Vallen is als vliegen – Manon Uphoff

  • Dit onderwerp bevat 1 reactie, 1 deelnemer, en is laatst bijgewerkt op 22/12/2019 om 08:26 door Mark.
2 berichten aan het bekijken - 1 tot 2 (van in totaal 2)
  • Auteur
    Berichten
  • #237193
    Mark
    Moderator

    Wanneer haar zestien jaar oudere zus, uitgehongerd en uitgedroogd, van de trap valt en sterft, doet dat als een vonk de woede van de schrijfster ontbranden. De dood van Henne Vuur, ooit haar “schaduwmoeder’, dwingt haar een gruwelijk en angstwekkend verleden onder ogen te zien.

    Als een aanklager en chroniqueur tekent ze dat verleden op in een boek vol verhalen: over vader Holbein, die ontwerper, tovenaar, wetenschapper, gesjeesd seminarist en god was van een persoonlijke, labyrintische wereld; over Libby en Toddiewoddie, haar andere zussen, met wie ze als heksen wraak kan nemen in hun eigen Walpurgisnacht en kan lachen tot de verlossing volgt; over hun leven vol verpletterende indrukken, lichamelijke onbegrensdheid, misbruik, geweld, schoonheid en pijn.

    Vallen is als vliegen is een in de werkelijkheid gewortelde roman over het almaar groter wordende, pijnlijke verleden. Als geen ander weet Manon Uphoff de zoektocht naar liefde, naar een identiteit, hard en tegelijk poëtisch, met kracht en met humor neer te zetten.

    #247301
    Mark
    Moderator
    Topic starter

    ‘Ik ken méér dan genoeg redenen om hier heel lang je mond over te houden’

    Lang heeft Manon Uphoff liefdevol over haar ouders gesproken, maar er is veel veranderd sinds Vallen is als vliegen, de roman over het misbruik in haar jeugd. ‘We gaat het er godverdomme over hébben.’

    Het woord misbruik valt niet één keer in Vallen is als vliegen en het woord incest slechts eenmaal gekscherend: ‘incest, de musical’. Gekscherend ja, terwijl je denkt dat dat helemaal niet kan met zo’n onderwerp, maar auteur Manon Uphoff (57) heeft met het thema wel meer uitgehaald dat niet vaak eerder is vertoond: ze heeft een roman geschreven als een Hiëronymus Bosch-schilderij waar om te huilen en te lachen valt, te genieten als het ware, terwijl de ware gebeurtenissen erachter niet te genieten zijn. Seksueel misbruik door een vader in een groot gezin. Vier dochters onder wie ‘ondergetekende’ ofwel MM, de verteller in Vallen is als vliegen, die als kleuter al onderworpen worden aan – ja, aan alles wat de lezer zich bij misbruik voorstellen kan, maar wat in het boek nauwelijks rechttoe, rechtaan benoemd wordt. Hoewel sommige passages waar de lezer langzaamaan naartoe wordt geleid – ‘Bitte noch ein wenig geduld’, tart Uphoff – weinig te raden overlaten.

    Haar boek, verschenen op 19 maart van dit jaar, werd meteen door recensenten herkend als een huzarenstuk en een meesterwerk. Een bestseller werd het ook; niet eerder verkocht ze zoveel exemplaren van een titel, de negende druk is net verschenen, terwijl ze sinds haar debuut Begeerte in 1995 toch al zestien boeken schreef.

    Is er een leven vóór en een leven na Vallen is als Vliegen?
    ‘Er is heel veel leven vóór, ja, namelijk 57 jaar.’ Uphoff, achter een kop koffie in een Utrechts café, lacht: ‘En ik moet je zeggen: ik begin me ernstig te verheugen op een leven er ná. Sinds 19 maart staat alles, elke dag, in het teken ervan. Lezingen, interviews, dit gesprek ook weer, ik begin me zo onderhand te ergeren aan mezelf. Ik zal blij zijn als het boek een leven los van mij gaat leiden.’

    Is dat ook omdat je niet de rest van je leven de schrijfster wil zijn van juist dít boek, met dit onderwerp?
    ‘Dat zou ik jammer vinden, ja, als dit het enige boek is waar ik aan verbonden blijf. Dan ben je eigenlijk opgeborgen, daar zit ik niet op te wachten. Ook omdat ik denk dat ik nog meer te vertellen heb.’

