Angst & paniek

  • Dit onderwerp bevat 37 reacties, 3 deelnemers, en is laatst bijgewerkt op 23/02/2021 om 20:55 door Luka.
13 berichten aan het bekijken - 26 tot 38 (van in totaal 38)
  • Auteur
    Berichten
  • #244522
    Luka
    Moderator

    Leven met een paniekstoornis

    Kan ik weg? Hoe? Waar? Ik wil dit niet. Ik kan dit niet. Allemaal gedachten die door je hoofd gaan als je met een paniekstoornis op bijvoorbeeld de metro staat te wachten.

    #244523
    Luka
    Moderator

    Hoe voelt een paniekaanval?

    Sommige mensen hebben last van paniekaanvallen of hebben ooit wel eens een paniekaanval gehad. In deze video laat Fleur zien hoe een paniekaanval voelt en wat de symptomen zijn.

    #244524
    Luka
    Moderator

    Hyperventilatie

    Een ervaringsdeskundige vertelt wat hyperventilatie met haar doet en wat ze eraan gedaan heeft om de klachten te verminderen. Een deskundige, klinisch psycholoog en psychotherapeut Ed Berretty, vertelt over het mechanisme waardoor een hyperventilatie-aanval wordt uitgelokt.

    #244658
    Luka
    Moderator

    TELEFOONANGST? LOS ‘M OP MET 1 PSYCHOLOGISCHE TRUC

    Je zou het bijna vergeten, maar onze telefoon is ooit bedoeld om mee te bellen. Een handeling waar verrassend veel mensen moeite mee hebben. Telefoonangst, noemen psychologen het. De oplossing voor telefoonangst heeft ook een naam: ‘cognitieve herstructurering’ – een simpele breintruc.

    We hoeven steeds minder te bellen. Dat is zeker. Contact met vrienden en familie onderhouden we via WhatsApp in plaats van bellen, tandarts- en kappersafspraken maken we online – in plaats van bellen, restaurants boeken we via Couverts – in plaats van bellen, vakanties via Skyscanner – in plaats van bellen of een reisbureau bezoeken. Onze smartphones zijn zulke geweldig uitgebreide apparaten geworden dat we bijna altijd wel een alternatief kunnen bedenken voor bellen.

    Toch komen we er niet helemaal onderuit. Voor je werk moet je waarschijnlijk regelmatig bellen met collega’s of klanten. En dat belletje naar een verre vriend of oude oma, daar zul je toch aan moeten geloven om die relaties gezond te houden.

    Het slechte nieuws voor alle belbangeriken is daarom helaas: bellen (of Skypen) blijft.

    Het goede nieuws daarentegen is mooi: je telefoonangst valt af te leren. En dat kun je in de meeste gevallen prima zelf doen. Hoeft normaal gesproken geen angststoornis gespecialiseerde psycholoog aan te pas te komen. Toch halen we er even een paar van die breinkenners bij. Want om tot de oplossing te komen, moeten we ons probleem eerst even iets beter begrijpen. De kenners leggen uit.

    HET PROBLEEM MET TELEFONEREN
    Onze telefoonangst komt niet uit het niks. Er zitten wel degelijk bepaalde verklaarbare angsten achter het telefoneren. Want wat is het precies dat ons zo de stuipen op het lijf jaagt wanneer we een telefoon oppakken om te bellen of moeten opnemen wanneer we gebeld worden? Belangrijk om dat eerst even helder te hebben.

    Het antwoord is 5-ledig.

    1. Het gebrek aan lichaamstaal beperkt je
    Een face-to-face gesprek werkt intuïtief. Je ziet het wanneer iemand aandachtig luistert doordat de ander je aankijkt, je ziet het wanneer iemand is afgeleid doordat zijn blik in het rond schiet, je ziet het wanneer iemand oordeelt door zijn wenkbrauwen samen te trekken, je ziet het wanneer iemand je aanspoort om verder te praten met zo’n klein knikje.

    Aan de telefoon zie je niks, zoals je weet. En dat is precies een van de belangrijke aspecten die zorgen voor dat bang en onzeker gevoel, bevestigt Alison Papadakis – klinisch psycholoog en professor die stress onderzoekt aan de Johns Hopkins Universiteit:

    “Alles wat we hebben is de stem. Dat kan behoorlijk zenuwslopend zijn voor mensen die telefoonangst hebben ontwikkelt.”

    2. De tijds- en prestatiedruk is groot
    ‘Als gebrek aan lichaamstaal zo’n groot probleem is, waarom heb ik dan geen probleem met berichtjes versturen – waarbij precies hetzelfde aan de hand is?’, zul je denken. Goede vraag. Goed antwoord: dat komt doordat je bij berichtjes sturen zelf de tijd in handen hebt. Jij kunt tikken en typen zoveel en zo lang als je wil. En je kunt corrigeren zoveel je wil, voordat je communiceert.

    Dat is precies wat bij telefoneren niet kan. Prof. Papadakis:

    “Je kunt aan de telefoon wel soort van corrigeren en iets terugnemen wat je zei, maar niet écht. Wat is gezegd, is gezegd.”

    Voor altijd.

    3. Het is opdringerig
    Iemand opbellen of gebeld worden gaat niet even tussendoor. Je moet andere taken echt neerleggen en je focus volop het bellen storten. Dat maakt het een redelijk grote opdracht, die daardoor best ingrijpend is in jouw tijdschema. Ten opzichte van een berichtje sturen, tenminste.

    Waar de meeste bellers niet voldoende bij stilstaan: bij degene die je belt is dat precies hetzelfde. Bel je op, dan is de kans behoorlijk groot dat je stoort. Tenzij je hebt afgesproken om te bellen op een bepaald tijdstip, is hij of zij niet toevallig net aan het wachten op jouw telefoontje.

    “Mensen met belangst maken zich zorgen zoals; ‘ga ik deze persoon storen?’ of ‘Ben ik een lastpost als ik nu bel?’”, zegt Jeremy Jamieson – professor in de psychologie aan de Universiteit van Rochester, gespecialiseerd in sociale stress en emotieregulering.

    4. Iedereen luistert mee
    Werk je in zo’n vreselijke kantoortuin, dan ben je helemaal de sjaak. Iedereen hoort je namelijk. En iedereen luistert mee. Nee, dat is niet iets dat jij je in je hoofd hebt gehaald. Het is waar.

    Dit onderzoek van de Cornell Universiteit toonde aan dat zogenaamde ‘halvologen’ (dialogen waar je maar de ene helft van mee krijgt, doordat iemand telefoneert) ontzettend afleidend werken. Je kunt er bijna niet niet naar luisteren. Er valt je collega’s dus weinig kwalijk te nemen, maar vervelend is het wel – dat alle aandacht naar jouw telefoongesprek gaat.

    En dat komt juist door het gebrek aan aanwezigheid van die ander, legt klinisch psycholoog met een specialisatie in angststoornissen Alexander Queen uit:

    “Wanneer je aan de telefoon zit, is de andere persoon niet aanwezig om de aandacht van jou weg te nemen. Jij gaat de volle focus krijgen, omdat jij de enige persoon in dit gesprek bent die fysiek aanwezig is in de ruimte.”

    5. Iedereen oordeelt
    Doordat er volop naar jou geluisterd wordt, door je gesprekspartner en als je pech hebt ook nog alle mensen om je heen in de ruimte, wordt wat je zegt ook vanzelf volop beoordeeld. En dat is iets waar ons van nature het zweet van uitbreekt.

    Dr. Jamieson:

    “We houden er niet van om geëvalueerd te worden door andere mensen. Onze hele overlevingsdrang hangt af van andere mensen – we zijn erg sociale wezens – waardoor het ons telkens veel stress oplevert wanneer we open en bloot staan voor oordelen en evaluaties. Het is dezelfde angst als bij spreken in het openbaar of in een sollicitatiegesprek.

    Een angst die iedereen al eens meegemaakt heeft, geef toe.

    Alleen sommigen onder ons maken het continu mee wanneer er een telefoontje gepleegd moet worden. Komen we daar ooit van af? Jawel, zegt dr. Selena Snow – psychologe die stress en angsten behandelt:

    “Telefoonangst is een aandoening die vatbaar is voor behandeling. Hulp is beschikbaar. Soms denken mensen ‘ik kom hier nooit meer vanaf’, maar dat is niet het geval.”

    Ik zei toch dat er goed nieuws was!

    DE OPLOSSING VOOR TELEFOONANGST
    De combinatie van 5 bovenstaande dingen leveren jou de kriebels (of misschien wel gutsend angstzweet) van je telefoonangst op. Het zijn de oorzaken van je telefoonangst. Nu over naar de oplossing.

    En die komt van dezelfde psychologen die je bovenstaande oorzaken hebben uitgelegd. Zij hebben ervaring met dit soort zaken: angststoornissen. Want het is er één, in welke mate hij bij jou ook van toepassing is.

    Wat we volgens dr. Papadakis altijd doen wanneer we te maken hebben met angsten, is heel typisch. En helemaal verkeerd.

    “Mensen die neigen naar een sociale angst hebben de neiging om erg te focussen op zichzelf en wat ze doen, om er zeker van te zijn dat ze niet iets doen dat verkeerd of genânt is. Dat maakt het alleen maar moeilijker om een gesprek te voeren. Wanneer ik vooral let op wat ik zeg en niet op wat jij vraagt, dan is het heel moeilijk om te reageren en communiceren.”

    Kortom: doordat je zo bezig bent met ‘het goed doen’, stop je met het belangrijkste gedeelte van elk (telefoon)gesprek. Luisteren. Daardoor bak je er juist niks van en raak je verder verzeild in je telefoonangst.

