen, na wat je haar hebt aangedaan
    Geerte Burgers

    Ja, dat zijn vaak lastige gesprekken. Maar haar menselijke kant laten zien, in een wereld waarin het nu eenmaal draait om keihard strafrechtelijk bewijs, is voor Burgers belangrijk. ,,Voor een beetje begrip en acceptatie over hoe dat zo gelopen is.”

    Zeker omdat het in dit soort zaken dus altijd om heftige emoties gaat. Dat gaat haar trouwens ook zelf niet altijd in de koude kleren zitten. ,,Bijvoorbeeld als het om kinderen gaat. En soms denk je: dit had jou of mij óók kunnen gebeuren.”

    Kippenvel
    Geerte Burgers dus. 41 jaar, geboren in de regio Tilburg en inmiddels al een kleine tien jaar een van de acht officieren van justitie in Oost-Brabant die gespecialiseerd is in zedenzaken. Mooi werk, zegt ze, al klinkt dat vast raar. ,,Maar het gaat écht ergens over.”

    Of het nou gaat om die zaak vorig jaar waarin een Boxtelaar een kind wilde ontvoeren voor seks en sadisme. Kippenvel, kreeg Burgers van die zaak. De rechtbank vonniste achttien maanden celstraf én tbs. Of die zaak van een meisje dat van haar achtste tot haar zeventiende werd misbruikt door haar oom en daarna niet meer wilde leven. Zichzelf verwondde en opsloot in een donkere kamer. Die de schuld van het misbruik bij zichzelf zocht. Onzin, zei Burgers tijdens de zitting tegen de verdachte: ,,Er is hier maar één schuldige. Ben een vent, geef toe wat je deed. Alleen zo kun je je nichtje nog een beetje helpen, na wat je haar hebt aangedaan.”

    De een een zegt: er was wel dwang, de ander zegt: het was vrijwillig. Dat maakt het zo lastig
    Geerte Burgers

    Het ene woord tegen het andere
    Een recent moment waarop het recht zegevierde? ,,Er was een jonge man die veelvuldig contact zocht met kwetsbare meisjes die zelf seksueel makkelijk over hun grenzen lieten gaan. Die zaak was bewijstechnisch gezien heel lastig, want je moet wel kúnnen bewijzen dat er sprake was van dwang en dat die man opzettelijk aan hun niet-willen voorbij ging. Uiteindelijk is die man veroordeeld tot een gedwongen behandeling in een forensisch psychiatrische kliniek. ,,Nodig ook, want die jongen bleef maar doorgaan.”

    Het lastigste aan zedenzaken is natuurlijk dat het vaak neerkomt op het ene woord tegen het andere. ,,Vaak waren er maar twee mensen bij van wie de één zegt dat iets wel is gebeurd waar de ander zegt van niet. De een zegt: er was wel seks, de ander zegt van niet. De een een zegt: er was wel dwang, de ander zegt: het was vrijwillig. Dat maakt het zo lastig.”

    Vaak zit het OM dan ook tegen het ‘bewijsminimum’ aan. ,,In aanvulling op een aangifte kunnen bijvoorbeeld waargenomen emoties bij een slachtoffer, of bewijs dat de verdachte op de plaats delict is geweest, voldoende steunbewijs zijn om tóch tot het wettig bewijs te komen. Maar of dat zo is hangt sterk af van de omstandigheden.”

    WET VAN GRAPPERHAUS
    Voor verkrachting moet onder de huidige wet worden bewezen dat er sprake was van dwang. Als het aan minister Grapperhaus ligt, wordt dat binnenkort anders: dan wordt alle onvrijwillige seks strafbaar. Met andere woorden: een verdachte kan dan veroordeeld worden als hij wist of had moeten weten dat het slachtoffer geen seks wilde. Ook als er geen sprake is van dwanghandelingen. 

    Of dat gaat helpen in de strijd die bewijs verzamelen heet? Burgers houdt zich op de vlakte: ,,Het is niet aan mij me uit te laten over nieuwe wetgeving in wording. En hoe het in de praktijk zal uitpakken, is afwachten. Wat ik wel herken, is dat slachtoffers heel verschillend op seksueel overschrijdend gedrag kunnen reageren. En sommige reacties zijn bewijstechnisch makkelijker dan andere, laat ik het zo zeggen. Andere – heel natuurlijke – reacties zijn veel moeilijker binnen de huidige strafrechtelijke bepalingen te vangen.”

    We hoeven niet per se iemand veroor­deeld te krijgen, we zijn op zoek naar de waarheid
    Geerte Burgers

    Sommige dingen kúnnen niet wachten
    Er zijn dan ook heel veel zedenzaken die uitmonden in sepot: het Openbaar Ministerie besluit dan een strafbaar feit niet te vervolgen. Volgens landelijke cijfers wordt bijna 60 procent van de verkrachtingsdossiers niet verder in behandeling genomen. En uiteindelijk leidt ongeveer een op de vijf aangiftes tot een veroordeling bij de rechter.

    Burgers bestrijdt dat dit te maken heeft met gebrek aan capaciteit bij politie en het OM. In Oost-Brabant is de werkdruk bij de recherche zó hoog, dat de helft van de dossiers langer dan wenselijk op de plank blijft liggen. Nee, natuurlijk komt dat een zaak niet altijd ten goede, geeft ze wel toe ,,Bijvoorbeeld bij het horen van getuigen. Daar geldt natuurlijk hoe sneller, hoe beter.” Maar dat het OM het daardoor soms laat lopen? Nee! ,,Aangiften worden wél allemaal opgepakt. En we bepalen natuurlijk wel welke handelingen prioriteit hebben, bijvoorbeeld sporenonderzoek op een lichaam. Dat kan níet wachten.”

    Op zoek naar de waarheid
    Samen met de politie maakt het OM voor elke zaak een apart plan. ,,Hoe steek je de zaak in? Waar zitten de bewijstechnisch lastige punten en hoe kunnen we daar iets aan doen? Dat kan van alles zijn: tactische opsporing zoals het horen van getuigen, bijvoorbeeld de eerste tegen wie het slachtoffer haar verhaal heeft gedaan. Technisch onderzoek kan, zoals een forensisch-medisch onderzoek bij het slachtoffer. Dna- en spermasporen kunnen daarbij belangrijke bewijstechnische waarde hebben. Maar je kunt een rapport laten maken over het slachtoffer, bijvoorbeeld om te kijken of iemand wel in staat is om zijn seksuele wil te bepalen.”

    Soms worden ook telefoons afgetapt om bewijs te vergaren. ,,Dat kan natuurlijk ook in ontlastende zin zijn: we hoeven niet per se iemand veroordeeld te krijgen, we zijn op zoek naar de waarheid.”

    Het gebeurt ook wel eens dat een slachtoffer zélf afziet van aangifte, maar dat het OM de zaak toch doorzet. Bijvoorbeeld als het gaat om een verdachte die al vaker in beeld is geweest, maar toen niet gepakt kon worden. ,,Als de zaak zich daar nu wel voor leent, gaan we die toch vervolgen omdat het maatschappelijk belang dat vraagt. Dat proberen we dan natuurlijk wel goed uit te leggen aan het slachtoffer.”

    Bron: BN deStem >>

25 berichten aan het bekijken - 1 tot 25 (van in totaal 28)
  • Je moet ingelogd zijn om een reactie op dit onderwerp te kunnen geven.
gasten online: 21 ▪︎ leden online: 0
No users are currently active
FORUM STATISTIEKEN
topics: 2.759, berichten: 14.841, leden: 1.609
Scroll Up