    ‘Ik werk nu aan een filmscenario, een heel ander verhaal, waarmee ik ook al bezig was vóór Vallen is als vliegen. Maar ik moest dat opzij leggen, want dit boek stond gewoon te gillen om geschreven te worden, het drong zich dwars door al het andere heen. Al was het deels een bad trip, een heel donker en ingewikkeld proces om alles van vroeger onder ogen te durven zien. Wat ik geprobeerd heb in het boek is teruggaan naar dat warrige, chaotische, grenzeloze, begrensde gezin met zijn eigen wetten en regels, dat gezin waar een wereld wordt gecreëerd die gewoon de wereld is die je ként als kind. Niks goed of slecht of dader of slachtoffer – dat zijn beoordelingscriteria die je pas later ontwikkelt. Bij uitstek níét daar, in dat gezin.’

    Dat gezin heet in het boek het gezin Holbein, met aan het hoofd vader Henri Elias Henrikus (HEHH), moeder Anna Alida en dertien kinderen: vijf uit het eerste huwelijk van vader, twee uit het eerste huwelijk van moeder en de zes kinderen die ze samen nog krijgen, van wie MM ofwel ‘ondergetekende’ de op twee na jongste én de oogappel van vader is. Het decor van MM’s jeugd is dat van de jeugd van Manon Uphoff: een bovenwoning in de Utrechtse wijk Lombok, vader – ‘een heer’– die ‘s ochtends met zijden stropdas naar kantoor gaat, moeder – veel volkser en een Sophia Loren-achtige schoonheid – die thuisblijft, rokend in de achterkamer met MM’s veel oudere halfzussen, Toddiewoddie en Henne Vuur.

    Het is in 2015 dat de halfzus die model staat voor Henne Vuur, 69 jaar dan, overlijdt. Op diezelfde dag krijgt Manon Uphoff in bad een huilbui die nooit meer lijkt op te houden. En ze wordt woedend. Op zichzelf, omdat ze haar oudere halfzus nauwelijks meer zag, uit haar leven geschrapt had als een hopeloos geval – een zichzelf uithongerende vrouw in een Nieuwegeins seniorenwoninkje samenlevend met haar invalide zoon, terwijl Uphoff, háár anorexia al lang achter zich gelaten, het leven van een gerespecteerd schrijfster leidt. Haar woede richt zich ook op vader, eindelijk, om wat hij haar, Henne Vuur, Toddiewoddie en haar jongste zusje Libby (niet hun echte namen) heeft aangedaan. ‘De vader is langer in ere gehouden dan de oudste zus, dat is zo pijnlijk’, zei Uphoff in een van de eerste interviews na verschijnen van haar boek. ‘Dat je de persoon heel lang de liefde en de loyaliteit hebt gegeven die hij niet helemaal heeft verdiend.’

    Niet dat ze hem nooit met zijn wandaden geconfronteerd heeft; toen ze 26 was, sprak ze hem erop aan. Hij zei zich niets te herinneren.

    Wanneer begon bij jou als kind het besef: er klopt iets niet bij ons thuis?
    ‘Ik beschrijf een aantal momenten in het boek. De verteller is 11 – in werkelijkheid zal ik een jaar of 9 geweest zijn – als ze bij haar oudere halfzus Toddiewoddie, die dan allang het huis uit is, dingen tegenkomt die zo verschrikkelijk mis zijn dat zelfs een meisje met een vertekend perspectief op de werkelijkheid kan zien: dit is niet in orde. Deze zus leefde met een psychopaat, een gevaarlijke pedoseksueel ook, die later is veroordeeld. In het boek komt aan bod hoe hij haar dwong om seks met hem te hebben, de beddenlakens in brand stak, kokende olie goot in de vissenkom. Ze vroeg mij om hulp, want niemand anders deed iets. Thuis zei ik: de politie moet erheen, er moet ingegrepen worden. Als iedereen aan tafel dan gezellig dooreet, snap je als kind van 9 ook wel: dit is niet goed.’

    Je vader sprak met minachting over je halfzussen. ‘Loopse teef’, zei hij over Toddiewoddie.
    ‘Ja. Wat zij meemaakte, was niet van enig belang.’