    De truc
    Je helpt jezelf de penarie in, doordat je brein allerlei alarmerende denkpatronen in het wilde weg strooit: “Ik bak hier niks van”, “Ik mag niet per ongeluk iets fout zeggen”, “Ik val de ander waarschijnlijk hartstikke lastig als ik nu bel”. Het zijn allemaal aannames die je angst voeden.

    Precies daar zit ‘m de oplossing voor je probleem. Door te beginnen met erkennen dat het aannames zijn, en geen feiten. Of zoals dr. Scharfstein het zegt:

    “Onze gevoelens zijn geen feiten, en onze gedachten zijn geen bewijs dat iets waar is.”

    Wat je vervolgens doet, is die aannames in een nieuw perspectief zetten. Deze techniek heet ‘cognitieve herstructurering’ en helpt je je angstige denkpatronen weer op het rechte pad te krijgen.

    Zodra één van de 5 genoemde zorgen naar boven komt, relativeer je hem met ‘cognitieve herstructurering’:

    • ‘Ik stoor de ander waarschijnlijk verschrikkelijk’ wordt ‘Als hij of zij geen tijd voor me heeft, pakt ze de telefoon niet op’.
    • ‘Ik moet niks doms zeggen waar ik om veroordeeld kan worden’ wordt ‘Als ik iets doms zeg, is de ander dat 2 minuten nadat ik ophang waarschijnlijk alweer vergeten.’
    • ‘Ik bak hier niks van’ wordt ‘Wie is er nu supergoed in telefoneren? Misschien zit de ander wel net zo in de zenuwen als ik.’Met behulp van deze cognitieve gedragstherapie zwak je je angstige gedachten zo af door een tegengedachte te presenteren. De laatste zal winnen, omdat deze nu eenmaal realistischer is.

    En dan oefenen!

    Zodra je je telefoonangst onder controle hebt, is het een kwestie van je ervaring opbouwen, zegt dr. Papadakis. Want feit is dat we tegenwoordig nu eenmaal steeds minder ervaring hebben met telefoneren, doordat het ons zo gemakkelijk wordt gemaakt om alternatieven te kiezen met onze smartphone. Daardoor zie je dat vooral veel jongere mensen last hebben van telefoonangst.

    Dr. Jamieson:

    “Het is ongemakkelijk voor jongere mensen, zoals het voor oudere mensen ongemakkelijk is om Facebook te gebruiken. Je kent de regels niet helemaal en eigenlijk weet je niet precies wat je aan het doen bent.”

    Andersom zullen ouderen eerder bellen dan uitvogelen hoe WhatsApp werkt. Allemaal een kwestie van wat je gewend bent en wat voor jou de meeste gemakkelijke en veilige optie is.

    Om telefoneren voor jou gemakkelijker te maken, heb je dus meer ervaring nodig. En daar is maar één oplossing voor; vaker bellen.

    Bel naar het restaurant waar je van het weekend wil eten, om te reserveren. Als je zover bent, gooi je er misschien nog wat vragen bij. “Tot hoelaat is de keuken open?”, “Serveren jullie ook vegetarische gerechten?”, “Kunnen we een plek bij het raam krijgen?” – allemaal opties om je telefoon-skills te oefenen. Je kunt ze zelfs noteren van tevoren, als dat je telefoonangst wat indamt.

    Oefen, oefen, oefen, in elk geval.

    Gewoon door je telefoon wat vaker te zien als het bakelieten apparaat dat het ooit was – en even te vergeten dat je kunt berichten via WhatsApp en vragen stellen via Siri. En onthoud: juist door te bellen bereik je vaak veel sneller de resultaten die voor jou (en je werk) van belang zijn.

    Bron: Assertief.nl >>

    #244706
    Luka
    Moderator

    ALS JE EEN HYPOCHONDER BENT (EN DR GOOGLE HET ALLEEN MAAR ERGER MAAKT)

    Met de komst van internet werd Abby Sluijter (34) een hypochonder. Websites als ‘dokterdokter.nl’ of ‘gezondheidsplein’, verpesten haar enorm. Zeker, het is handig om op Google te zoeken waar bepaalde symptomen op kunnen duiden. Maar bij Abby komt er altijd het ergste uit. Bij haarzelf én bij anderen.

    Laatst moest mijn moeder, die keer op keer blaasontsteking kreeg, wel blaaskanker hebben. Dat had ik bij elkaar gegoogeld. Zij liet zich door mij niet op de kast jagen met blaaskanker. Ikzelf kon er niet van slapen dat ze dat vermoedelijk had. Dat de klacht ook overganggerelateerd kon zijn, werd mij via internet helaas niet duidelijk.

    Internet vertelt je lang niet alles, met een dokter kom je nog altijd veel verder. Dat werd me duidelijk toen ik bij mezelf kinkhoest diagnosticeerde. Al wekenlang was ik aan het hoesten, tot kotsen toe. Hoesten en overgeven, dat is onomstotelijk bewijs voor kinkhoest, las ik online. “Verminderde weerstand”, zei mijn dokter, nadat ze zorgvuldig had onderzocht. Natuurlijk twijfelde ik aan haar diagnose, want dat doen mensen met hypochondrie. Doodvermoeiend moet dat zijn voor al die artsen die jarenlang gestudeerd hebben om mensen die echt wat mankeren beter te maken. In plaats daarvan kampen ze met wachtkamers vol met hypochonders. Want hypochondrie: dat is nog eens een veel voorkomende aandoening! Honderdduizenden mensen in Nederland hebben hier last van. Hypochondrie is geen ziekte maar een angststoornis. We maken onszelf bang, en pillen om daar vanaf te komen zijn er helaas niet.

    En waar zijn we nou precies zo bang voor? Hypochonders denken dat ze kanker hebben, een hartaandoeningen, een chronische ziekte of een dodelijke zoals ALS of aids. En ja, ik heb me weleens afgevraagd of ik de dodelijke spierziekte ALS te pakken had toen ik geregeld iets uit mijn handen liet vallen. En mijn huisarts verzoeken om een aids test komt mij ook bekend voor: aids zou weleens de oorzaak kunnen zijn voor al die vage symptomen. Wat blijkt keer op keer? Ik ben kerngezond. Maar in mijn hoofd blijven alle mogelijke ernstige aandoeningen hun ronde doen.

    Dat komt doordat hypochonders last hebben van tunnelvisie. Ze zijn te sterk gericht op elk bultje, krampje, pijntje of ander ongemak. Wat ze niet beseffen is dat bultjes, pijntjes en krampjes ook onschuldig kunnen zijn. Gelukkig is Hypochondrie geen terminale aandoening. Als het je echt in je functioneren belemmert omdat het je hoofdpijn bezorgt of hyperventilatie, dan is cognitieve gedragstherapie iets wat goed kan werken. Ben je niet zo’n zwaar geval, dan helpt het om er op los te relativeren. Uiteindelijk sterven er meer mensen aan ouderdom dan aan kanker. Gelukkig kwam ik een heel goed recept tegen, wederom op internet, iets wat bijzonder goed werkt bij hypochonders. En dat recept luidt: The best cure for hypochondria is to forget about your body and get interested in someone else’s.

    Bron: Mynd >>

    #244707
    Luka
    Moderator

    Wil Wheaton on Generalized Anxiety Disorder, Chronic Depression, and Recovery

    This is a video from Wil Wheaton, (@wilw) an actor, writer, and king of the internet. Wil is best known for his work on Star Trek: The Next Generation and The Big Bang Theory. Wil talks about his struggles with Generalized Anxiety Disorder.

    #247095
    Luka
    Moderator

    Waarom angst helemaal geen beperking hoeft te zijn

    Om haar angsten beter te begrijpen dook voormalig econoom Saskia Kalb de biologie en psychologie, maar ook de filosofie, boeddhisme en de joodse kabbala in. Ze kwam tot de conclusie dat angst niet een beperking, maar juist een goede motivator kan zijn.

    Meteen aan het begin van het interview geeft Saskia Kalb al aan dat ze nerveus is. Ze heeft sinds haar jeugd al last van angsten en paniekaanvallen, angsten zonder concrete oorzaak. Rond haar dertigste werden die zo heftig, dat ze besloot dat er iets moest veranderen. Ze probeerde van alles: verschillende psychologen, homeopathie, yoga. Toen niets bleek te werken, klopte ze bij haar psychiater aan voor medicijnen. Maar hij weigerde die haar te geven. Kalb: “Hij zei dat ik alles in me had om op een constructieve manier met de angst om te gaan.”

    Kalb (1966) gaf haar baan in de financiële sector op en besloot bij verschillende theorieën te rade te gaan waar haar angst nou vandaan komt: in de biologie, de psychologie, maar ook in de filosofie en bij het boeddhisme. Die ervaringen en de kennis die ze opdeed over angst in die verschillende theorieën, schreef ze op in het boek ‘De schoonheid van angst’, dat onlangs verscheen.

    Ondanks uw angsten besloot u toch om dit boek te schrijven en te publiceren. Waarom?

    “Het is verschrikkelijk eng om mezelf zo bloot te geven, maar ik wilde mijn angst omzetten in iets positiefs, zodat ik daar iemand mee kan helpen. Ik denk dat ik een boek heb geschreven dat ik zelf had willen lezen toen ik dertig was. Waardoor ik weerbaarder zou zijn geweest en zelf had kunnen kiezen welke therapieën wel en niet bij mijn karakter passen.

    “Ik las dat een op de vijf mensen tijdens zijn leven met een angststoornis te maken krijgt, en de helft daarvan daar niet over durft te praten. Dat vind ik ernstig, en ik heb daar compassie voor, want ik weet hoe dat voelt. Hoe je daardoor vereenzaamt. Ik heb me heel lang niet begrepen gevoeld, omdat ik er niet over sprak. Mijn ouders wisten het niet, mijn broertje wist het niet, mijn beste vrienden en vriendinnen wisten het niet.”

    U schrijft dat angst tegenwoordig meer op de loer ligt, bijvoorbeeld door sociale media. Wat bedoelt u daarmee?

    “Individualisering was vroeger iets positiefs: mensen kregen het recht om te zeggen wat ze wilden en mochten zichzelf zijn. Maar dat is doorgeslagen; mede door de sociale media is individualisering een concurrentieslag geworden. Het gaat niet meer om jezelf ontwikkelen, maar om beter te zijn dan de ander. Ik moet een mooiere vrouw hebben dan jij, een betere baan, intelligentere kinderen. Ik denk dat dat veel onrust en angst in de hand werkt. Mensen zijn ook veel meer in hun hoofd gaan zitten, en zoeken minder de verbinding met de natuur.

    “Mensen leggen zichzelf veel druk op, maar zijn ook minder weerbaar dan vroeger. Kinderen worden beschermder opgevoed. Met angst moet je leren omgaan. Ik zou willen pleiten voor psychologie als verplicht vak op de middelbare school. Met handvatten om te leren welke angsten je bij jezelf zou kunnen herkennen, en hoe je daar op een constructieve manier mee om kan gaan. Dat zou niet alleen het taboe doorbreken, maar kinderen ook weerbaarder maken.”

    Uw boek heet ‘De schoonheid van angst’. Wat is er zo mooi aan angst?

    “Angst kan een enorme motivator zijn, een leermeester, iets wat je vooruitbrengt als je de confrontatie ermee aandurft.

    “Als je je angstig voelt over iets, moet je niet denken dat dat een signaal is dat je iets niet moet doen. Angst geeft juist aan dat je op het punt staat om een belangrijke verandering mee te maken. Volgens mij zijn alle angsten in de basis angst voor verandering, of het nou angst voor een nieuwe baan is, angst voor een verhuizing of voor de ultieme verandering van leven naar dood.

    “Er zijn veel wetenschappelijke onderzoeken die aantonen dat angst samengaat met een enorm aantal positieve karaktereigenschappen: intelligentie, tolerantie, een groot probleemoplossend vermogen. Allemaal mooie eigenschappen die belangrijk zijn in de samenleving. Ik heb in mijn werk veel last gehad van het feit dat ik angstig was, wat niet paste bij de cultuur waarin ik werkte. Nu zou ik als leidinggevende altijd een angstig persoon in mijn team willen hebben, omdat die een belangrijke functie heeft in het opsporen van risico’s en het oplossen van problemen.”

    Dus angst is helemaal geen slechte raadgever?

    “Nee, voor mij niet. Nou, angst voor angst is een heel slechte raadgever, want dan beland je uiteindelijk bij paniekaanvallen, dat je bang wordt om weer een angstaanval mee te maken. Maar angst op zich is een goede raadgever. Die zegt: je staat voor een grote uitdaging, neem die stap. Het feit dat je angstig bent, betekent dat iets belangrijk voor je is.”

    Aan welke van de theorieën die u bespreekt, heeft u zelf het meeste gehad?

    “Wat me veruit het meeste heeft geholpen, buiten de psychoanalyse, zijn de filosofie en het boeddhisme. Die leerden me mijn angst te relativeren. Het boeddhisme was voor mij fijn, omdat het zegt: angsten komen binnenwaaien en gaan ook weer weg, als eb en vloed. Door te mediteren leer je gedachten en emoties te bekijken zonder daar een label op te plakken. Je moet proberen om te accepteren dat die angst of dat verdriet er gewoon is, en ook weer over zal gaan.

    “Voor filosofen is angst een interessant gegeven waarmee je vooruitkomt in het leven. De Deense filosoof Søren Kierkegaard zei: jezelf leren kennen staat gelijk aan het leren kennen van je angsten. Daarmee heb je een instrument in handen om een authentiek mens te worden.”

    U beschrijft ook hoe angst volgens Kierkegaard samenhangt met de vrijheid om keuzes te maken.

    “Hoe meer vrijheid je hebt, hoe meer angst je hebt. Maar ook hoeveel meer potentie om dingen te bereiken in het leven, volgens Kierkegaard. Als voorbeeld geeft hij de man die op de rand van een hoog gebouw staat. Die heeft de keuze om te springen. Dat noemt Kierkegaard de duizelingwekkendheid van de vrijheid. Hoogtevrees is niet de vrees voor hoogte op zich, het is de angst voor jezelf, omdat jij de beslissing zou kunnen nemen om eraf te springen.

    “Volgens Kierkegaard heb je de vrijheid om keuzes te maken, om veranderingen aan te gaan. Je kunt de confrontatie met die verandering aangaan, wat gepaard gaat met angst. Dan ontwikkel je je. Of je gaat de verandering niet aan, en je ontwikkelt schuld. Dat is ook geen fijne emotie. Schuld kan weer tot angst leiden.”

    Ook de joodse mystieke traditie van de kabbala was voor u een eye-opener.

    “De kabbala zegt: hoe groter je angsten, hoe groter je ego. Heb maar eens iets minder verwachtingen van jezelf en van het leven. Iedereen draagt zijn eigen bagage aan leed met zich mee. Waarom zou jij meer recht hebben op aandacht dan een ander?

    “Dat relativeerde ontzettend. Ik moest toegeven dat ik dacht dat ik het zwaarder had dan een ander vanwege mijn angsten, en dat ik daarom meer aandacht verdiende. Maar iedereen draagt zijn eigen koffers met pijn bij zich. Mijn psychiater zei terecht: wie heeft jou ooit beloofd dat het leven alleen maar leuk is?”

    Heeft het schrijven van het boek u geholpen met uw angst om te gaan?

    “In eerste instantie hielp het me, denk ik, niet dat ik pijnlijke persoonlijke ervaringen op moest halen. Dat maakte me weer extra gevoelig voor angst. Aanvankelijk wilde ik het boek onder een pseudoniem schrijven, maar dat zou niet eerlijk zijn. Ik propageer in het boek juist dat je je niet moet schamen, dat je trots moet zijn op je angst.

    “Op de langere termijn heeft het schrijfproces me wel geholpen om mijn gedachten beter te kunnen structureren. Misschien krijg ik weer een paniekaanval, want het hele proces rondom de publicatie is heel spannend. Maar dat is dan maar zo. Juist dat ik zoveel angst voel, betekent dat ik op de drempel sta van iets belangrijks. De reacties van mensen die zich al geholpen voelen door mijn verhaal zijn hartverwarmend.

    “Ik heb mijn angsten inmiddels geaccepteerd. Vroeger zat angst achter het stuur, nu is het een co-piloot geworden.”

    Bron: de Volkskrant >>

    #248640
    Luka
    Moderator

    Chronische hyperventilatie door verkeerd ademhalen 

    Hyperventilatie en verkeerd ademen door stress of burn-out? Flink doorwerken, veel werk verzetten en daarbij in een hoge versnelling functioneren is op zich helemaal niet erg. Als je het maar voldoende en regelmatig weet af te wisselen met letterlijk en figuurlijk even op adem te komen.

    Ademhaling is voor ons allen zó vanzelfsprekend dat we niet realiseren hoe ongelofelijk belangrijk en bepalend onze ademhaling is. Stop nu eens 2 minuten met ademen en je merkt gelijk het levensbelang van je ademhaling.

    Als je structureel in een te hoge versnelling zit, zal ook je ademhaling in een hogere versnelling geraken, zelfs als je stilzit of op bed ligt. Wanneer je lichaam daaraan gewend raakt kun je daar ´ziek´ van worden.

    De invloed van stress op ademhaling
    In geval van stress bereidt je lichaam zich voor om heel snel te kunnen reageren. Hier is zuurstof voor nodig, veel zuurstof. Je hart pomp als een bezetene om je afvalstoffen zo snel mogelijk te verwijderen, en je spieren te voorzien van zuurstofrijk bloed, zodat je maximale kracht kunt leveren.

    Maar op het moment dat je in een continue toestand bent van vechten of vluchten (een chronische stresssituatie) die leidt tot een chronische vorm van stress, kan dat leiden tot hyperventilatie door stress, maar ook:

    • Disfunctioneel adempatroon
    • Ontregelt raken van je ademhaling, tot zelfs stemproblemen
    • Paniekaanvallen

    Hyperventilatie door stress
    Onze ademhaling gebeurt ‘autonoom’. Dat wil zeggen dat het vanzelf wordt aangestuurd. Je hoeft er niet over na te denken om te ademen. Gelukkig maar, anders zou je nachtrust er heel anders uit zien.

    Als je niet nadenkt over je ademhaling, regelt het ademhalingscentrum in je hersenen dit. Daarbij let het centrum op de zuurgraad in het bloed, en daarnaast op de hoeveelheid zuurstof in het bloed.

    Negatieve vicieuze cirkel
    Stress, angst en depressieve gevoelens prikkelen het ademhalingscentrum. Hierdoor ga je verkeerd ademen (via de borstkas) Vervolgens daalt de hoeveelheid koolzuur in je bloed. Vervolgens gaat het spierweefsel dat rondom o.a. de luchtwegen, darmen, slagaderen en maag, zich samentrekken waardoor er stressklachten ontstaan.