    En wanneer drong ten volle tot je door dat ook jij slachtoffer was? Het lijkt of de echte, hevige woede pas kwam met Henne’s dood in 2015. In oude columns en interviews schrijf en spreek je eigenlijk best liefdevol over je ouders. In het tv-programma De Kist vertelde je hoe jij en je zussen je vader na zijn dood gewassen en verzorgd hebben. Hoe kan dat, na zo’n jeugd?
    Stilte, aarzeling. ‘Ja, hoe ga ik dit nu toelichten? Het is ongelooflijk ingewikkeld. Kijk, je moet íéts in je leven. Ik moet als mens kunnen geloven dat ik in staat ben tot het onderhouden van diepe, waardevolle banden met mensen, niet-gewelddadige, niet-misbruikende, niet-vernietigende contacten, minder verdraaid en vertwist dan ik ze in mijn jeugd heb gekend. Daartoe moet ik kunstgrepen toepassen. Een zo’n kunstgreep is dat ik lang liefdevol over mijn vader heb gesproken, ja, niet dat het gelogen was, maar het was eenzijdig, het was uitvergroot. Omdat je als mens goede herinneringen nodig hebt als basis om op dóór te kunnen, om zelf te kunnen blijven bestaan.’

    Terwijl je wist dat die goede herinneringen valse herinneringen waren.
    ‘Maar zo eenvoudig ligt het niet. Als het al heel jong begint dat je lichaam niet van jou is – niet dat het wordt afgepakt, want dan zou je een besef hebben dat het je toebehoort, en dat was niet zo, het was niet van mij – dan leer je niet te denken: dit hoort niet, dan denk je: ík zal wel niet kloppen. Bij míj zitten dingen scheef. Je bent als een boom die opgroeit op vergiftigde grond, snap je, er schiet zwart in je op, het kronkelt zich een weg naar boven en je denkt: dit wil ik niet, ik ga alles inzetten op het groene stuk. Dát ga ik ontwikkelen. Ondertussen woekert wel het zwarte, maar wat moet je daarmee? Dat moet wég. Ja, het is verwarrend als je als kind om niks een kneiterhard pak slaag krijgt en er daarna nog eens allerlei andere dingen met je gebeuren, maar de verwarring betreft niet de persoon die dat doet, die is niet gek of raar, nee, ík ben gek en raar, ik deug niet, ik ben de afwijking.’ Feller wordend: ‘En nog steeds ben ik de afwijking, nu word ik in interviews geacht een scalpel in mijn eigen brein te zetten om te laten zien hoe daar de kronkelpaden lopen, want o, o, we snappen er niets van, hoe is het in godsnaam allemaal mogelijk, leg dat eens uit. Maar die vragen horen niet bij mij gelegd te worden, verdomme, die vragen horen bij HEHH. Die onttrekt zich aan de ondervraging, en ík moet dingen gaan uitleggen die ik niet bedacht heb, niet verzonnen, niet ge-, gecreëerd. Ik ga er gewoon van stotteren, hoor je, want het brengt me tot razernij.’

    Je bedoelt die vragen van mij waarom je voor jezelf en voor de buitenwereld zo lang ontkend hebt wat er aan de hand was.
    ‘Ja. Dat moet ik nu gaan verklaren, terwijl ik denk: fok it, vraag het aan anderen. Ik ken genoeg redenen, méér dan genoeg, om hier heel lang je mond over te houden. Persoonlijke, innerlijke redenen, omdat het lang duurt voordat je genoeg stevigheid hebt ontwikkeld om überhaupt te kunnen inzien wat er zo grondig mis was, en voordat je niet meer in waanzinrelaties belandt waarin je alles nog eens gaat naspelen, omdat je denkt dat het nu eenmaal zo hoort. Het is hard werken, hárd werken, om een persoon te worden die niet ten diepste denkt dat ze alleen maar chaos verdient, maar die een kring van goeie, te vertrouwen mensen om zich heen weet op te bouwen. En dan nog is het een stap om hen voorzichtig toe te laten in die donkere, vervormde wereld van mij, waar niemand graag een kijkje neemt en waarvan buitenstaanders zeggen: oehoe, dat is wel heel griezelig allemaal, wat knáp dat ze daar overheen is gekomen. Helemaal niet knap, als je er niet dood aan gaat, leef je vanzelf verder. Ik ben niet de enige met zo’n ingewikkelde geschiedenis. Maar deel hem maar eens met een wereld die als eerste mechanisme heeft: sodemieter op, je zal het wel verzinnen voor de aandacht, zo erg zal het niet geweest zijn, waarom heb je dan zo lang niks gezegd?