    Deze gevoelens geven meer stress, maken je angstig en maken je depressief, waardoor de cirkel weer rond is (zie ook de afbeelding hieronder). Voor het welzijn van zowel je geest als je lichaam is een goede ademhaling dus cruciaal.

    De invloed van stress op hyperventilatie
    Het ademhalingscentrum staat onder invloed van stress en emoties. Als je gestrest bent, zucht je vaak. Bij schrik of spanning houd je de adem in. Eenmaal bekomen van de schrik, slaak je een zucht. Bij hevige stress, angst, of emotionele gebeurtenissen wordt het ademhalingscentrum geprikkeld waardoor je ademhaling gaat versnellen. Evenals je ademhaling weer vertraagt op het moment dat je stressfactoren weer zijn opgeheven.

    Bij chronische stress raakt je lijf aan deze verhoogde ademhaling gewend en kan de ademhaling een eigen leven gaan leiden. Het ademhalingscentrum went aan het lagere koolzuurgasgehalte, raakt ontregeld en komt uiteindelijk in hyperventilatie terecht. Uiteindelijk leidt dit tot chronische hyperventilatie.

    Symptomen van chronische hyperventilatie
    Je verliest teveel koolzuur door de te snelle ademhaling. Het koolzuurgehalte in je lichaam daalt en je krijgt teveel zuurstof binnen. De mogelijke symptomen van dit probleem vormen een lange lijst.

    Een veelvoorkomende klachten zijn:

    • Duizeligheid
    • Een druk op de borst
    • Tintelingen rond de mond of in de vingers
    • Een gevoel van onrust en angst
    • Overmatig transpireren
    • Een benauwd gevoel
    • Kortademigheid
    • Vermoeidheid
    • Droge mond
    • Keelpijn
    • Heesheid

    Deze problemen ontstaan doordat patiënten vaak door hun mond inademen, waar je normaal gesproken door je neus inademt. Ten gevolge hiervan kunnen de keelslijmvliezen uitdrogen, wat problemen geeft met slikken en wat keelpijn als gevolg heeft. De bovenstaande symptomen spreken misschien redelijk voor zich en komen veel voor, maar de lijst van mogelijke klachten is een stuk langer.

    Voordelen van het juist ademhalen

    • Herstel: Je herstelt sneller. Door beter ademhalen verlaagt je hartslag waardoor je lichaam tot rust komt. Door de rust hertstelt je lichaam sneller en beter van een inspanning (mentaal/ fysiek
    • Slaap: Je slaapt beter. Door het doen van ademhalingsoefeningen word je rustiger, gedachten gaan uit, slaap gaat aan.
    • Sportprestaties: Je kunt er beter door bewegen. Met een te hoge ademhaling ben je snel uitgeput.
    • Betere focus: Drijven je gedachten regelmatig helemaal weg? Doe 2 minuten ademhalingsoefeningen, en je zult zien dat je weer gefocust bent.

    Bron + tips voor beter ademhalen: Meulenberg Training & Coaching >>

    #251311
    Luka
    Moderator

    Eindeloos piekeren: waarom je het vaak ’s nachts doet en hoe je er (een beetje) vanaf komt

    Iedereen heeft er wel eens last van: de hele nacht wakker liggen met piekergedachten. Wat moeten we met dat getob? En wanneer wordt piekeren problematisch? We vroegen het ‘piekerprofessor’ Bart Verkuil.

    Af en toe een doorwaakte nacht vol zorgen is voor veel mensen herkenbaar, maar verschillende studies laten zien dat 1 tot 3 procent van de Nederlanders het afgelopen jaar met een heuse piekerstoornis kampte. Hoe ga je daarmee om? Bart Verkuil, die als psycholoog mensen met piekerstoornissen behandelt en aan de Universiteit Leiden onderzoek doet naar piekeren, geeft advies in zijn boek De gelukkige piekeraar.

    Waarover praten we precies als we het over piekeren hebben?
    ‘Piekeren is gedefinieerd als een aaneenschakeling van negatieve en op de toekomst gerichte gedachten. Het zijn vaak gedachten in de vorm van rampscenario’s: ‘wat als x gebeurt?’ Piekergedachtes gaan over zaken die voor jou mogelijk bedreigend zijn in de toekomst. Er zit dus een heel persoonlijke component aan piekeren, wat het onderscheidt van bijvoorbeeld simpelweg diep nadenken.’

    Wanneer wordt piekeren een probleem?
    ‘Op het moment dat je gepieker je dagelijks leven gaat beïnvloeden. Piekergedachtes kunnen je geest zo in beslag nemen dat het je relaties met familie of vrienden schaadt, ten koste gaat van je nachtrust of je depressief maakt. Op een gegeven moment kunnen mensen echt vastlopen in hun gepieker. Zeker als het niet aanzet tot actie. Dan kun je in de situatie terechtkomen dat je problemen krijgt op je werk, dingen gaat vermijden of veel gaat klagen.

    ‘Je krijgt een diagnose als je over een periode van meer dan zes maanden echt helemaal in beslag wordt genomen door die piekergedachtes.’

    Hoe ziet de wereld van iemand met een piekerstoornis eruit?
    ‘Diegene is continu bezig om alles op een hele negatieve manier in te kleuren. Chronische piekeraars zien overal gevaar in en zijn altijd bezig met wat mogelijk mis zou kunnen gaan. Deze mensen hebben over het algemeen veel behoefte aan controle in hun dagelijkse leven. Het piekeren is een manier geworden om die controle te ervaren.’

    Controle krijgen op het leven door te piekeren? Hoe zit dat?
    ‘Door in gedachten met de toekomst bezig te zijn, proberen piekeraars er een beetje grip op te krijgen. Daarbij speelt mee dat piekeren een verbale bezigheid is. Je stelt je de toekomst op een talige manier voor – in plaats van op een visuele. We weten dat talige gedachten minder emotionele reacties oproepen dan beelden. Als je praat over een auto-ongeluk dan voel je daar minder bij dan wanneer je je er een levendige visuele voorstelling van maakt. Onbewust proberen piekeraars hun negatieve emoties te dempen door in een talige modus te schieten.

    ‘Die modus hebben piekeraars vaak al op jonge leeftijd onbewust aangeleerd en is in hun jeugd ook vaak nuttig gebleken. Denk aan iemand die al vroeg in zijn leven veel verantwoordelijkheid moest dragen; iemand die bijvoorbeeld voor zijn broertjes en zusjes moest zorgen. Diegene heeft op jonge leeftijd geleerd om heel goed na te denken over mogelijke gevaren en over wat er fout kan gaan. Daardoor kan iemand de zorgfunctie als kind op zich nemen, maar als je daar later vervolgens in blijft hangen, kan het je flink hinderen.’

    Hoe kun je dat patroon doorbreken?
    ‘Allereerst is het belangrijk om begrip te krijgen voor je eigen gepieker, zodat je niet vervalt in zelfverwijt. Het gepieker helemaal uit je gedachten verbannen, gaat je namelijk niet lukken. En dat is ook niet nodig. Piekeren hoort tot op zekere hoogte gewoon bij het leven.

    ‘Vervolgens kun je wel leren om anders naar een piekergedachte te kijken. Die gedachte op inhoudsniveau uitdagen bijvoorbeeld: is mijn gedachte waar? In de behandelpraktijk noemen we dat cognitieve gedragstherapie. Dan schrijf je een piekergedachte op en ga je kijken ‘klopt het nou wel wat ik tegen mezelf zeg?’

    ‘Voor sommige mensen kan meditatie ook helpen. Dan kijk je niet naar de inhoud van een piekergedachte, maar leer je om je er niet door mee te laten slepen. Je leert dat een gedachte slechts een gedachte is, en dat je daar niet per se iets mee hoeft te doen. Het zijn gewoon wolkjes die voorbij trekken. Het kan voor mensen heel bevrijdend zijn om te beseffen dat ze niet hun gedachten zijn.

    ‘Omdat die piekergedachtes meestal bestaan uit zo’n wirwar van gedachtestromen helpt het om dat getob op te schrijven. Daarmee maak je het concreet en haal je het even uit je hoofd. En het helpt je ook om onderscheid te maken tussen de problemen die je op kunt lossen en de zaken die buiten jouw macht liggen. Voor piekeraars is dat vaak namelijk heel onhelder.’

    ‘Wat bij stelselmatige tobbers ook nog wel eens wil ontbreken is zelfcompassie, het vermogen om jezelf op een vriendelijke en kalmerende wijze toe te spreken. In mijn praktijk behandel ik op dit moment bijvoorbeeld een vrouw die zich om alles in het dagelijks leven zorgen maakt. Waarom doet ze dat? Ze bleek in haar jeugd heel weinig gezien te zijn door haar ouders. Daardoor is ze nooit op een positieve manier toegesproken. Als je ouders nooit eens zeggen ‘hé, wat goed gedaan’, dan ga je dat integreren in je zelfbeeld. Je leert dan niet hoe je jezelf kalmerend en vriendelijk moet toespreken in probleemsituaties.’

    Waarom zijn we juist ’s nachts vatbaar voor gepieker?
    ‘Daar zijn verschillende verklaringen voor. Ten eerste is er ’s nachts veel minder afleiding en daardoor krijg je dus ook meer ruimte om je bewust te worden van wat er zich in je hoofd afspeelt. Daarnaast ben je ’s avonds vaak vermoeider. Dat maakt het lastiger om rationeel te denken. Je bent dan veel vatbaarder voor allerlei dwaalgedachten.

    ‘Ook is het evolutionair gezien functioneel geweest om in het donker meer op je hoede te zijn. Daardoor kunnen problemen ’s nachts groter lijken dan ze overdag doen.

    ‘De laatste verklaring richt zich op wat er ’s nachts in de hersenen gebeurt; die gaan dan alle belangrijke gebeurtenissen die overdag hebben plaatsgevonden nog eens langs. Neurale herhaling noemen we dat. Al met al maakt dat van de nacht het ideale moment om te gaan piekeren.

    ‘Probeer desalniettemin van je bed geen piekerplek te maken. Als je merkt dat je piekerend in bed ligt, stap er dan uit en schrijf je gedachten op. En bepaal voor jezelf wanneer je wél aandacht gaat besteden aan deze piekergedachten. Dat kan een kalmerend effect hebben op je geest.’

    Is er een relatie tussen gepieker en lichamelijke klachten?
    ‘Die is er, en dan hebben we het niet over de ‘piekerrimpels’. Wanneer je piekert, wordt in je lichaam het stresssyteem geactiveerd. Je hartslag verhoogt en er worden hormonen als cortisol aangemaakt. Als je veel piekert kan dat op de lange termijn lichamelijke klachten geven zoals hoofdpijn, buikpijn of spierpijn. Maar dan hebben we het wel over chronisch piekeren. Over één nachtje tobben hoef je je geen zorgen te maken.’

    Verwacht je dat het aantal probleempiekeraars door de coronacrisis gaat toenemen?
    ‘Dat is nu de vraag. Mensen die vatbaar zijn voor piekergedachtes kunnen vaak niet goed omgaan met onzekerheden. En onzekerheid is precies wat de coronacrisis brengt. Dus wat dat betreft verwacht ik dat de piekermolen bij veel mensen sneller zal draaien. Aan de andere kant hoor ik ook van cliënten dat ze het juist wel prettig vinden, deze coronatijd. Ze hebben even niet de verplichting om elke dag naar het werk te gaan, waar ze al die problemen hadden en wat al dat gepieker veroorzaakte. Voor hen voelt het alsof ze zich een beetje kunnen herstellen.’

    Bron: de Volkskrant >>

    #253727
    Luka
    Moderator

    Wat als je eindeloos rondjes blijft draaien in je hoofd? 3 tips om het piekeren te stoppen

    We piekeren allemaal wel eens, de één al wat vaker dan de ander. Dat is op zich heel normaal, maar soms loopt het piekeren uit de hand. Mensen hebben dan het gevoel dat ze de piekermolen in hun hoofd niet meer stil kunnen zetten. Dat ze eindeloos in rondjes draaien, zonder vooruit te komen. Gelukkig is er veel dat je kan doen om dat piekeren te stoppen. Filip Raes, gedragstherapeut en professor psychologie, schreef er een boek over: “Weg van het piekeren: actie als remedie.”

    Of hij zelf een piekeraar is? Filip Raes, gedragstherapeut en professor psychologie aan de KU Leuven, heeft de vraag al vaker gekregen. Logisch, hij heeft immers net een boek geschreven over piekeren. Dan kan je dat soort vragen natuurlijk verwachten.

    “Piekeren is mij niet vreemd”, zegt Raes. “Ik pieker soms over werk en over wat mensen over mij denken, de klassiekers eigenlijk. Het gebeurt ook wel dat ik een nachtje of zelfs een paar nachtjes wakker lig door te piekeren. Die ervaringen heb ik in het boek verwerkt. Het is makkelijker om advies aan te reiken als je voorbeelden uit je eigen leven kan geven.”

    Piekeren kan je volgens Raes eenvoudig definiëren. Het is het eindeloos herkauwen van steeds dezelfde negatieve gedachten: “Wat als ik dit of dat doe? Had ik niet beter zus of zo gedaan? Wat gaat persoon x of y over mij denken?”

    Piekergedachten lijken altijd vanzelf komen, het is een automatisme. Je kan ze ook moeilijk stoppen, zelfs als je dat zou willen. Dat is jammer, want piekeren brengt je geen stap dichter bij een oplossing. Het zorgt er enkel voor dat je eindeloos in rondjes blijft draaien, als een hamster in een wieltje.


    Bij piekeren blijf je eindeloos in een rondje draaien, als een hamster in een wieltje.

    De ene piekert wel vaker dan de ander. “Sommige mensen zijn genetisch meer voorbestemd om te piekeren”, zegt Raes. “Ik heb zelden een piekeraar ontmoet die als kind nog optimist was, of omgekeerd. Het zit dus deels in onze genen, maar het heeft ook te maken met de dingen die je meemaakt in je leven. Als je veel tegenslagen hebt gehad, dan heb je natuurlijk meer om over te piekeren. Het is een combinatie van genen en levenservaringen.”

    Als je zelf een piekeraar bent, dan hoef je echter niet te wanhopen. Piekeren is dan wel deels aangeboren, toch is er veel dat je zelf kan doen. Je kan beter met dat piekeren leren omgaan. Raes heeft daarvoor concrete, wetenschappelijk onderbouwde tips. Handig als je een “geboren piekeraar” bent, maar ook als je maar af en toe verstrikt raakt in piekergedachten.

    1 Merk het op, met mildheid en humor

    Wat je niet opmerkt, kan je niet veranderen. Daarom is de eerste tip zo belangrijk: probeer te beseffen wanneer je piekert. Je kan bijvoorbeeld bij jezelf zeggen: “Aha, daar is dat gepieker weer!” Of, korter nog: “Gepieker, gepieker.”

    Dat herkennen en benoemen is heel zinvol, zegt Raes. “Hoe langer hoe meer ben ik ervan overtuigd dat het ‘benoemen’ van piekergedachten bijzonder helpend is. Het is iets wat je terugvindt in veel verschillende soorten therapie. Het gaat om het herkennen ervan, het een naam geven en het even op een afstand zetten zodat je er niet mee samenvalt.”

    Alleen opmerken dat je aan het piekeren bent, is natuurlijk niet genoeg. Piekeraars wéten vaak wel dat ze in rondjes draaien, maar dat besef helpt hen niet vooruit. Soms is het zelfs extra olie op het piekervuur. Het besef dat je piekert zorgt soms voor nog meer gepieker: “Hoe komt het toch dat ik weer zit te piekeren? Waarom kan ik al die gedachten niet gewoon stoppen? Het is altijd hetzelfde liedje. Dit is echt hopeloos.”
    “Dat heet dan piekeren-over-piekeren of ‘meta-piekeren'”, zegt Raes. “Het is gewoon erg moeilijk om vat of controle te krijgen op je gepieker. En hoe meer je dat probeert door tegen jezelf te zeggen dat het piekeren moet ophouden, des te lastiger het wordt.”

    Probeer daarom het piekeren op te merken met een dosis mildheid, zonder boos te zijn op jezelf. “Nieuwsgierigheid en een dosis humor kunnen helpen”, zegt Raes. “Dus: in plaats van een krampachtige dit wil ik niet-houding ten aanzien van het piekeren ga je voor een heel andere houding: een open, luchtige, ietwat speelse, verkennende, nieuwsgierige, ‘niet-wegduw’-houding.”

    Je kan ook je piekergedachten zingen, in de stem van een bekende zanger of zangeres. Stel bijvoorbeeld dat je vaak piekert over hoe anderen over jou denken. Dan kan je die gedachte zingen in de stem van pakweg Frank Sinatra, Elvis of Eddy Wally. Je hoeft dat niet luidop te doen, het werkt ook als je het in stilte doet, alleen voor jezelf.

    Door te zingen benader je je gedachten op een luchtige manier, met humor en speelsheid. Het zingen helpt volgens Raes ook om je gepieker even op een afstand te plaatsen. De piekergedachten worden op een grappige, speelse manier geparkeerd. En dat lucht dus op.

    2 Actie, actie, actie!

    Piekeraars denken vaak dat ze wel moéten piekeren. Dat piekeren hen helpt om problemen op te lossen. En dat die problemen groter zouden worden als ze niét zouden piekeren.

    Dat is volgens Raes een vergissing. Piekeren lijkt je wel dichter bij een oplossing te brengen, maar in werkelijkheid brengt het je geen stap dichterbij. “Je kan het vergelijken met lopen op een loopband. Je wordt er heel erg moe van maar je komt geen meter vooruit.”

    De oplossing? Minder denken en meer doen. Actie ondernemen is volgens Raes heilzamer dan rondjes draaien in je hoofd. Psychologen spreken in dat verband ook wel over “gedragsactivatie”: stapje voor stapje dingen doén die je stemming op termijn verbeteren. Heel wat onderzoek toont dat dat heilzaam werkt, ook bij de behandeling van depressies.

    “Actie is dé nummer 1-remedie tegen piekeren”, zegt Raes. “Piekeren opmerken, en vervolgens overgaan tot actie. Ik laat het mensen wel eens onthouden met het woordje PiTa: Aan het piekeren? Teken voor Actie.”

    Wat je dan concreet moet doen? Dat hangt ervan af. Als je veel piekert over bijvoorbeeld een moeilijk examen, dan is het antwoord eenvoudig: neem je cursus en begin te studeren. Zo is het ook met andere problemen die je zelf kan aanpakken. Kijk wat je kan doen en begin met kleine stapjes. Elke stap, hoe klein ook, brengt je iets dichter bij je doel. Misschien is de eerste stap gewoon op een papiertje schrijven wat je nog moet doen. Actie hoeft niet altijd groots en heroïsch te zijn.

    Als je piekert over een Derde Wereldoorlog of over de Amerikaanse presidentsverkiezingen, dan is er natuurlijk weinig dat je zelf kan doen. “Probeer in dat geval te beseffen dat je hier niks aan kan veranderen. Bedenk ook dat je je tijd en energie beter kan besteden aan dingen die je waardevol en belangrijk vindt.”