    ‘In de literatuur leek er al helemaal geen plaats voor. Dat onderwerp is voor de zieligeboekenhoek, bij de zelfmoordboeken, de depressieboeken, de boeken met de kankers, dat aparte hoekje waar mensen die het lastig hebben naartoe gaan om zich gespiegeld te weten, en voor een moment van troost. Je zit er als jonge schrijver niet op te wachten om daar terecht te komen. Dus toen ik in 1995 debuteerde heb ik dat risico niet genomen, nee.’

    En als je in die tijd in interviews liefdevol over je ouders sprak, moest je jezelf dan geweld aandoen, of was de band werkelijk wel goed?
    Ze zucht. ‘Op een gegeven moment, toen duidelijk werd dat noch mijn vader, noch mijn moeder de confrontatie aankon, heb ik gedacht: ik moet dóór. Toen heb ik ingezet op het creëren van een nieuwe werkelijkheid. Een werkelijkheid waarin ik mijn ouders de gelegenheid heb gegeven om zich als fatsoenlijke mensen te gedragen. Toen ik eenmaal wist: het open gesprek over wat er gebeurd is, gaat er nooit komen, dacht ik: wat kan er nog wel? Nou, dat. We kunnen doen met elkaar alsof dit een heel gewoon gezin is, met heel normale, lieve ouders. Dat hebben we gedaan.’

    Hoe kijk je daarop terug? Je had ook met ze kunnen breken.
    ‘Dan had ik niet kunnen oefenen op normale omgangsvormen met mijn ouders. Dan had ik misschien niet verder gekund. Je moet niet vergeten: we zitten nu in 2019, ik denk dat het pas een jaar of twee mogelijk is om over dit soort dingen te praten zonder dat er meteen beschuldigend naar het slachtoffer wordt gewezen, zo van er zal bij jóú wel iets niet in orde zijn. Dat kon niet toen ik 25 was. Gewoon niet. En ik wilde niet naar een psychiater, ik wilde studeren, ik wilde mezelf ontwikkelen, ik wilde iets van mezelf maken. Dus ik dacht: we doen gewoon normaal. En ik begrijp dat dat in de ogen van de buitenwereld misschien volkomen waanzinnig is, maar mij ging dat ontzettend goed af. Ik was daarin getraind. Kijk, als er ’s nachts een misbruiksituatie is en ’s ochtends staat gezellig het bambibordje klaar, dan lééf je in die gespletenheid. Het is een leven op twee sporen; het ene treintje rijdt een krankzinnige, gevaarlijke, razende route en het andere treintje rijdt normaal. En nu vragen mensen zoals jij: hoe kón dat nou dat jij al die tijd in dat waanzinnige karretje hebt gereden? Weet ik veel, ik zat erin!’

    Later, als ze even naar de wc is geweest: ‘Ik wil nog iets moeilijks toelichten. Er wordt vaak gezegd over kinderen uit gewelds- of misbruiksituaties: ze zijn zó loyaal, ze zullen altijd van hun ouders blijven houden. Het meewarige tingeltangelmuziekje kun je er bijna bij horen: árme kinderen, die zoveel houden van ouders die dat niet hebben verdiend. Waardoor je, als je volwassen bent, last gaat krijgen van het feit dát je als kind van je ouders hebt gehouden. Had ik niet moeten doen. Waren ze niet waard. Mijn liefde is in een beerput gevallen. Mijn vermogen om van mensen te houden is eigenlijk waardeloos geworden, want het is naar de verkeerde mensen gegaan. Maar we hebben niet alleen liefde nodig om te krijgen, we hebben het ook ongelooflijk hard nodig het te geven – alleen zo ontwikkel je je als mens. Dus als Tom Hanks in de film Cast Away op een onbewoond eiland van een volleybal gaat houden en kapot van verdriet is als die van hem wegdrijft, ga ik mezelf niet met terugwerkende kracht vermanend toespreken dat ik best lang van mijn ouders heb gehouden. Ja, nu, als vrouw van middelbare leeftijd, 57 sinds 20 december, kan ik zeggen dat ik veel heb aan te merken op mijn vader’ – kort lachje – ‘en ook het nodige op mijn moeder.’