    Voor de één is dat postzegels verzamelen of afspreken met een vriend, een ander houdt misschien meer van koken of fietsen. Het belangrijkste is dat je iets doet dat je zinvol vindt en dat je dus niet eindeloos blijft nadenken. Want dat brengt je dus geen stap dichter bij een oplossing.

    3 Zorg goed voor je mentale hygiëne

    De laatste tip is een heel belangrijke: zorg goed voor je “mentale hygiëne”. Dat heeft niets te maken met handen wassen of met bacteriën en virussen. Het gaat om een heel ander soort hygiëne. Je zorgt voor je mentale hygiëne door dingen te doen die goed zijn voor lichaam en geest.

    Bewegen is wat dat betreft erg belangrijk. Het maakt niet zoveel uit hoe je beweegt, àls je maar beweegt. Wandelen, lopen, fietsen, zwemmen, het is allemaal gezond. Ook dansen is erg goed voor je fysieke en geestelijke gezondheid, zo blijkt uit onderzoek. Je hoeft geen uren intensief te sporten, schrijft Raes. “Het goede nieuws is dat de impact van meerdere weken kort fysiek actief zijn even goed is voor de gezondheid.”

    Probeer ook elke dag naar buiten te gaan, ook als je liever een hele dag onder een wollen deken zou kruipen of als het buiten koud is. Zonlicht is belangrijk voor ons slaappatroon en voor ons immuunsysteem. Het helpt ook bij de aanmaak van vitamine D en van het “gelukshormoon” serotonine.

    Ga ook regelmatig naar een natuurlijke, groene omgeving; een park of een bos, bijvoorbeeld, of een natuurreservaat. “Uit onderzoek blijkt dat vertoeven in de natuur het piekeren doet verminderen”, schrijft Raes in zijn boek. “Als je de keuze hebt om een wandeling te maken in een bos of op de heide, dan wel langs een drukke autoweg, dan kies je dus beter voor het eerste.”

    Spreek ook regelmatig af met vrienden of familie, want sociaal contact is erg belangrijk voor je mentale hygiëne. “Mensen hebben sociaal contact nodig voor hun geestelijke en fysieke gezondheid. We hebben ook behoefte aan mensen om op terug te kunnen vallen, als dat nodig is.”

    Hou het eenvoudig

    Raes heeft nog veel meer tips, maar hij houdt het liever beperkt. “Hoe minder tips, hoe beter eigenlijk. Als je mensen te veel dingen adviseert, dan heb je zoiets van: wat moet ik hier nu eigenlijk van onthouden? Ze zien door de bomen het bos niet meer.”

    Gelukkig is het belangrijkste advies eenvoudig samen te vatten: “Merk het piekeren op en laat het met enige mildheid voor wat het is. En dan, vooral: actie!”

    Bron: VRT.be >>

    #253729
    Luka
    Moderator

    Stop de gedachtentrein: tips om beter om te gaan met faalangst

    Faalangst, de angst om ergens in te mislukken, kan je flink hinderen. Helemaal nu we allemaal op afstand werken en studeren. Waar komt die onzekerheid vandaan? En hoe ga je om met het ongeloof in eigen kunnen?

    Iedere keer wanneer bedrijfskundestudent Friso (1994) een schrijfopdracht moest inleveren, was het raak: paniek, uitstellen en uiteindelijk volledig dichtklappen. Met als resultaat dat er vaak niets op papier kwam. Hoewel Friso nooit onvoldoendes heeft gekregen voor papers die hij inleverde, kwam het regelmatig voor dat hij helemaal niets inleverde. Omdat hij het niet goed genoeg vond of omdat hij er, erger nog, nooit aan was begonnen. De problemen werden het grootst in zijn laatste jaar, toen Friso een bachelorscriptie moest schrijven. De neerwaartse spiraal van angst en uitstelgedrag ging zo naar beneden dat de student in een depressie belandde. ‘Angst en somberheid wisselden elkaar af. Ik wilde uiteindelijk nergens meer naartoe.’

    Friso is niet de enige. Zo gaf in een studentengezondheidstest van de UvA en de HvA (uit 2016) 25 procent van de respondenten aan te maken te hebben met faalangst. Dat dit percentage juist onder studenten zo hoog is, is niet zo gek, zegt studentencoach Jasper Vogel van coachingspraktijk Wakker bij Bakker: ze zijn nog volop aan het leren waardoor ze onzeker zijn over hun competenties, maar ze worden wél voortdurend beoordeeld. Jaarlijks begeleidt Vogel veel studenten met faalangst. Wat zijn zijn tips (en die van anderen) om beter om te leren gaan met de verlammende onzekerheid over het eigen kunnen?

    Weet dat je hersenen doemdenkers zijn
    Faalangst is tot op zekere hoogte het gevolg van de manier waarop onze hersenen werken, zegt Vogel. Als groepsdieren zijn we gevoelig voor sociale afwijzing. Bij de groep horen was vroeger cruciaal voor onze overlevingskansen. Tegenwoordig hebben momenten van afwijzing, zoals een onvoldoende voor een tentamen of negatieve feedback op je paper, geen levensbedreigende gevolgen. Maar onze hersenen slaan alarm alsof dat wel zo is. Onze angstreactie is dus niet in proportie met het daadwerkelijke gevaar. Vogel: ‘Het kan heel relativerend zijn om te weten dat het nu eenmaal eigen is aan de hersenen om continu beducht te zijn op gevaar en te anticiperen op allerlei doemscenario’s, en dat je die alarmistische gedachten dus niet altijd serieus hoeft te nemen.’

    Onderzoek waarom je zo veeleisend bent
    Studentenpsycholoog Friederike Vieten, werkzaam aan de Rijksuniversiteit Groningen, probeert samen met de studenten die ze behandelt uit te zoeken waar hun faalangst vandaan komt. Ervaringen uit het verleden spelen vaak een grote rol. Vieten: ‘Denk bijvoorbeeld aan iemand die zijn hele jeugd veel positieve bevestiging van zijn ouders heeft gekregen voor goede cijfers of sportprestaties. Zo iemand kan zichzelf daardoor gaan vereenzelvigen met zijn prestaties. Zijn eigenwaarde wordt erdoor bepaald. Daardoor kan het gebeuren dat er uiteindelijk helemaal geen ruimte meer is om eens een keer minder te presteren. Dat past simpelweg niet in het zelfbeeld.’

    Ga na of de gevolgen echt zo erg zijn als je denkt
    Vaak is het niet de te volbrengen taak zelf die mensen angstig maakt, maar zijn dat de doemscenario’s die mensen zich voorstellen als gevolg van een mislukking, zegt Vogel. ‘Bij mensen met faalangst wordt vaak een lange gedachtentrein in werking gezet die vrij extreme vormen kan aannemen. Dat maakt faalangst ook irrationeel. Er worden allerlei gevolgtrekkingen gemaakt die niet noodzakelijkerwijs plaatsvinden.’ Aardrijkskundedocent-in-opleiding Niene Meeuwsen (1998) herkent dat. ‘Vorig jaar moest ik een stagedossier schrijven. Dat ging heel moeizaam en toen begon ik te malen: als ik dit niet inlever, dan kan ik mijn minor niet afmaken en dan mag ik niet afstuderen. Dan kom je in een neerwaartse spiraal met je gedachten en wordt zo’n dossier schrijven veel groter dan het is.’

    Daarom kan het raadzaam zijn om die doemscenario’s te analyseren, aldus Vogel. ‘Gaan al die verschrikkelijke dingen waarvan je denkt dat die gaan gebeuren als je een tentamen niet haalt, écht plaatsvinden? Als je een stapje terug kunt nemen, zie je dat het vaak reuze meevalt.’

    Maak Meneer Jansen belachelijk
    Mensen met faalangst hebben vaak een sterke interne criticus. Een luid stemmetje in hun hoofd dat ze voortdurend vertelt dat ze niks kunnen, zegt Vogel. ‘Het helpt om dat stemmetje een beetje speels belachelijk te maken. Dit kun je doen door het een naam te geven, bijvoorbeeld Meneer Jansen, die strenge rector die je had op de middelbare school. Wanneer je dat stemmetje hoort zeggen dat je iets niet kunt, weet je dat Meneer Jansen aan het woord is. Daardoor kun je afstand scheppen tussen jezelf en al die pessimistische gedachten.’ Het is voor mensen die snel in doemscenario’s denken belangrijk om zich te realiseren dat ze niet hun gedachten zijn. ‘Onze gedachten komen zomaar op ons af en soms kunnen ze erg beangstigend zijn. Maar ze zijn ook vaak irrationeel, incompleet en niet volledig waar.’

    Benader je bachelorscriptie niet als een promotieonderzoek
    Veel mensen met faalangst hebben last van perfectionisme. Zo ook de student Friso. ‘Ik wilde altijd te veel en te groot.’ Voor hem hielp het om zichzelf strakke deadlines te geven. ‘Dan geef ik mezelf bijvoorbeeld 20 minuten voor een taak, waar ik normaal gesproken drie uur voor uit zou trekken. Vaak is het na 20 minuten al voor 95 procent in orde. Dan kun je nog wel tweeënhalf uur nemen om die laatste 5 procent ook goed te krijgen, maar dat is het gewoon niet waard.’ Friso paste deze strategie toe bij het formuleren van de hoofdvraag van zijn bachelorscriptie. ‘Daar kun je als je wilt eeuwig aan schaven. Maar dan begin je nooit aan je onderzoek. Ik sprak met mezelf af: woensdagmiddag 15.00 uur hak ik de knoop door. Dan gaat het misschien geen perfecte vraag zijn, maar wel een die goed genoeg is. En dan kan ik verder.’

    Meeuwsen herkent zich ook in dat perfectionisme. ‘Ik kan als een berg opzien tegen het schrijven van verslagen. Toetsen zijn maar een momentopname, maar voor verslagen heb je vaak meerdere weken. Dat maakt de druk veel groter om iets perfects in te leveren.’

    Mensen met faalangst moeten vaak de onzekerheid leren verdragen, zegt Friederike Vieten. ‘Soms moet je daarvoor die onzekerheid juist opzoeken. Ga in plaats van 12 uur per dag studeren, eens van 9 tot 5 in de boeken zitten. Vaak ga je niet eens mindere cijfers halen, maar heb je wel veel meer vrije tijd. Maar je moet het een keer meemaken om het te geloven.’

    Gun jezelf de mogelijkheid tot groei
    Faalangstige studenten zitten vaak vast in wat een fixed mindset heet, vertelt Vogel. Dat betekent dat ze gericht zijn op het resultaat in plaats van op het proces van leren. Daardoor zullen ze niet snel beginnen aan iets wat ze nog niet kunnen. ‘Dat is zonde, want daarmee ontzeg je jezelf de mogelijkheid tot groei. Ik begeleid veel studenten die faalangst voelen voor het schrijven van hun scriptie. Ze verwachten van zichzelf dat ze die scriptie al kunnen schrijven, terwijl ze eigenlijk nog in het leerproces zitten om de benodigde kwaliteiten onder de knie te krijgen. Probeer je daarom minder vast te pinnen op het resultaat en meer te richten op het proces daarnaar toe. Dat betekent ook dat het is toegestaan om fouten te maken.’

    Doe ontspanningsoefeningen
    Faalangst kan ook omslaan in angst voor de angst. Je lichaam weet dat het gespannen gaat zijn tijdens een tentamen en participeert daarop door alvast stresshormonen aan te maken. Die stress kan soms zover oplopen dat het uitmondt in een paniekaanval vlak voor de tentamens.

    Merk je dat de toerenteller in het rood begint te staan, leg dan even je pen neer, sluit je ogen en concentreer je op je ademhaling, zegt Vogel. ‘Voel een minuut of drie, vier je ademhaling alleen maar naar binnen en naar buiten gaan. Pak dan je pen weer op en ga aan de slag, en je zult merken dat je lichaam in een rustige staat is, dat je beter na kunt denken en dat die doemscenario’s even niet meer door je hoofd spoken.’

    Zoek steun bij anderen
    Vertel een vertrouwenspersoon of docent over je faalangst, adviseert Niene Meeuwsen. ‘Dan weet in ieder geval iemand bij je opleiding van de situatie af en kun je hulp krijgen. En als je de mogelijkheid hebt: volg een faalangsttraining om erachter komen waar jouw angst vandaan komt en wat voor jou werkt om er mee om te gaan.’

    Friso sluit zich daarbij aan. De bedrijfskundestudent is, onder meer dankzij professionele studiebegeleiding (in zijn geval bij Studiemeesters) weer uit het dal geklommen en recentelijk afgestudeerd. ‘Er zijn nog genoeg dingen waar ik aan moet werken. Maar als ik kijk waar ik nu sta ten opzichte van een jaar geleden: dat had ik nooit durven dromen.’

    FAALANGST EN STUDEREN TIJDENS DE CORONACRISIS
    Studenten volgen dit jaar hun colleges goeddeels online en zien hun medestudenten veel minder. Gaat dat van invloed zijn voor studenten met faalangst? ‘Daar kijken wij als studentenpsychologen ook met spanning naar’ zegt Friederike Vieten. ‘Harde cijfers zijn er nog niet. Maar we horen wel geluiden dat onlinetentamens sommige studenten meer stress geven omdat ze maar een bepaald aantal minuten per vraag hebben en dan daarna niet meer terug mogen. Voor andere studenten werken de onlinetentamens juist beter omdat ze de gebruikelijke situatie van een enorme tentamenhal met honderden mensen heel heftig vinden. Het prestatiemoment vindt nu wat minder publiekelijk plaats.’

    Daar staat wel tegenover dat studenten zich ook minder makkelijk aan elkaar kunnen optrekken. Friso merkte hoe belangrijk dat is toen hij studievertraging begon op te lopen en steeds minder contact had met zijn medestudenten. ‘Het was heel lastig om hulp te vragen want ik kende bijna niemand meer.’ Onlinecolleges zouden studenten met faalangst weleens te veel kunnen isoleren, denkt hij. ‘En dan is het te hopen dat je wel een vangnet hebt. Vrienden met wie je kunt studeren, een studiebegeleider of een huisgenoot die je op sleeptouw neemt, anders wordt het een heel zwaar jaar.’

    Bron: de Volkskrant >>

    #256998
    Luka
    Moderator

    Hoe ik wist te dealen met mijn belangst

    Mijn hartslag schiet plotseling de hoogte in. Is het 160, 180? Het voelt als 500 in ieder geval. Ik verstijf door het angstaanjagende geluid dat mijn richting uitkomt. Hoor ik iemand in nood gillen? Komt er een neerstortend vliegtuig mijn kant op? Zit er een losgeslagen pitbull achter me aan? Niets van dat alles: mijn telefoon gaat over.

    Al sinds ik me kan herinneren heb ik last van belangst. Zodra er gebeld wordt krijg ik een heftige lichamelijke angstreactie. Verstijven, hoge hartslag, klamme handen. Als ik zelf moet bellen ben ik ver van tevoren zenuwachtig en zit ik minutenlang met mijn duim boven de belknop, maar word ik telkens tegengehouden door een onzichtbare ketting tussen mijn brein en mijn hand.

    Waarom ik bang ben om te bellen weet ik niet zo goed. Het kan zijn dat ik bang ben dat ik me verspreek, omdat ik niet altijd goed uit mijn woorden kom, en de ander me hierom of om mijn lichte spraakgebrek uitlacht. Misschien is het de angst voor het onbekende, dat de ander onverwacht boos wordt, of ik niet meer weet wat ik moet zeggen.

    Wat de reden ook is of de redenen ook zijn, ik begon bellen te vermijden. Met een appje, brief of e-mail kom ik veel beter uit mijn woorden, omdat ik veel meer tijd heb om na te denken over wat ik zeg en het dan ook goed weet te formuleren. Maar vermijden is natuurlijk nooit een goede reactie op een angst. Het zorgt even voor opluchting, maar op lange termijn voor meer angst.

    Inmiddels kan ik zeggen dat ik met mijn belangst om kan gaan. Ik ga jullie meenemen in hoe dat is gelukt en geef je tips hoe je dit ook kunt bereiken.

    Tip: Eet een halfgare vleermuis

    Nee, onzin natuurlijk, maar de coronalockdown heeft me wel serieus geholpen om over mijn belangst heen te komen. Opeens moest ik met mijn collega’s gaan bellen en Skypen in plaats van dat we elkaar in levenden lijve spraken. Daar kon ik moeilijk onderuit.

    Lees ook: De wereld op pauze door coronacrisis; is dat wel zo erg?

    Hoewel het spannend was was het toch niet heel erg, omdat het toch mensen zijn die je vaak spreekt, die je redelijk kent en dus ook een bepaalde mate van vertrouwen mee hebt opgebouwd. Dat is meteen wel een bruggetje naar de eerste tip: oefen het met mensen die je redelijk vertrouwt. Dat is een stuk minder spannend dan met een wildvreemde bellen en tegelijkertijd merk je dat bellen minder eng is dan je denkt. Positieve ervaringen zijn cruciaal om een angst kwijt te kunnen raken.

    Belangst tip: Exposure is key
    Dat brengt me meteen bij tip twee, want exposure, oftewel ‘gewoon doen’, is echt de beste tip om ervan af te komen. Het spijt me voor dit cliché, maar een cliché is meestal niet voor niks een cliché. Je hebt echt geen pandemie nodig om van je belangst af te komen, dus laat de vleermuizen met rust, maar wat ik er zojuist mee bedoelde is: je moet jezelf dwingen of beter nog: gedwongen worden.

    Oefening baart kunst en dat geldt voor bellen net zo. Ben je bang om te bellen is het enige wat je hiertegen kunt doen bellen. Doe het dan ook zo vaak mogelijk. Ik heb gemerkt dat wanneer ik in korte periode veel belde, mijn angstreactie snel minder werd. Maar was het een tijdje geleden, dan was mijn angst weer iets heftiger dan eerst.

    Dwing jezelf daarom om regelmatig te oefenen, of spreek met iemand af dat deze je regelmatig onaangekondigd belt. Je kunt deze dwang ook zoeken in je werk. Ga eens een tijdje op een klantenservice of callcenter werken, of zorg dat je moet bellen voor je werk. Bel die zakenrelatie op in plaats van een e-mail te sturen. Dat is zeker heel eng in het begin, maar je zult na een paar dagen al merken dat je eraan gewend raakt.

    Belangst tip: Schrijf het op
    Zoals ik zojuist schreef vind ik het makkelijker om een appje of mailtje te sturen omdat ik dan kan nadenken over wat ik wil zeggen. Dit kun je echter ook gewoon bij bellen toepassen als je dit gesprek hebt ingepland. Bij een spontaan gesprek wordt het natuurlijk lastiger.