    Wist zij van het misbruik? In je boek geef je daar geen uitsluitsel over.
    ‘Eh… In het boek staat ze beschreven als degene die de rotzooi opruimt. Als degene die kil reageert op bedplassen en buikpijn en andere signalen.’

    En met rotzooi bedoel je de ‘po met wobbelkeutels en vlokkige zaadstrengen’ die je beschrijft.
    ‘Ja. Dan laat ik het aan de lezers om daar conclusies aan te verbinden.’

    Je schrijft ook over de tekenleraar op school, die enthousiast reageerde op de horrortekeningen die je altijd maakte.
    ‘Ja, tekeningen van vrouwen aan kettingen met bloederig afgehakte lichaamsdelen, full blown horror inderdaad. Ik zie het mannetje nog springen: pchachtig, pchachtig!’

    Zeg je nu achteraf: er had wel een belletje mogen rinkelen bij hem?
    ‘Ja. Er hadden bij wel meer mensen belletjes mogen rinkelen, maar de belletjes rinkelden nooit.’ Dan, terugkomend op de toelichting die ze wilde geven: ‘Dus nu zou ik zeggen als ik kon kiezen: niet deze ouders. Maar ik ga niet met terugwerkende kracht alle liefde wegsnijden die ik als kind voor ze heb gevoeld.’

    In een eerder interview over Vallen is als vliegen zei je: ‘Ik heb lang gedacht: ik zal voorgoed een uit verschillende delen opgebouwd persoon zijn. Maar alle schotten zijn nu wel weg.’ Is het schrijven van het boek helend geweest?
    Geprikkeld: ‘Nee, ik heb dit boek niet geschreven om te helen. Er zijn dagen dat ik denk: tief toch op met dat hele boek, laat me met rust. Dan word ik ook kwaad op mezelf dat ik toch weer toezeg om erover in gesprek te gaan.’

    Nu bijvoorbeeld?
    ‘Ja, want weet je wat het is: ik ben schrijver. En ik heb het boek niet voor mezelf geschreven. Ik dacht alleen: takke, wat niet in de boeken staat, is niet in de wereld. Als deze verhalen niet verteld mogen worden… Mijn geschiedenis is totaal niet uniek. Ik geef lezingen in bibliotheken en op scholen, en altijd komen er mensen naar me toe na afloop, en echt niet alleen uit de donkere achterafwijkjes waar De Hele Erge Dingen gebeuren. Het is overal. Met mijn boek is mijn verhaal communiceerbaar geworden. Dat is niet zozeer helend, maar wel bevrijdend.

    ‘Alles mag gezegd worden, juist in de literatuur. Ik word er ook blij van om er taal voor te vinden, banaal, kitscherig, melodramatisch, woedend, teder, in de literatuur kan het allemaal. En ik ben ook blij dat het me gelukt is om er humor in te stoppen. Ik vind het jammer dat uit interviews opeens niet meer blijkt dat je met mij ook kunt lachen. Ik ontwaak zelden of nooit met een slecht humeur en ik meen te denken dat ik over een goed gevoel voor zwarte humor beschik. Na het boek heb ik met mijn oudere nog levende zus over de grond gerold van het lachen, zonder enige schroom konden we nu alles eruit gooien en niemand die zegt: hohoho, is dat niet een beetje grof gebekt? Ook dat was heel bevrijdend.’

    Sprak je met haar over wat er met jullie gebeurde?
    ‘We hebben er heel lang niet met elkaar over gesproken.’

    Ook met je jongste zusje niet?
    Terughoudend weer: ‘Heel lang hebben we er niet met elkaar over gesproken.’ Dan: ‘Het was geen onderwerp van gesprek zoals het maatschappelijk gezien geen onderwerp van gesprek is. En als het dat wel is, dan alleen op de conventionele manier: heel erg naar, heel erg vreselijk, niet overheen te komen, voor het leven vernacheld, kan alleen maar herhalen, sluit maar op, stop maar in een inrichting, is getekend voor het leven – al die stigma’s die misschien wel veel schadelijker zijn dan de complete achtergrond van misbruik of geweld.’