    Schrijf van tevoren op wat je wilt vertellen, waar je het over wilt hebben of wat je wilt vragen. Dit geeft je houvast en een richtlijn tijdens het gesprek en helpt je als je bang bent dat het gesprek ongemakkelijk stil valt.

    Dit kun je ook in stapjes doen. Stel eerst de e-mail op die je zou sturen en gebruik die tijdens het gesprek. Als dat goed voelt kun je overstappen op een samenvatting en later op steekwoorden en steekzinnen. Als je dit fijn vindt kun je steekwoorden er gewoon inhouden. Je kunt namelijk ook altijd dingen vergeten.

    Het geeft houvast, maar zorgt niet voor totale controle. Natuurlijk kun je de reactie van een ander moeilijk inschatten en daarmee wat jouw reactie daarop dan weer moet zijn. Hier kun je toch niks aan veranderen en moet je mee dealen met je kennis over het onderwerp en je sociale skills. Zeg je: ‘maar ik ben helemaal niet sociaal’, dan raad ik je aan dit artikel eens te lezen.

    Vlak je angstcurve af met oefenen
    Dingen opschrijven en veel oefenen, dat zijn de twee sleutels voor mij geweest om met mijn belangst om te gaan. In het oefenen moet je wel volharden. Je bent niet na één of twee belletjes van je angst af. Ja, het is kapot eng, maar elke keer nadat het gelukt is kun je je trots voelen en is je angstcurve weer wat afgevlakt.

    Als je een angst confronteert zul je in het begin veel angst ervaren en zakt het na een tijdje langzaam weg, al blijf je het wel houden. Doe je dat nog een keer, is je angstpiek iets lager en zul je op het einde van de enge situatie misschien geen angst meer voelen. Elke keer dat je het oefent is de piek lager en zul je steeds sneller geen angst meer voelen.

    Ik wilde aanvankelijk ‘hoe ik van mijn belangst afkwam’ als titel gebruiken voor dit artikel, maar dat zou onjuist zijn. Nog steeds heb ik een kleine schrikreactie als mijn telefoon gaat, maar ik kan het redelijk goed aan de kant zetten, opnemen en probleemloos een gesprek voeren. Mijn angstcurve is door oefening flink afgevlakt.

    Alleen de seconden tussen het horen van mijn ringtone en het opnemen vind ik nog even spannend, maar dat is te overzien. Vroeger voerde ik het hele gesprek in een volle paniekreactie. Deze kleine angst zal misschien wel nooit meer weggaan, maar daar kan ik mee leven.

    Onwennig met bellen, dat is het enige
    Het doet me denken aan een situatie uit het programma ‘Kamp Van Koningsbrugge’ dat ik onlangs keek. Kandidaten moesten een twintig meter hoge toren opklimmen, over een balk boven de ‘afgrond’ balanceren en vervolgens naar een touwladder springen. Ondanks dat sommige kandidaten zeiden hoogtevrees te hebben, rondde iedereen de test succesvol af.

    Instructeur Ray was tevreden en sprak de kandidaten toe: “Niemand van jullie heeft hoogtevrees. Dat wil ik je nooit nergens meer horen zeggen, niet op feestjes, tegen vrienden. Je hebt het niet. Je bent onwennig op hoogte, dat is het enige.”

    Ik heb geen belangst meer. Ik ben onwennig met bellen, dat is het enige.

    Bron: Commen >>

    #257195
    Luka
    Moderator

    Angststoornissen in beeld
    Wat mag u van de Geestelijke Gezondheidszorg in Nederland verwachten als u last heeft van angstklachten of een angststoornis?

    Sander Pronk, directeur van de Angst, Dwang en Fobie Stichting heeft op basis van de zorgstandaard Angstklachten en angststoornissen een beeldverhaal laten ontwikkelen. ‘Door patiënten met angstklachten te laten weten wat ze mogen verwachten van hun behandeling stimuleren we hun zelfredzaamheid.’

    Maatwerk
    De zorgstandaard voor angstklachten en angststoornissen beschrijft uitgebreid het proces van hulp zoeken, het stellen van de diagnose, het kiezen voor het juiste behandelplan en de nazorg. Deze zorgstandaard is niet alleen ontwikkeld voor professionals maar ook voor patiënten en hun naasten zodat ook zij de voor- en nadelen van de verschillende behandelmethoden kennen. Sander Pronk: ‘Patiënten met diabetes krijgen in bijna alle gevallen dezelfde behandeling. Dat is voor patiënten met mentale stoornissen absoluut niet het geval. Daarom is het belangrijk dat de zorgstandaard gehanteerd wordt van de huisartsenzorg tot aan de gespecialiseerde gezondheidszorg.’

    ‘Mensen die diabetes hebben krijgen in bijna alle gevallen dezelfde behandeling. Dat is voor mentale stoornissen absoluut niet het geval’

    De klik
    Toch is de zorgstandaard geen wetboek maar een raamwerk en er zijn meerdere opties bij het herstel van psychische ziekten. Het is aan de patiënt zelf om te bepalen hoe het aanbod van de geestelijke gezondheidszorg past in zijn of haar eigen leven.
    Sander: ‘Een van de belangrijkste punten vinden wij de gezamenlijke besluitvorming. We horen regelmatig dat de klik met de therapeut een belangrijk mechanisme van de therapie is. De behandelaar moet er voor de patiënt zijn, oog hebben voor hun leefwereld en weten wat er voor de patiënt allemaal op het spel staat.’

    Toegankelijke stripverhalen
    De zorgstandaard is opgesteld voor huisartsen en behandelaars. De Angst, Dwang en Fobie Stichting heeft het initiatief genomen om van de huidige zorgstandaard een beeldverhaal te maken, speciaal voor de patiënten. Sander: ‘Ik geloof in de kracht van verhalen vertellen en een beeld zegt meer dan duizend woorden.’ Daarom schakelde hij Stijn Schenk in, een stripmaker die de meer serieuze stripverhalen zichtbaarheid wil geven.

    ‘We hebben een sterke persoonlijkheid afgebeeld, die last heeft van angst’

    Stijn Schenk: ‘Ik heb de zorgstandaard voor angstklachten en angststoornissen doorgelezen en in samenwerking met de ontwikkelaars heb ik alle overbodige informatie voor de patiënt achterwege gelaten. Vervolgens ben ik begonnen met het schrijven van een verhaal waarbij je een sterke hoofdpersoon met angstklachten volgt.’ Stijn is zelf geen tekenaar, hij laat de verhalen maken door professionele striptekenaars. Voor dit verhaal heeft hij tekenaar Amanda Majoor ingeschakeld. Stijn: ‘Met haar heb ik eerder gewerkt aan verhalen over bijvoorbeeld de impact van misbruik en ethische dilemma’s voor mantelzorgers. Ik lever de tekst en beeldsuggesties aan en zij heeft de bijzondere gave om het verhaal tot leven te brengen en de lezer daarin mee te nemen.’

    Sterke persoonlijkheid
    Hoewel Amanda een heel ervaren tekenaar is vond ze het lastig om de berg aan informatie in het stripverhaal te verwerken. Amanda: ‘We hebben een aantal maanden aan dit beeldverhaal gewerkt en het vinden van de juiste tekst- beeldverhouding vond ik het lastigste. We hebben een verhaal gecreëerd waarin mensen zichzelf herkennen en dat helpt met het overbrengen van de informatie. Dat vind ik de kracht van het verhaal.’ Stijn is het eens met Amanda: ‘Mensen met angstklachten of angststoornissen worden vaak beschreven als personen die iets mankeren in plaats van dat ze ergens last van hebben. We hebben geprobeerd met dit beeldverhaal daar verandering in te brengen. Het voordeel is dat je de hoofdpersoon als een sterke persoonlijkheid kan neerzetten. Zo ziet de patiënt de hoofdpersoon als een volwaardig mens die ergens last van heeft en niet als iemand die iets mankeert.’

    ‘Mensen herkennen zichzelf in het personage en dat helpt met het overbrengen van informatie’

    Kinderen
    Aan het einde is nog een klein beeldverhaal gemaakt gericht op het herkennen van angstklachten bij kinderen. Stijn: ‘We hebben ook een klein verhaal gemaakt waarbij de focus op kinderen ligt. Wij geven tips over hoe je angst bij kinderen kan herkennen en hoe je hiermee kan omgaan. Volwassen mensen nemen deze tips beter op omdat zij zich in dit verhaal niet aangesproken voelen. Zij voelen zich sneller aangevallen en denken snel: ‘Och angst, dat gaat niet over mij’. Op deze manier nemen ook volwassenen deze tips serieus zonder dat ze zich persoonlijk aangesproken voelen.

    ‘Och angst, dat gaat niet over mij..’

    Wachtkamer
    Sander: ‘De samenwerking met Stijn en Amanda ging fantastisch. We hebben dit project binnen een half jaar gerealiseerd en daar zijn wij trots op. De folder is nu gratis te verkrijgen zolang de voorraad strekt. Veel GGZ-instellingen bestellen de folders omdat het iets is wat je in de wachtkamer wil hebben liggen. Het beeldverhaal voor de zorgstandaard voor angstklachten en angststoornissen is de eerste van meerdere beeldverhalen over de zorgstandaarden die hopelijk snel volgen.

    Bekijk het beeldverhaal >>

    Bron: akwaggz.nl

13 berichten aan het bekijken - 26 tot 38 (van in totaal 38)
  • Je moet ingelogd zijn om een reactie op dit onderwerp te kunnen geven.
gasten online: 9 ▪︎ leden online: 0
No users are currently active
FORUM STATISTIEKEN
topics: 2.555, berichten: 14.107, leden: 1.411
Scroll Up