    Is dat zo?
    ‘Ja, want daarmee wordt gezegd: jij draagt alles in je wat wij als samenleving afwijzen, jij bent de drager van het taboe. Alles wat we vies en naar en verrot en schandelijk en eng en banaal vinden, hoort bij jou. Daar willen wij niks mee te maken hebben, want het is zooo verschrikkelijk erg.’

    Vind jij daarom dat je een rolmodel moet zijn voor jonge meiden die het nu meemaken?
    ‘Ja. Wat ik ongelooflijk graag zou willen en waar ik bloedtrots op zou zijn als het gebeurt, is dat er bij jongens en meisjes die zich in mij ervaringen herkennen een soort elan ontstaat van: fok it met de schaamte en fok it dat ik voor altijd de zwijgende, stille drager van het geheim moet zijn, de schatbewaarder van het taboe waar de samenleving zich geen raad mee weet. We gaan het er godverdomme over hébben.’

    Zelf heb je zoveel gezwegen dat ook je boeken al maar kaler werden, zei je in een interview. ‘Ik merkte dat mijn palet zich verengde tot een steeds groter zwijgen.’
    ‘Ja, het proces ging steeds stroever en er kwam steeds meer wit. Ik begon me af te vragen: maak ik straks alleen nog haiku’s? Maar met de dood van Henne Vuur, zoals ik haar blijf noemen, kwam er een oerkracht in me naar boven: ik zwijg niet langer. Want Henne Vuur had geleefd zoals een misbruikslachtoffer geacht wordt te doen: zichzélf straffend door zich uit te hongeren, zich terug te trekken, nergens over te praten. Ik wilde dat niet meer.’

    Daardoor gebeurde ook wat je heel lang niet wilde: opeens was je ‘de schrijfster die misbruikt is in haar jeugd’. Bij het tv-programma Boeken werd je letterlijk zo aangekondigd.
    ‘Ja, haha, daar komt ze op met ballonnen en een ratel. Met zo’n introductie kun je niet meer denken: ach, ik lul er wel overheen.’

    Wat je lang gedaan hebt.
    ‘Dat heb ik lang gedaan, ja, hoewel ik ook wel heb gedacht: mensen, kom op, ik schrijf al 25 jaar boeken over meisjes in verknipte machtsrelaties – denkt niemand ooit: ként ze dat misschien? Je mag je wel eens verdiepen in de thematiek. Als mannen over geweld schrijven, wordt het veel serieuzer genomen dan wanneer vrouwen erover schrijven, dan is het opeens klein, huiselijk leed. Terwijl: daar, thuis, speelt het geweld tegen vrouwen zich af. Margaret Atwood schreef het ook: het bed is voor veel vrouwen een gevaarlijke plek. Huiselijk geweld – alleen het begrip al is een leugen. Het is gewoon geweld. En een belangrijk thema.’

    Ik moet denken aan die uitspraak van jou in een radio-interview: ‘Dat je de persoon heel lang de liefde en de loyaliteit hebt gegeven die hij niet helemaal verdiend heeft.’ Dat woordje: ‘helemaal’.
    Ze schiet in de lach: ‘Ja, haha, netjes, hè? Als je me vraagt wat het boek me gebracht heeft: dat ‘helemaal’ kan nu wel weg.’

    Is het bitterzoet dat je juist met dit verhaal je grootste schrijverssucces tot nu toe beleeft?
    ‘Nee, het bittere zit in het feit dat ik nu met jou dit gesprek voer en met mijn levende zussen en met allemaal andere mensen, maar dat het met mijn dode zus niet meer kan. Terwijl ik zo graag had gezegd: kom mee macaroni eten bij Toddiewoddie, we gaan praten en janken en lachen en het gezellig hebben. Dat dat nooit is gebeurd, is eeuwig zonde, hoeveel lof ik ook krijg voor het boek. Maar het succes is verder niet bitterzoet, nee, het is gewoon fijn.’

    Je eerste boek dat in het Engels wordt vertaald, bij bijna alle recensies vijf sterren.
    Voorbeeld van haar zwarte humor: ‘Ja, joepie, dat maakt alles goed.’

    Bron: volkskrant.nl

2 berichten aan het bekijken - 1 tot 2 (van in totaal 2)
  • Je moet ingelogd zijn om een reactie op dit onderwerp te kunnen geven.
gasten online: 22 ▪︎ leden online: 1
ikkkke
FORUM STATISTIEKEN
topics: 1.917, reacties: 10.837, actieve leden: 741